Conclusie
10 Verwijzing naar het HvJEU?
1.Inleiding
repeat playersin de incassopraktijk) moeten overleggen. Hierin dient de eisende partij onder meer aan te geven en met documenten te onderbouwen dat en hoe zij aan de informatieplichten heeft voldaan. Het formulier helpt de rechter verder ook om te kunnen toetsen aan onder meer de regels over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en over consumentenkredietovereenkomsten. Aan dit formulier ligt mede de veronderstelling ten grondslag, dat de rechter ambtshalve dient te toetsen of de informatieplichten zijn nagekomen. [13] Na een gewenningsperiode wordt van eisers verwacht dat zij deze informatie zelfstandig aandragen zodat de rechter daar niet meer om hoeft te vragen. [14]
2.Feiten en procesverloop
Media Markt Groene Stroom Zekeren
Media Markt Gas Zekeraan [verweerster] bevestigt met als ingangsdatum 9 maart 2016 en waarin onderaan is opgenomen dat [verweerster] de overeenkomst binnen 14 dagen na ontvangst van de e-mail (gratis) telefonisch of schriftelijk kan annuleren. Ook is bepaald dat de Productvoorwaarden Zekerheidsgarantie en de Algemene Voorwaarden voor levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers (verder: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn en dat de actievoorwaarden zijn op te vragen bij de klantenservice;
3.De te beantwoorden vragen
vragen b tot en met fgaan over de omvang van het ambtshalve onderzoek van de rechter en betreffen, kort gezegd, stelplicht en bewijslast van de eiser (vraag b), de beoordeling door de rechter (vragen d en e) en de mate van diens activiteit (vragen c en f).
vragen g tot en met lgaan over de gevolgen die de rechter moet verbinden aan zijn constatering dat niet (is gebleken dat) aan een of meer van de informatieplichten is voldaan.
- Kan daartoe de Amsterdamse staffel worden gebruikt (vraag i)?
- In dit verband speelt ook de vraag of bepaalde informatie in de vorm van algemene voorwaarden kan worden verstrekt (vraag m).
vragen n tot en met pstellen aan de orde of de rechter ook ambtshalve dient te toetsen of is voldaan art. 6:230u BW.
4.De informatieplichten in de Richtlijn Consumentenrechten en afd. 6.5.2B BW
5.Mogelijke remedies bij schending van de informatieplichten
Walbusch Walter Buschoverwoog het HvJEU in verband met art. 8 leden Pro 1 en 4 Richtlijn CR (art. 6:230v leden 1 en 5 BW) en het herroepingsrecht van art. 6 lid 1 onder Pro c Richtlijn CR (art. 6:230m lid 1 onder h BW): [49]
Amazon EUoverwoog het HvJEU in verband met de adresgegevens van de handelaar (art. 6 lid 1 onder Pro c Richtlijn CR, omgezet in art. 6:230m lid 1 onder c BW): [50]
Walbusch Walter Buschpunt 36,
Amazon EUpunt 43). Zij steunen voorts de gedachte dat niet elke informatieplicht (in alle opzichten) essentieel is voor de wilsvorming van de consument (
Walbusch Walter Buschpunt 42,
Amazon EUpunt 52). Zij laten verder zien dat de handhaving van de Richtlijn CR mede in het teken staat van het evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven (
Walbusch Walter Buschpunt 42,
Amazon EUpunt 44).
Moderniseringsrichtlijn(ook wel Omnibusrichtlijn), die strekt tot aanpassing van een aantal consumentenrichtlijnen, kan gevolgen hebben voor de sanctionering van consumentenrichtlijnen. Deze richtlijn dient uiterlijk op 28 november 2021 te zijn omgezet in het Nederlandse recht en de bepalingen dienen vanaf 28 mei 2022 toegepast te worden.
nietheeft uitgeoefend. Op de consument rust immers de bewijslast voor de juiste en tijdige uitoefening van het ontbindingsrecht binnen de bedenktermijn (art. 6:230o lid 5 BW). Zolang de overeenkomst niet is ontbonden, bindt zij partijen. [63] Bevat het dossier echter aanknopingspunten waaraan de rechter het vermoeden ontleent dat de consument wel gebruik heeft gemaakt van het ontbindingsrecht (bijvoorbeeld omdat daaruit blijkt dat de consument op enigerlei wijze heeft aangeven van de overeenkomst af te willen) [64] en kan de rechter vaststellen dat dit is gebeurd binnen de bedenktermijn, dan kan de rechter daaraan een vermoeden ontlenen dat de vordering ongegrond is (art. 139 Rv Pro). In dat geval ligt het m.i. wel op de weg van de eiser om aan te tonen waarom zijn vordering toch voor toewijzing in aanmerking komt.
