Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Economic Researcher.
Generalization No (9) for the year 2020 concerning organizational structures & job vacancies in all UAE representing missions’.
sovereign state.
ontslag op staande voet’).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 4.5 t/m 4.22 van de bestreden beschikking en valt uiteen in drie subonderdelen (onder 1.1) en een toelichting (onder 1.2).
Onderdeel 1.1.2betoogt dat het hof heeft miskend dat in een geschil tussen een ambassade van een vreemde staat en een van haar medewerkers de beoordeling en kwalificatie van documenten en informatie als vertrouwelijk en gevoelig, alsmede de beoordeling welke gevolgen het zonder toestemming onder zich houden en met derden delen daarvan voor het voortbestaan van diens arbeidsovereenkomst heeft, in beginsel aan de ambassade toekomt en de Nederlandse rechter het oordeel van de ambassade slechts (zeer) terughoudend en marginaal mag toetsen.
Onderdeel 1.1.3klaagt dat, voor zover het hof de juiste maatstaf heeft toegepast, zijn oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat daaruit de toe te passen (ruime mate van) terughoudendheid en marginale toetsing niet blijkt. In de toelichting verwijst het middel naar de immuniteit van jurisdictie die aan een vreemde staat toekomt in een geschil met een werknemer waarbij veiligheidsbelangen een rol spelen.
Onderdeel 2.1.2betoogt dat het hof – zo nodig op de voet van art. 25 Rv Pro – de door de kantonrechter opgelegde veroordeling op straffe van een dwangsom had moeten vernietigen en geen aanvullende dwangsom had mogen opleggen.
saisie,
saisie-arrêtand
saisie-exécution, including enforcement of arbitral award, sequestration and interim, interlocutory and all other prejudgement conservatory measures, intended sometimes merely to freeze assets in the hands of the defendant. The measures of constraint indicated in paragraph 1 are illustrative and non-exhaustive.’ [23]
astreinte) die het Arbeidshof Brussel had opgelegd aan het Koninkrijk Eswatini in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werkneemster die was aangenomen als receptioniste/typiste op de ambassade van Eswatini in België, kwalificeert als een executiemaatregel in de zin van art. 19 VN Pro-Verdrag:
astreintenaar Frans recht, die enige gelijkenis vertoont met de regeling van de dwangsom zoals deze in Nederland bestaat. [36] In Frankrijk is de vraag of een
astreintekan worden opgelegd aan een vreemde staat, minder duidelijk beantwoord in de rechtspraak. De kwestie is zijdelings aan de orde gekomen in een arrest van de Cour de cassation van 19 november 2008. [37] Uit dit arrest zou wellicht kunnen volgen dat de Cour de cassation het opleggen van een
astreinteaan een vreemde staat mogelijk acht in het geval dat sprake is van een geschil over handelingen die de staat in het rechtsverkeer heeft verricht op voet van gelijkheid met particulieren (
acta iure gestionis). Het ging in deze zaak om schade aan een scheidsmuur tussen twee percelen, waarvan het ene perceel in eigendom toebehoorde aan de Bondsrepubliek Duitsland en het andere aan een particuliere eigenaar (hierna: X). Wanneer X de Bondsrepubliek Duitsland aanspreekt tot het repareren van de muur op straffe van een
astreinte, oordeelt de Cour d’appel in een eerste uitspraak dat de Bondsrepubliek Duitsland de muur moet repareren, maar dat geen
astreintekan worden opgelegd. Vervolgens vraagt X in een nieuwe procedure schadevergoeding op straffe van verbeurte van een
astreinte(en een hypothecaire inschrijving, die ik hier verder buiten beschouwing laat). De Cour d’appel oordeelt dat de Bondsrepubliek Duitsland immuniteit van jurisdictie geniet en niet tot schadevergoeding kan worden veroordeeld, maar wel tot reparatie van de muur, zij het niet op verbeurte van een
astreinte. De Cour de cassation vernietigt de bestreden uitspraak en overweegt over immuniteit van executie het volgende:
astreintekan worden opgelegd. Ik vermeld een arrest van 1 juli 2008 van de Cour d’appel van Parijs (gewezen vóór het hierboven genoemde arrest van de Cour de cassation). [38] In die zaak ging het om een arbeidsrechtelijk geschil tussen de ambassade van Qatar in Frankrijk en een werkneemster, die als secretaresse in dienst was genomen en naderhand werd ontslagen. In hoger beroep heeft de werkneemster bij de Cour d’appel teruggave van bepaalde documenten gevorderd die betrekking hebben op haar arbeidsovereenkomst op straffe van verbeurte van een
astreinte. Qatar heeft een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie, dat door de Cour d’appel is afgewezen omdat – kort gezegd – de werkneemster niet was belast met de uitoefening van publieke taken van de staat Qatar. Wel heeft de Cour d’appel overwogen dat aan Qatar geen dwangsom kan worden opgelegd, overigens zonder daarbij art. 19 VN Pro-Verdrag te betrekken:
astreinteafgewezen in een arbeidsgeschil tussen de ambassade van de Republiek Djibouti in Frankrijk en een werknemer die als chauffeur in dienst was genomen. [39] De Cour d’appel gelastte de staat Djibouti de gevorderde documenten aan de werknemer terug te geven zonder een
astreinteop te leggen. De Cour d’appel heeft op het punt van de
astreinteoverwogen:
astreinteten uitvoer kon worden gelegd, nu in dit concrete geval geen sprake was van immuniteit van executie. [40] De VS beriepen zich erop dat het internationaal gewoonterecht niet toestaat dat aan een vreemde staat een
astreintewordt opgelegd. De Cour d’appel overwoog dat de rechter die over de tenuitvoerlegging van de
astreintemoet oordelen, de beslissing van de rechter die de
astreinteheeft opgelegd niet mag wijzigen en zich dus niet mag uitlaten over de vraag of er sprake is van strijd met het internationaal gewoonterecht. Ik citeer de Cour d’appel:
opinio iurisdat aan een vreemde staat geen dwangsom kan worden opgelegd. [41]
astreintenaar Frans recht enigszins vergelijkbaar met de dwangsom zoals wij die kennen. Uit het besproken arrest van de Cour de cassation van 19 november 2008 zou kunnen worden afgeleid dat een
astreintewél aan een vreemde staat kan worden opgelegd [43] , maar uit rechtspraak van de Cour d’appel van Parijs volgt dat dit juist niet het geval is.
Zwangsgeldof
Ordnungsgeld, zoals dit in het Duitse recht en het Oostenrijkse recht als dwangmiddel bestaat, heb ik in het kader van de in deze conclusie opgenomen rechtsvergelijkende exercitie geen aandacht besteed, nu deze dwangmiddelen slechts zeer ten dele met de dwangsom vergelijkbaar zijn, omdat dan sprake is van een boete die toekomt aan de staat. [44]