Conclusie
Capabelrespectievelijk
[verweerster].
1.Inleiding
Fuhrmann(HvJEU 7 april 2022, C-249/21, ECLI:EU:C:2022:269), maar heeft niet bepaald wat in geval van schending van deze informatieplicht precies de rechtsgevolgen zijn.
nietvoldoet aan het bepaalde in art. 6:230v lid 3 BW en dat
volledigevernietiging van de overeenkomst in deze zaak de juiste sanctie is op schending van die bepaling. De vervolgvraag, die hier centraal staat, is dan wat de rechtsgevolgen van de volledige vernietiging zijn. Meer specifiek vraagt de verwijzende rechter of de handelaar op basis van een andere rechtsgrond dan de vernietigde overeenkomst een vergoeding voor de door hem geleverde prestatie kan eisen.
Bol.com, die op dezelfde dag is verwezen door dezelfde kantonrechter. Vandaag concludeer ik ook in die zaak. De vragen in die zaak gaan systematisch gezien vooraf aan de vragen die hier aan de orde zijn. Het gaat daar om de vraag (a) of de gebruikte bestelknop van bol.com gelet op het arrest
Fuhrmannvoldoet aan het bepaalde in art. 6:230v lid 3 BW en, als dat niet het geval is, (b) of de rechter in een verstekzaak de overeenkomst tussen consument en handelaar ambtshalve moet vernietigen en zo ja, (c) in zijn geheel of slechts gedeeltelijk. Feitelijke verschil met de zaak
Bol.comis dat het in die zaak gaat om bestelde artikelen (en hier om een dienst) en voorts dat in die zaak tegen de consument verstek is verleend (terwijl het hier een zaak op tegenspraak betreft).
2.Feiten en procesverloop
indien bij het plaatsen van de bestelling in niet voor misverstand vatbare termen en op goed leesbare wijze blijkt dat de aanvaarding een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. Een knop of soortgelijke functie wordt daartoe op een goed leesbare wijze aangemerkt met
een ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. De enkele zinsnede ‘bestelling met betalingsverplichting’ wordt aangemerkt als een dergelijke ondubbelzinnige verklaring.
Een overeenkomst die in strijd met dit lid tot stand komt, is vernietigbaar.”
De tekst «bestelling met betalingsverplichting» voldoet hier in ieder geval aan. Andere teksten kunnen ook volstaan, mits ze voldoende duidelijk en ondubbelzinnig zijn.(…).
Richtlijn consumentenrechten”). [9] Het betrokken gedeelte van art. 8 lid 2 luidt Pro:
wordt de knopof soortgelijke functie op een goed leesbare wijze
aangemerkt met alleen de woorden „bestelling met betalingsverplichting” of een overeenkomstige ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een verplichting inhoudt om de handelaar te betalen.
Indien aan de bepalingen van deze alinea niet is voldaan is de consument niet door de overeenkomst of de bestelling gebonden.”
Commissie”) in 2008 heeft ingediend. [10] Tijdens het wetgevingsproces is, in het kader van de triloog [11] tussen het Europees Parlement (“
EP”), de Raad van de Europese Unie (“
Raad”) en de Commissie, een tekstvoorstel over de duidelijkheid en ondubbelzinnigheid van de tekst op de bestelknop ingebracht. [12] Bij amendementen (nrs. 107, 235, 236) heeft het EP lid 1a aan (op dat moment) art. 11 van Pro het richtlijnvoorstel toegevoegd. [13] Dit betrof een informatieplicht voor de situatie dat de consument een betalingsverplichting aangaat. [14] Het oogmerk was ‘cost traps’ bij overeenkomsten op afstand bestrijden. [15] In het verdere wetgevingsproces is het voorstel van het EP over de wijze waarop de handelaar de consument moet informeren over zijn betalingsverplichting (nog) specifieker gemaakt. [16] Op die manier is de bestelknopbepaling tot stand gekomen.
Ook is het van belang erop toe te zien dat de consument in dergelijke situaties het tijdstip kan vaststellen waarop hij de verplichting op zich neemt de handelaar te betalen. Daarom dient de aandacht van de consument door middel van een ondubbelzinnige formulering specifiek te worden gevestigd op het feit dat het plaatsen van de bestelling de verplichting tot het betalen van de handelaar met zich meebrengt.”