duidelijk en begrijpelijkdient te zijn, niet onder het toepassingsbereik van art. 3:39 BW Pro. [69] In de rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn oneerlijke bedingen wordt het voorschrift dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld (vgl. art. 6:238 lid 2 BW Pro) ook niet gezien als een vormvereiste, maar als een informatieplicht. [70]
schriftelijk aangegaan. Hiermee heeft Nederland voor deze gevallen gebruik gemaakt van de door art. 8 lid 6 Richtlijn Pro CR geboden mogelijkheid om te bepalen dat de consument alleen gebonden is nadat hij het aanbod heeft getekend of zijn schriftelijke instemming heeft gestuurd. Hieruit volgt dat de consument pas gebonden is indien zijn instemming met de overeenkomst schriftelijk is gegeven. Schending van het vormvoorschrift wordt bedreigd met nietigheid. [72] De rechter kan aan de hand van het dossier, zo nodig na het opvragen van nadere informatie, beoordelen of is voldaan aan dit vormvoorschrift.
Gratis Telefoon IIeen vordering door een cessionaris. [109] Naar mijn mening maakt het feit van een cessie geen verschil voor de mogelijkheid van ambtshalve vernietiging. Ik licht dat toe.
wil vernietigen, zich volgens de hoofdregel (zie art. 3:50 lid 1 en Pro art. 3:51 lid 2 BW Pro) moet richten tot zijn wederpartij (de handelaar/cedent). [111] Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering. Na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging is een aanvallend beroep op de vernietiging niet meer mogelijk (art. 3:52 BW Pro), maar kan er nog wel bij wijze van exceptief verweer een beroep op worden gedaan (art. 3:51 lid 3 BW Pro). In geval van verjaring wordt een verwerend beroep op vernietiging daarom ingeroepen tegen de cessionaris die de schuldenaar tot betaling aanspreekt (art. 6:149 lid 2 BW Pro). [112]
heeft vernietigd, zodat het vorderingsrecht door de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:53 lid 1 BW Pro) niet bestaat en de rechtsvordering van de cedent tot betaling van de prijs daarom moet worden afgewezen. [113] Mijn inziens volgt dit ook uit art. 6:145 BW Pro, al is de literatuur daarover niet eensgezind. [114] De omstandigheid dat de rechtshandeling is vernietigd, is in ieder geval tegen te werpen aan de cessionaris.
Promontoria-beslissingen. [118] Overigens zou de vraag of vernietiging na cessie nog mogelijk is, ook uit de wereld kunnen worden geholpen door te betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de cessionaris een vordering kan innen op basis van een overeenkomst die ambtshalve vernietigd dient te worden. Als gezegd, meen ik dat op dit punt geen probleem speelt, zodat deze oplossingsrichting niet benut hoeft te worden.
6.Gronden voor ambtshalve toetsing
een aantal bepalingen van richtlijnen van de Unie inzake consumentenbescherming ambtshalve toepast”. [120] Ook het hierna te bespreken arrest
Bankia Merinowijst hierop.
Lintner, waarnaar de kantonrechter te Leeuwarden verwijst. [123] In die zaak vorderde de consument een verklaring voor recht dat een bepaald beding over eenzijdige wijziging van de kredietvoorwaarden in de overeenkomst oneerlijk was. De vraag was of de rechter dan ook alle andere bedingen van de overeenkomst ambtshalve dient te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het arrest van het HvJEU komt erop neer dat de rechter in een dergelijk geval niet de taak heeft om ook alle andere bedingen in de overeenkomst ambtshalve op oneerlijkheid te beoordelen, maar dat hij wel op basis van een consumentvriendelijke lezing van de stellingen en vorderingen van de consument ook met het gewraakte beding samenhangende andere bedingen tot de grondslag van de vordering van de consument mag rekenen en kan toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (punten 27-34).
