Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
1.Werknemer A:
4.Onderneming in het Beroepsvervoer over de Weg:
5.Wegvervoer:
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
Bpf Reisbranche/Booking.comdat het voor de hand lag om bij het naar objectieve maatstaven vaststellen van de betekenis van het begrip ‘bemiddelen’ in het verplichtstellingsbesluit voor het bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche, nu daarin geen omschrijving van dit begrip was gegeven, acht te slaan op de betekenis van ‘bemiddeling’ in de art. 7:425 e.v. BW. [64]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het hof niet duidelijk maakt op grond waarvan moet worden aangenomen dat het begrip ‘goederenvervoer’ in normaal spraakgebruik in de afgelopen jaren aan verandering onderhevig is geweest en thans ook vele andere vormen van niet gemotoriseerd goederenvervoer omvat en het hof niet inzichtelijk maakt in hoeverre het naar objectieve maatstaven kenbaar was dat de werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingbesluit die ruimere betekenis heeft gekregen.
werkgevergekoppelde werkingssfeerbepaling (zie hiervoor onder 4.17). De verplichtstelling geldt onder meer voor werknemers (zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit) die in dienst zijn bij een onderneming in het Beroepsvervoer over de Weg. Volgens de omschrijving in het verplichtstellingsbesluit van een onderneming in het Beroepsvervoer over de Weg (onder I.4) is relevant of het bedrijf of een afdeling van een zodanig bedrijf uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden uitoefent behorende tot het wegvervoer. Niet relevant voor de verplichtstelling is of de werknemers van die onderneming al dan niet werkzaam zijn in ‘klassieke vervoersfuncties’. [75]
werkgevergekoppelde werkingssfeerbepaling. Daarnaast volgt uit de – in cassatie onbestreden – overweging van het hof dat het niet-limitatieve karakter van de opsomming van de functies in combinatie met het feit dat de functie van maaltijdbezorger een relatief nieuwe functie betreft, verklaren dat en waarom de functie (nog) niet is beschreven in het functiehandboek en dat het functiehandboek ook om die reden geen objectief gezichtspunt kan vormen bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling.
Je kunt niet een Verplichtstelling aanvragen op basis van representativiteit in de sectoren A, B en C, om vervolgens de werkingssfeer zo uit te leggen, dat sector D er ook onder valt, zonder enige vorm van representativiteit. Dat is hoe dan ook een onaannemelijk, en zelfs onaanvaardbaar rechtsgevolg.” Niet onbegrijpelijk is dat het hof de verwijzingen naar de contractsvrijheid en het recht op vrijheid van ondernemerschap onder randnummers 38 en 42 van de pleitnota, heeft opgevat als ondersteunend voor het betoog dat de uitleg van de werkingssfeerbepaling door Bpf Vervoer leidt tot een onaannemelijk rechtsgevolg.
diebedoeling steunende betoog van Deliveroo dat de uitleg die Bpf Vervoer geeft aan de werkingssfeerbepaling leidt tot onaannemelijk rechtsgevolgen. De cao-norm heeft immers (mede) tot doel te voorkomen dat een niet-kenbare partijbedoeling kan worden tegengeworpen aan werkgevers en werknemers die niet bij de totstandkoming van de werkingssfeerbepaling betrokken waren (zie hiervoor onder 4.23).
subonderdeel 6.4, dat betoogt dat de eis van objectieve kenbaarheid weliswaar geldt voor de partijbedoeling waarmee de rechter bij zijn uitleg conform de cao-norm rekening kan houden, maar niet voor de vraag naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
subonderdeel 6.3en
subonderdeel 6.4treffen evenmin doel. Uit mijn bespreking van subonderdeel 6.2 volgt dat de overweging van het hof in rov. 3.24 dat de representativiteitsgegevens die in de verplichtstellingsprocedure zijn aangeleverd niet objectief kenbaar waren voor derden een afdoende motivering vormt van de verwerping van het betoog van Deliveroo.
loonsomin hoofdzaak werkzaamheden behorende tot het wegvervoer verricht. Het subonderdeel wijst erop dat Bpf Vervoer op diverse plaatsen expliciet heeft gesteld dat de vraag of aan het hoofdzakelijkheidsvereiste is voldaan moet worden beantwoord op basis van de loonsom. Uit het oordeel van het hof dat de omvang van de bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de toetsing aan het hoofdzakelijkheidsvereiste zowel op basis van omzet als op basis van arbeidsuren kan worden bepaald, volgt dat de loonsom volgens het hof niet een relevante maatstaf is. Volgens subonderdeel 7.1 is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat Bpf Vervoer niet aan haar stelplicht met betrekking tot het hoofdzakelijkheidscriterium heeft voldaan, zodat haar vorderingen afgewezen (hadden) moeten worden.