Indien aan de bepalingen van deze alinea niet is voldaan is de consument niet door de overeenkomst of de bestelling gebonden.” Dit gedeelte van de bepaling is in art. 6:230v lid 3 BW ‘vertaald’ in vernietigbaarheid van de overeenkomst. [33]
de gevolgenvan de toepassing van de sanctie ‘niet binden’. Deze sanctie doet denken aan de sanctie die art. 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EEG verbindt aan een oneerlijk beding in een overeenkomst met een consument (zie voetnoot 21). [34] Uit de rechtspraak over de gevolgen van het toepassen van die bepaling kan worden afgeleid waar de nationale rechter rekening mee moet houden. [35]
ongerechtvaardigde verrijkingdaarbij een rol spelen. [38] Het verbod van ongerechtvaardigde verrijking kan hier bovendien twee kanten op werken. Ook de handelaar kan namelijk op dat beginsel een beroep doen tegenover de consument, bijvoorbeeld als bij integrale vernietiging van de overeenkomst een door hem geleverde prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt, terwijl de consument wel van zijn betalingsverplichting wordt bevrijd. [39] Het Unierecht staat daar in algemene zin niet aan in de weg. Integendeel, aldus kan worden bereikt dat ook aan het vereiste van evenredigheid van de sanctie wordt voldaan. Er mag bovendien van uitgegaan worden dat het verbod van ongerechtvaardigde verrijking - een beginsel dat de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben - een van de algemene beginselen van het Unierecht vormt. [40]
DC/HJ [41] hier niet aan af. In dat arrest, dat is gewezen in de context van de Richtlijn consumentenrechten, wordt een vordering van de handelaar uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking afgesneden met een beroep op de plicht van de handelaar om de consument te informeren over het herroepingsrecht. Deze beslissing moet volgens mij niet worden gelezen als een afwijzing van de mogelijkheid van een handelaar om bij een geheel vernietigde overeenkomst restitutie te verlangen. Op het Unierechtelijke beginsel van het verbod op ongerechtvaardigde verrijking is het Hof in die zaak niet ingegaan, ondanks aansporing daartoe door de verwijzende rechter.
Arvato Ibepaald dat de rechter ambtshalve onderzoek moet verrichten naar de naleving van bepaalde informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten en daar zo nodig gevolgen aan moet verbinden. De Hoge Raad baseert dit oordeel op het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel (rov. 3.1.6). De verplichting ambtshalve onderzoek te verrichten geldt ook in verstekzaken (rov. 3.1.7). Dit is in lijn met rechtspraak van het Hof waaruit de verplichting volgt om in verstekzaken ambtshalve te toetsen of sprake is van een oneerlijk beding. [42] Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat niet hetzelfde heeft te gelden voor informatieplichten in de Richtlijn consumentenrechten. Dat dit voor kantonrechters en, indirect, aanbrengende partijen (veel) extra werk betekent is duidelijk.
Sanctiemodel”). [43] Daarin wordt uitgegaan van gedeeltelijke vernietiging indien sprake is van schending van een of meer essentiële informatieplichten en wordt voor prijsverminderingen een staffel gegeven van percentages tot 50% (ongeacht de kooprijs). Rechters zijn niet gebonden aan deze richtlijn. Zij kunnen er gemotiveerd van afwijken volgens het beginsel
comply or explain.
nietop de informatieplicht van art. 6:230v lid 3 BW (uit categorie(i)).
Een overeenkomst die in strijd met dit lid tot stand komt, is vernietigbaar.” [44] De Hoge Raad expliciteert op dit punt in
Arvato Iniet of het daarbij moet dan wel mag gaan om een volledige of om een gedeeltelijke vernietiging.
de (met het oog op de evenredigheid van de sanctie noodzakelijke) nadelige invloed van een schending op de wilsvorming“ wordt verdisconteerd en niet, zoals bij toepassing van art. 3:40 lid 2 BW Pro, van de causaliteit en van het door de consument geleden nadeel moet worden geabstraheerd. [45] Ook plaatst Pavillon vraagtekens bij de partiële vernietiging van de overeenkomst, nu die feitelijk alleen een korting op de prijs voor de consument behelst en dus een eenzijdig karakter heeft. [46] Een prijsvermindering is in zijn algemeenheid wel gemakkelijk toe te passen, makkelijker dan ongedaanmakingsverbintenissen. Een prijsvermindering biedt daarom praktische voordelen.