Intermarisis art. 6:96 lid 6 BW Pro geen bepaling van openbare orde. Daarom onderzoekt de voorzieningenrechter indien verlof wordt verzocht om een arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen, niet ambtshalve of de schuldeiser in de arbitrale procedure voldoende heeft gesteld voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of hij andere daarvoor geldende regels heeft nageleefd. [133]
FA-MEDis er wel een ambtshalve taak van de rechter indien (geen verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, maar) betaling van incassokosten wordt gevorderd. Dan betreft art. 6:96 lid 6 BW Pro een bepaling van dwingend recht waarvan de rechter in verstekzaken, gelet op art. 139 Rv Pro, moet beoordelen (i) of de schuldeiser voldoende gesteld heeft voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en (ii) of de schuldeiser overeenkomstig die dwingendrechtelijke regels heeft gehandeld. In zaken op tegenspraak is de rechter bevoegd om eigener beweging te onderzoeken of de schuldeiser met betrekking tot zijn aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de eisen van art. 6:96 leden Pro 5-7 heeft gehandeld. [134] Dat de rechter moet beoordelen of voldoende is
gesteldvoor toewijzing van de incassokosten, is een toepassing van de eerder genoemde regel dat de rechter ambtshalve dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen (art. 6:96 lid 6 BW Pro spreekt ook van “eerst verschuldigd worden…”). [135] Dat de rechter ambtshalve moet (in verstekzaken) dan wel mag (in zaken op tegenspraak) toetsen of de schuldeiser overeenkomstig de dwingendrechtelijke regels heeft
gehandeld, gaat verder dan de enkele toets of voldoende is gesteld over de verschuldigdheid van de incassokosten. Deze taak berust m.i. op de beschermende strekking van art. 6:96 lid 6 BW Pro. [136]
Gratis Telefoon IIdient de rechter, met het oog op een effectieve bescherming van het belang van de consument, ambtshalve te onderzoeken of aan art. 7A:1576 lid 2 BW is voldaan en zo nodig ambtshalve te oordelen dat de koop op afbetaling geen rechtsgevolg heeft. Dit leidt tot eenzelfde benaderingswijze als de verplichte ambtshalve toetsing of is voldaan aan de aan het Unierecht ontleende informatieplichten van art. 7:61 lid 2 BW Pro, hetgeen volgens de Hoge Raad de hanteerbaarheid van de onderhavige regels ten goede komt. [138]
Intermaris. [139]
Bankia/Merinoen
Waternetvan het HvJEU kan worden afgeleid dat ambtshalve toetsing aan de Richtlijn CR met het oog op geldigheid (vernietigbaarheid) van een overeenkomst “louter op basis van de bepalingen van die richtlijn” niet is vereist. Ik licht dit toe.
Bankia/Merinoblijkt dat de rechter niet gehouden is om de geldigheid van een executoriale titel (een door hypotheek verzekerde lening) ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn OHP. Het HvJEU overwoog: [143]
,met inbegrip van – zoals uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, lid 2, van deze richtlijn – de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten.
Bankia/Merinozou op afzienbare termijn aan heroverweging toe kunnen zijn, omdat na omzetting van de Moderniseringsrichtlijn, art. 11bis lid 1 Richtlijn OHP wél zal voorzien in
individueleremedies (zie hiervoor in 5.4.3). [144] Voor de beantwoording van de vragen maakt dit naar mijn mening geen verschil. Zoals hierna (in onderdeel 7) uiteengezet wordt, kan schending van essentiële informatieplichten van de Richtlijn CR reeds nu worden gesanctioneerd door een ambtshalve gehele of gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst.
Stichting Waternet(punten 41 en 45). [145] Dit antwoord komt erop neer dat bij gebreke van harmonisatie op Unieniveau van de algemene aspecten van het verbintenissenrecht, de totstandkoming, de sluiting en de geldigheid van overeenkomsten worden beheerst door het nationale recht. In zoverre is er een parallel met de Richtlijn OHP. Dit betekent m.i. dat voor de Richtlijn CR hetzelfde geldt als in het arrest
Bankia/Merinois overwogen voor de Richtlijn OHP. Dit wil zeggen: ambtshalve toetsing aan de Richtlijn CR met het oog op geldigheid (vernietigbaarheid) van een overeenkomst “louter op basis van de bepalingen van die richtlijn” is niet vereist.
Bankia/Merinoweliswaar een sanctioneringsaspect betrof (de geldigheid van de overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk), maar dit aspect louter betrok op sanctionering
door de Richtlijn OHP(die de sanctie vernietiging van de overeenkomst echter niet kent). Het sanctioneringsaspect werd in deze zaak niet betrokken op een eventueel door het nationale recht geboden vernietigingssanctie (mogelijk omdat het Spaanse recht in dit geval niet in die sanctie voorzag). Met deze uitspraak is dus niet iets gezegd over de eventuele plicht om ambtshalve te beoordelen of sprake is van schending van een bepaling van een richtlijn in combinatie met een ambtshalve toe te passen aan het
nationale rechtontleende sanctie. Ik bespreek hierna deze grondslag voor ambtshalve toetsing.
Martín Martínvolgt dat het Unierecht vereist dat de nationale rechter ambtshalve de schending van art. 4 (oud) Colportagerichtlijn kan (en daarmee: moet) [147] vaststellen indien de consument niet naar behoren over zijn opzeggingsrecht is voorgelicht (punt 29). Voorts verzet het Unierecht (dat onder de oude Colportagerichtlijn de keuze van de sanctie nog aan het nationale recht overliet) zich volgens dit arrest niet tegen ambtshalve toepassing van een door het nationale recht geboden vernietigbaarheidssanctie bij schending van deze informatieplicht, die essentieel is voor de wilsvorming van de consument en voor het bereiken van het door de gemeenschapswetgever gewenste beschermingsniveau (punten 30-36). [148] Het gaat hier dus om een door het Unierecht voorgeschreven ambtshalve toetsing van een informatieplicht en een door het Unierecht toegelaten ambtshalve toepassing van een nationale vernietigingssanctie.
Gratis Telefoon IIgeoordeeld dat de rechter ambtshalve dient te toetsen of informatieplichten van de Richtlijn consumentenkrediet in acht zijn genomen en, indien dat niet het geval is, de overeenkomst ambtshalve kan vernietigen:
Gratis Telefoon II, dat de rechter een overeenkomst ambtshalve vernietigt omdat niet is voldaan aan de informatieplichten. [151]
Gratis Telefoon II). [153] Dit vereist dus nog een nadere standpuntbepaling in welke gevallen toepassing van een vernietigingssanctie passend en evenredig is (zie hierna in 7.24). Hoewel de parlementaire geschiedenis en rechtspraak in dit verband uitgaan van toepassing van art. 3:40 BW Pro, verhindert dat m.i. niet een eventuele keuze, indien daaraan behoefte zou bestaan, voor toepassing van art. 6:193j lid 3 BW of, als alternatief voor vernietiging, toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [154]
7.Ambtshalve toepassing van remedies bij schending van de informatieplichten
procesrechtelijke sanctie’: het afwijzen van de vordering bij gebrek aan voldoende onderbouwde stellingen.
niet(gesubstantieerd) is gesteld dat
alleinformatieplichten (volledig) zijn nagekomen. [156]
Gratis Telefoon II. Toepassing van de vernietigingssanctie van art. 3:40 lid 2 BW Pro kan in voorkomende gevallen passend zijn, voor zover daardoor de niet-nakoming van voor de wilsvorming van de consument essentiële informatieverplichting van de Richtlijn CR/afd. 6.5.2B BW wordt gesanctioneerd. [164] Dit leidt tot de volgende, nader te bespreken vragen.
Sub ade voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten. Hieraan kan worden toegevoegd:
sub r(functionaliteit van digitale inhoud) en
sub s(relevante interoperabiliteit van digitale inhoud).
sub cbedoelde adresinformatie).
Sub e, de totale prijs respectievelijk de berekeningswijze daarvan. Het gaat erom dat de consument in staat is om de omvang van zijn betalingsverplichting vast te stellen. In dit verband zijn daarom ook van belang
sub o(duur van de overeenkomst of opzegvoorwaarden) en
sub p(minimumduur). De duur van de binding van consument aan de overeenkomst is primair van belang in verband met zijn betalingsverplichting, maar denkbaar is dat er ook andere verplichtingen kunnen zijn waarvan essentieel is dat de consument daarover vooraf wordt geïnformeerd.