Arvato Ivervolgvragen gesteld (zaak 22/01093,
Arvato II). De vijfde (vervolg)vraag die was voorgelegd ging over art. 6:230v lid 3 BW. [47] Op 10 juli 2022 heeft de Hoge Raad beslist om af te zien van beantwoording van de vervolgvragen. [48] Die beslissing was conform de conclusie van plv. P-G Wissink, die de Hoge Raad had geadviseerd die vervolgvragen niet in behandeling te nemen.
Gedeeltelijke vernietiging in de vorm van prijsvermindering zou echter impliceren dat de consument, in afwijking van artikel 8 lid Pro 2, tweede alinea, van de Richtlijn consumentenrechten, door de overeenkomst gebonden blijft.
niet in de weg staat aan een algehele vernietiging op deze grond.
betalingsverplichting’ als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW als sanctie slechts vermeld ‘
vernietiging overeenkomst (art. 6:230v lid 3)’. Er wordt niet tevens vermeld ‘
eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging’.”
Het zou in strijd zijn met de effectieve bescherming van de consumentdie door de art. 7:61 en Pro 7A:1576 BW wordt geboden […],
indien hijnaast de teruggave van het toestel en het eventueel betalen van de hiervoor in 3.15.1 en 3.15.2 bedoelde (schade)vergoedingen, ook zou moeten betalen voor het genot dat hij van het toestel heeft gehad. Dat zou bovendien afbreuk doen aan het vereiste dat de sanctie op schending van art. 7:61 lid 2 BW Pro doeltreffend en afschrikwekkend moet zijn […]. Om deze redenen is een vergoeding op grond van art. 6:212 BW Pro in strijd met de strekking van deze bepalingen en derhalve onredelijk. […].”
Arvato I [70] alleen bij een
voldoende ernstige schendingvan essentiële informatieplichten toegekomen aan vernietiging als sanctie. Bij een schending van art. 6:230v lid 3 BW is het echter moeilijk een onderscheid te maken tussen ernstig en minder ernstig. Een bestelknop voldoet wel of niet, zo zwart-wit is het. Het evenwicht moet vervolgens worden gevonden bij het bepalen van de gevolgen van de sanctie. Daar gaat deze zaak in de kern over.
Fuhrmann-arrest gewezen, waarin een strenge uitleg is gegeven van art. 8 lid Pro 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten. [71] Sindsdien is er een groot aantal uitspraken gepubliceerd over de ‘bestelknopproblematiek’, waarop ik uitvoeriger inga in de parallelle zaak
Bol.com(conclusie in die zaak, 3.27 e.v.). In deze zaak gaat het om de gevolgen van een algehele vernietiging.
naar zijn aardniet ongedaan gemaakt kan worden, moet de consument een vergoeding betalen. Ik werk deze beide situaties uit. Zoals hiervoor toegelicht staat het Unierecht aan deze uitgangspunten niet in de weg (zie hiervoor3.15-3.16).
los staat van het gebruiken uitsluitend is toe te schrijven aan veranderende marktomstandigheden komt in de verhouding tussen handelaar en consument mijns inziens voor risico van de handelaar (art. 6:75 BW Pro). Te denken valt aan een product waarvan inmiddels nieuwe - en technologisch meer geavanceerde - versie is uitgekomen. Bij waardeverlies door
gebruik of beschadigingvan de zaak ligt dit iets anders. [88] In art. 6:204 lid 1 BW Pro staat een specifieke regel over de toerekenbaarheid van de tekortkoming: indien de consument in een periode waarin hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave geen rekening behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor de zaak heeft zorg gedragen, wordt hem dit niet toegerekend. [89] In de periode dat de consument geen rekening hoefde te houden met teruggave, geeft deze regel een billijke verdeling van het risico van waardevermindering ten nadele van de handelaar. [90]
niethet geval.