Sub h, de bedenktermijn en het ontbindingsrecht.
Tiketa) een eind 2020 gestelde prejudiciële vraag aanhangig is over het ter beschikking stellen van de informatie van artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn CR (art. 6:230m lid 1 BW) bij een overeenkomst op afstand in de algemene voorwaarden van een tussenpersoon. De verwijzende rechter vraagt onder meer:
in leesbarevorm”), art. 6:230v lid 1 BW (“
passend … voor de gebruikte middelen voor communicatie op afstand”) en art. 6:230v lid 2 BW (“
op een … in het oog springende manier”). Dit volgt ook uit de rechtspraak van het HvJEU. Zo behandelt het (in 5.3.3 aangehaalde) arrest
Amazon EU, punt 52, de wijze van het bieden van informatie over een telefoonnummer op de website van de handelaar. De plaatsing en vindbaarheid van de informatie (bijvoorbeeld op een website) speelt hier dus een rol. [178] Uit het (in 5.3.2 aangehaalde) arrest
Walter Walbusch, punt 46, volgt dat bepaalde informatie, zoals informatie over het ontbindingsrecht, voor de bescherming van de consument van wezenlijk belang is en voorts dat denkbaar is dat de wijze van informatievoorziening over aspecten van het ontbindingsrecht (zoals het modelformulier) kan verschillen. Aan de wijze van presentatie van de belangrijkste informatie kunnen dus hogere eisen worden gesteld dan aan de wijze van presentatie van minder belangrijke informatie.
duidelijke en in het oog springende manier onmiddellijk voordat de consument zijn bestelling plaatst’. Volgens de considerans onder 39 bij de Richtlijn CR is het bij overeenkomsten op afstand die via een website worden gesloten, van belang ervoor te zorgen dat de consument de belangrijkste onderdelen van de overeenkomst volledig kan lezen en begrijpen, alvorens zijn bestelling te plaatsen. Hiermee wordt beoogd bij bestellingen via internet de informatievoorziening te verbeteren. [180] Neppelenbroek merkt hierover op dat het niet voldoende is op de bestelpagina via een hyperlink te verwijzen naar een groot document met deze informatie, ook al zijn de plaats en de benaming van de link en de informatie daarachter duidelijk. Tijdens het bestelproces moet deze informatie de consument als het ware begeleiden. [181]
Gratis Telefoon II(rov. 3.15.1-3.15.2) volgt, kort gezegd, dat de consument in beginsel mag volstaan met teruggave van de zaak in de staat waarin deze zich op het moment van de teruggave bevindt, zonder dat hij verplicht is tot vergoeding van de waardevermindering (art. 6:204 lid 1 BW Pro). Deze toepassing van art. 6:204 BW Pro kan naar mijn mening worden doorgetrokken naar de eventuele waardevergoeding die de consument na vernietiging in beginsel moet betalen voor geleverde diensten (zie art. 6:210 lid 1 BW Pro).
Gratis Telefoon IIkan worden aangenomen dat een vernietigingssanctie in beginsel passend is bij schending van essentiële informatieplichten. In dit verband kan verder een vergelijking worden gemaakt met de rechtspraak van het HvJEU over consumentenkrediet. Blijkens het arrest
Home Credit Slovakiavan het HvJEU is een nationaalrechtelijke sanctie als het verlies van het recht op rente en kosten toegelaten wanneer de kredietgever niet de in art. 10 lid 1 Richtlijn Pro 2008/48/EG (art. 7:61 lid 2 BW Pro) bedoelde informatie in de kredietovereenkomst vermeldt, voor zover het betreft in die bepaling genoemde verplichtingen van essentieel belang. [189] Bij een dergelijke sanctie blijft de kredietovereenkomst in stand, maar ontvangt de kredietgever geen vergoeding (rente) voor zijn prestatie (het gedurende zekere tijd ter beschikking stellen van de kredietsom) noch een vergoeding van de door hem gemaakte kosten, terwijl de consument het krediet in het afgesproken tempo mag blijven aflossen. Een dergelijke sanctie is daarom voor de handelaar minst genomen even ingrijpend als een algehele vernietiging van een overeenkomst met ongedaanmaking van de wederzijdse prestaties. [190]
de in de procedure verschenen partij(en)de gelegenheid bieden zich uit te laten over het voornemen om de overeenkomst te vernietigen. [191] Nu de vernietigingssanctie is verbonden aan schending van essentiële informatieplichten, ligt het voor de hand om in een verstekzaak onbekendheid met het standpunt van de individuele consument over een vernietiging van de overeenkomst voor risico van de handelaar te laten komen (door te vernietigen ondanks de mogelijkheid dat de niet-verschenen consument dat niet wenst) en niet voor risico van de consument te laten komen (door niet te vernietigen ondanks de mogelijkheid dat de niet-verschenen consument dat wel wenst).
Gratis Telefoon II(tussenvonnis van 29 september 2020, rov. 4.19 onder 3 en 5), waarin sprake was van algehele vernietiging van het toesteldeel van de overeenkomst.
Indien bijvoorbeeld de consument voor contractsluiting op duidelijke en begrijpelijke wijze is geïnformeerd over diens ontbindingsrecht op de voet van art. 6:230o en 6:230p BW, maar onvoldoende over enige andere voor diens wilsvorming essentiële punten, dan heeft de consument een reële mogelijkheid om van de overeenkomst af te komen door uitoefening van het ontbindingsrecht. Het is denkbaar dat de consument tijdens de bedenktermijn alsnog op de hoogte raakt van bepaalde andere essentiële informatie (bijvoorbeeld na ontvangst van de zaak of de factuur) en zich door uitoefening van het ontbindingsrecht bevrijdt van de door hem bij nader inzien niet gewenste overeenkomst. In zoverre kan de consument zelf maatregelen treffen die de voor hem relevante gevolgen van het niet verschaffen van die andere essentiële informatie opheffen. Dit is uiteraard slechts ‘second best’ ten opzichte van de situatie waarin die andere essentiële informatie wel tijdig is verschaft, omdat de uitoefening van het ontbindingsrecht enige moeite vergt van de consument, die bovendien mogelijk kosten voor de retourzending moet maken (art 6:230s lid 2 BW) en enig risico loopt op discussies over de verschuldigdheid van een waardevergoeding (art. 6:230s lid 3 BW). Onder deze omstandigheden kan de rechter wellicht tot het oordeel komen dat algehele vernietiging een te vergaande sanctie is.
Eenzelfde gedachtegang is denkbaar indien de consument na contractssluiting alsnog door de handelaar van bepaalde informatie op de hoogte wordt gebracht, mits dit geschiedt op een voldoende duidelijke wijze (het is immers denkbaar dat de consument na het sluiten van de overeenkomst minder bedacht zal zijn op voor zijn rechtspositie relevante informatie). Zo zou bijvoorbeeld achteraf nog bepaalde nadere informatie over identiteit van de handelaar kunnen worden verstrekt.
Gratis Telefoon II, nog afgezien van het gevalstype dat in die zaak aan de orde was. [195]
ontbindingwil baseren op schending van een precontractuele informatieplicht. Indien ervan wordt uitgegaan dat de precontractuele verbintenissen om informatie te verschaffen niet tot het contractuele synallagma behoren, [198] dan verschilt de situatie niet van die gedeeltelijk
vernietiging. De wetgever heeft bij de omzetting van de Richtlijn CR gewezen op de mogelijkheid van ontbinding. De mogelijkheid van gedeeltelijke ontbinding is daarbij niet uitgesloten, zodat moet worden aangenomen dat deze mogelijkheid in beginsel bestaat.
Obliegenheitenworden beschouwd. [199] Het technische bezwaar wordt ondervangen indien in verband met de Richtlijn CR de door de consument te betalen prijs wordt beschouwd als een tegenprestatie voor niet alleen de zaak of dienst, maar ook voor de nakoming van de wettelijke verbintenissen om informatie te verstrekken. Deze oplossing is in zekere zin ‘gezocht’, maar kan wellicht dienen als hulpredenering.
Die aanpassing is ter opheffing van het nadeel dat de dwalende bij instandhouding van de overeenkomst lijdt. Deze maatstaf is niet noodzakelijkerwijs dezelfde als een evenredige reductie van de wederzijdse prestaties bij gedeeltelijke ontbinding. [200] Bedacht dient echter te worden dat een gedeeltelijke vernietiging wegens schending van een precontractuele informatieplicht zich vermoedelijk op een dergelijk nadeel zal dienen te oriënteren. Dat lijkt ook de benadering van de Moderniseringsrichtlijn te zijn, nu daarin een verband wordt gelegd tussen de door de consument geleden schade en prijsvermindering.