feitelijkniet mogelijk is (bijvoorbeeld: de zaak is tenietgegaan of doorverkocht), schiet de consument tekort in de nakoming van zijn teruggaveverbintenis jegens de handelaar (art. 6:74 lid 1 BW Pro). De algemene regeling voor de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis (negende afdeling van titel 6.1 BW) is dan van toepassing. Indien de tekortkoming niet aan de consument kan worden toegerekend (art. 6:75 BW Pro), ontstaat geen verbintenis tot schadevergoeding (art. 6:74 lid Pro 1, slot). Dat laat onverlet dat indien de consument in die situatie toch een voordeel geniet die hij bij teruggave van de zaak niet zou hebben gehad, de handelaar recht heeft op een vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:78 BW Pro juncto art. 6:212 BW Pro). Praktisch betekent dit het volgende. [99] In het geval de consument de zaak heeft doorverkocht zal hij de ontvangen koopprijs aan de handelaar verschuldigd zijn. Bij tenietgaan van de zaak is de consument (indien te goeder trouw) in beginsel niets verschuldigd. Ik schrijf ‘in beginsel’ omdat indien de consument een vordering op een derde heeft vanwege het tenietgaan van de zaak, hij deze vordering of het op grond daarvan geïnde aan de handelaar zal moeten afstaan.
naar zijn aardniet kan worden teruggegeven, zal de consument deze prestatie op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro moeten vergoeden. De rechtvaardiging voor een vergoeding is dan dat ongerechtvaardigde verrijking wordt voorkomen. [100] Art. 6:210 lid 2 BW Pro houdt in dat,
voor zover dit redelijk is(zie hierna), vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst in de plaats treedt van ongedaanmaking van de prestatie indien: (1) de ontvanger door de prestatie is verrijkt, (2) het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht
of(3) indien hij erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten. Het lijkt aannemelijk dat de onder (1) vermelde situatie zich het meest zal voordoen in een geval waar een bestelknop niet voldoet. De consument zal normaliter zijn verrijkt door de prestatie van de handelaar. Dit zal moeten worden beoordeeld overeenkomstig het begrip verrijking als bedoeld in art. 6:212 BW Pro, [101] dat zowel behaald voordeel als afgewend nadeel omvat. [102] Verarming van de handelaar is géén vereiste. [103]
nieteen waarde willen toekennen aan de prestatie met zijn druk op de knop. Er moet in zo’n situatie worden gekeken hoeveel normaliter – dat wil zeggen: buiten de omstandigheden die aanleiding geven tot de vernietiging – objectief gezien zou zijn betaald voor de verrichte prestatie. [106] Dat kan uiteraard nog steeds de prijs zijn waartegen de handelaar de prestatie heeft aangeboden aan de consument.
kan [114] blijken uit het feit dat de consument
heeftbetaald en zich dus klaarblijkelijk bewust was van zijn betalingsverplichting. [115]
geen beroep kunnen doenop de sanctie van art. 6:230v lid 3 BW Unierechtelijk stand houdt. Art. 8 lid Pro 2, tweede alinea, van de Richtlijn consumentenrechten bevat niet een afbakening van de kring van consumenten die op deze bepaling beroep kan doen. Verder verwijs ik naar HvJEU 17 mei 2023, C-97/22, ECLI:EU:C:2023:413 (
DC/HJ), een uitspraak die ik in 3.17 al noemde. Die zaak ging over de reparatie van een elektrische installatie bij een consument thuis. De elektricien had, in strijd met zijn informatieplicht, de consument niet gewezen op diens herroepingsrecht. Daardoor werd de vervaltermijn van 14 dagen voor het inroepen van het herroepingsrecht verlengd met 12 maanden. [116] Toen de klus ruimschoots was uitgevoerd en de elektricien aandrong op betaling van de factuur, beriep de consument zich binnen die verlengde vervaltermijn op zijn herroepingsrecht, op grond waarvan hij meende van zijn betalingsverlichting geheel te zijn bevrijd. De elektricien stelde - en geef hem eens ongelijk - dat dit een onevenredige sanctie zou zijn. Toch kreeg hij bij het Hof ongelijk.
Fuhrmannin een samenstelling van drie rechters en zonder voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal, overweegt het volgende:
kanná vernietiging op grond van art. 6:230v lid 3 BW recht hebben op een waardevergoeding van de consument. Of een handelaar ook recht
heeftop een dergelijke vergoeding hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals te beoordelen door de feitenrechter.