Schending van contractuele informatieplichten is m.i. geen aanleiding voor vernietiging. Wel kan het alsnog verschaffen van bepaalde informatie van invloed zijn op het nadeel dat de gemiddelde consument ondervindt van het gebrek aan essentiële precontractuele informatie (vgl. het in 7.37 gegeven voorbeeld).
[…] / […]en
Gratis Telefoon IIgemaakte keuzes. Aan toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt dan niet toegekomen. Het oordeel dat het vorderen van volledige betaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, veronderstelt immers binding aan de overeenkomst. Zou echter worden gekozen voor toepassing van deze remedie, dat dient m.i. nader onderbouwd te worden waarom schending van de essentiële informatieplichten uit de Richtlijn CR meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de handelaar (of diens cessionaris) volledige betaling van de door de consument verschuldigde prijs vordert. De argumenten daarvoor zullen in wezen dezelfde zijn als de argumenten voor (gedeeltelijke) vernietiging.
8.Beantwoording van de vragen over stelplicht en sanctionering
amet betrekking tot de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten in de mate waarin dit gezien de gebruikte drager en de zaken of diensten passend is, alsmede voor zover van toepassing, onder
r(functionaliteit) en
s(interoperabiliteit);
bmet betrekking tot de identiteit van de handelaar dan wel andere informatie die de consument in staat stelt de identiteit van de handelaar vast te stellen en deze, zo nodig, op te sporen;
emet betrekking tot de totale prijs van de zaken of diensten respectievelijk de berekeningswijze daarvan; alsmede voor zover van toepassing onder
o(duur van de overeenkomst en opzeggingsvoorwaarden) en
p(minimumduur van de verplichtingen voor de consument);
hmet betrekking tot het recht van ontbinding van de overeenkomst, wanneer dat bestaat, de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening daarvan.
9.Ambtshalve toetsing van art. 6:230u BW?
vragen n tot en met pstellen aan de orde of in geval van een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst de rechter ambtshalve moet nagaan of de handelaar conform art. 6:230u BW de draagkracht van de consument heeft getoetst en daaraan ambtshalve een sanctie dient te verbinden.
Voorts gaat het niet om een nationale bepaling die tegen een Europees geregeld geval aanligt en uit systematische overwegingen op dezelfde wijze behandeld zouden moeten worden. Art. 6:230u BW moet worden onderscheiden van het verbod van overkreditering in art. 4:34 Wft Pro, dat wel (mede) [222] een Unierechtelijke achtergrond heeft. De draagkrachtbepaling geldt immers ongeacht of sprake is van krediet. Voorts is het verbod van overkreditering in de regelgeving en zelfregulering gedetailleerd uitgewerkt. [223] Het is niet op voorhand duidelijk of die uitwerking ook geschikt is voor invulling van het begrip draagkracht in art. 6:230u BW. [224] Indien sprake is van een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst die tevens het karakter heeft van een (goederen)krediet, [225] dan wordt de consument beschermd door de bepalingen over consumentenkrediet. [226]
vraag nontkennend moet worden beantwoord. Daarmee ontvalt belang aan de
vragen o en p.
10.Verwijzing naar het HvJEU?
Tiketa, over informatieverschaffing door middel van algemene voorwaarden.
Bankia Merinoen
Waternet) − aan het nationale recht ontleende vernietigingssanctie in daarvoor in aanmerking komende gevallen (zie het arrest
Martín Martínvan het HvJEU en de rechtspraak van het HvJEU waarop het arrest
Gratis Telefoon IIvan de Hoge Raad is gebaseerd). [229] Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat het gerechtvaardigd is om in dit verband te bezien welke (aspecten van) informatieplichten essentieel voor de wilsvorming van de consument zijn en dat de handhaving van de Richtlijn CR mede in het teken staat van het evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven (arresten
Walbusch Walter Buschen
Amazon EU). Binnen deze kaders dient de nationale rechter in concrete gevallen na te gaan of toepassing van een vernietigingssanctie voldoet aan de in art. 23 Richtlijn Pro CR gestelde eisen.