Ook indien deze stelling juist is met er echter van worden uitgegaan dat het overgrote deel van de loonsom en van de arbeidsuren wordt besteed aan bezorging(…)”). Nu het hof in rov. 3.14 heeft geoordeeld dat de omvang van de bedrijfsactiviteiten onder meer kan worden bepaald aan de hand van de arbeidsuren, moet er van uit worden gegaan dat het hof in rov. 3.17 uiteindelijk vooral betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat het overgrote deel van de arbeidsuren wordt besteed aan bezorging en niet aan de omstandigheid dat het overgrote deel van de loonsom daaraan wordt besteed. In de bestreden overweging in rov. 3.18 reageert het hof op een stelling die Deliveroo heeft aangevoerd in het kader van de loonsom, namelijk dat de werknemers werkzaam waren op basis van een min/max contract en dat ter bepaling van de loonsom derhalve van nul uren uit gegaan dient te worden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof dit betoog óók relevant geacht in het kader van de bestede arbeidsuren, en heeft het hof daarover geoordeeld dat de feitelijke situatie doorslaggevend is. Subonderdeel 7.2 faalt derhalve.
bedrijfsmodelvan de werkgever is ingericht. In dat kader heeft Deliveroo – kort samengevat – aangevoerd dat zij een technologiebedrijf is, dat haar bedrijfsmodel is gericht op exploitatie van een online bestelplatform, dat de instandhouding en exploitatie van dit online bestelplatform haar kernactiviteit is en de bezorgactiviteit, die op zichzelf verlieslatend is voor Deliveroo, slechts ondersteunend is aan deze kernactiviteit.
Booking.com-arrest [77] , waarnaar subonderdeel 7.3 verwijst. In die zaak was niet aan de orde hoe het ‘in hoofdzaak-criterium’ van het desbetreffende verplichtstellingsbesluit voor de reisbranche moet worden uitgelegd.
onderdelen 8 tot en met 10hebben betrekking op de toetsing van de geldigheid van het verplichtstellingsbesluit door de burgerlijke rechter. In dit verband is het volgende voorop te stellen.
Landbouwvliegers-arrest van 16 mei 1986 het volgende overwogen: [79]
Binnenvaart-arrest van 18 mei 2018 heeft de Hoge Raad de maatstaf als volgt geformuleerd: [80]
Reclamedrukwerk-arrest verduidelijkt dat de hiervoor geciteerde maatstaf uit het
Binnenvaart-arrest naar zijn strekking niet verschilt van de maatstaf die de Centrale Raad van Beroep in de hiervoor genoemde uitspraken van 1 juli 2019 heeft geformuleerd. [82] Dit is in lijn met de conclusie van A-G Wissink. [83]
Bpf Vervoer/Lotra. [85] Die zaak ging ook over het verplichtstellingsbesluit voor het bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg, maar dan over de uitzondering die daarin is opgenomen voor de uitzendkracht die in dienst is van een onderneming die “
voor ten minste 25% uitzendt naar ondernemingen op wie het bepaalde in deze verplichtstellingsbeschikking niet van toepassing is” (zie onder meer het verplichtstellingsbesluit onder I.1.c, tweede aandachtstreepje). Omdat uit het verplichtstellingbesluit niet blijkt waar de genoemde 25% op ziet (bijv. loonsom of gewerkte arbeidsuren), oordeelde het hof dat sprake is van een hiaat in het ministeriële besluit en dat de rechter in zo’n geval met een grote mate van zekerheid moet kunnen vaststellen wat daadwerkelijk is beoogd door het georganiseerde bedrijfsleven en de minister. Omdat die bedoeling niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, staat volgens het hof het legaliteits- en het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg om de premievordering toe te wijzen, omdat het uitzendbureau niet vooraf heeft kunnen vaststellen of hij al dan niet onder de werkingssfeer valt en welke financiële verplichtingen daaruit kunnen voortvloeien. [86]
Bpf Vervoer/Lotrastelt Gerlach dat het hof daarmee
de factoeen regel heeft geformuleerd die strenger is dan de cao-norm, kennelijk vanwege het feit dat de verplichtstelling een ministerieel besluit betreft en niet een overeenkomst of cao. Hij acht dat onjuist, gezien de vaste rechtspraak van Hoge Raad waaruit volgt dat de cao-norm van toepassing is op de uitleg van verplichtstellingsbesluiten. Bovendien zou de benadering van het hof ’s-Hertogenbosch tot gevolg hebben dat een aanzienlijk aantal verplichtstellingsbesluiten de prullenbak in kan:
“(…) werkingssfeer-bepalingen in verplichtstellingsbesluiten en algemeen verbindend verklaarde cao’s [grenzen] haast per definitie aan het taalkundig onleesbare (…) en er [verschijnt] daarom een schier oneindige stroom rechtspraak (…) over de uitleg daarvan.” Volgens Gerlach maakt het voor de uitleg niet uit dat sprake is van een verplichtstellingsbesluit. Het gevolg is slechts dat het verplichtstellingsbesluit recht is in de zin van art. 79 RO Pro en de uitleg daarvan derhalve in cassatie op juistheid kan worden getoetst. [88] Gerlach meent dat het hof het begrip ‘in hoofdzaak’ op basis van de cao-norm had moeten uitleggen. [89] Ter illustratie van hoe het hof dat had kunnen doen, verwijst hij naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2012 over het verplichtstellingsbesluit voor het Bpf Schilders- Afwerking en Glaszetbedrijf, die evenmin een maatstaf bevatte voor het hoofdzakelijkheidscriterium. Het hof oordeelde aan de hand van de cao-norm dat ‘in hoofdzaak’ ziet op 50% van de activiteiten waarvan de omvang op verschillende manieren kan worden berekend (“
de omvang van de bedrijfsactiviteiten [kan] zowel worden bepaald door het aandeel in de omzet uit glaszetten af te zetten tegen de totale omzet, als het aandeel van de arbeidsuren die in het bedrijf gemaakt zijn met betrekking tot het glaszetten ten opzichte van het totale aantal gemaakte arbeidsuren”). [90]
Albany, [98] Drijvende Bokken [99] en
Brentjens [100] )dat het stelsel van verplichte bedrijfstakpensioenfondsen niet in strijd is met Europese mededingingsregels, omdat de verplichtstelling door het HvJ EU wordt beschouwd als een zodanige dienst van algemeen economisch belang dat inbreuk gemaakt mag worden op het recht van vrije mededinging door het bedrijfstakpensioenfonds een uitsluitend recht te geven op uitvoering van de pensioenregeling. Vervolgens overweegt het hof dat Deliveroo heeft gesteld dat de toets die plaatsvindt in verband met de vrijheid van dienstverlening (het hof doelt hier vermoedelijk op de vrijheid van vestiging) en vrijheid tot het verrichten van diensten, een andere is dan de toets die het HvJ EU heeft gehanteerd in bovengenoemde arresten ten aanzien van de vrije mededinging. Het hof oordeelt dat Deliveroo deze stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Bpf Vervoer onvoldoende heeft onderbouwd met feiten en argumenten die nopen tot de gevolgtrekking dat de verplichtstelling, ofschoon geen inbreuk makend op Europese mededingingsregels, wél strijdig is met de hierboven genoemde bepalingen van het VWEU.
Nederlandsestichting in aanmerking komt voor uitvoering van een verplicht gestelde pensioenregeling, hetgeen direct onderscheid op basis van nationaliteit oplevert, waarmee de vrijheid van dienstverlening van buitenlandse pensioenuitvoerders wordt belemmerd, en (ii) sprake is van strijd met het transparantiebeginsel van art. 56 VWEU Pro, nu andere marktpartijen in de EU voorafgaand aan de toewijzing van het exclusieve uitvoeringsrecht aan Bpf Vervoer bij het besluit van 16 januari 2018, niet in de gelegenheid zijn gesteld hun belangstelling voor de uitvoering van de betrokken pensioenregeling kenbaar te maken. Dit betoog moet om de volgende redenen worden geworpen.
Presta Meat/Bpf Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimvee [104] , waarvan de relevante passages hieronder worden geciteerd (voetnoten zijn doorgenummerd):
Om de voorwaarden voor toepassing van artikel 90, lid 2, van het Verdrag als vervuld te kunnen beschouwen, is het bovendien niet noodzakelijk, dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het
volstaat, dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak, zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en feitelijke beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen (…), of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen, de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen(…).”
Door het vertrek van de “goede” risico's zou het bedrijfspensioenfonds met de “slechte” risico's blijven zitten, waardoor de kosten van de werknemerspensioenen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen met een personeelsbestand op leeftijd, dat gevaarlijk werk verricht, zouden stijgen; aan die werknemers zou het Pensioenfonds dan niet meer tegen aanvaardbare kosten een pensioen kunnen bieden.
pensioenregeling wordt gekenmerkt door een hoge mate van solidariteit, met name door de ontkoppeling van premieniveau en gedekte risico's, de verplichting alle werknemers zonder medische keuring te accepteren, de voortzetting van de pensioenopbouw met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, de overname door het Pensioenfonds van de achterstallige premies bij faillissement van de werkgever, en de indexatie van de pensioenen voor het behoud van hun waardevastheid.
Uit het voorgaande volgt, dat indien het Pensioenfonds niet langer dat uitsluitend recht zou hebben, dit ertoe zou kunnen leiden, dat het de hem opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kan verrichten en dat zijn financieel evenwicht in gevaar komt.”
Brentjensen
Drijvende Bokkenzijn nagenoeg identiek. [106] Deze mededingingsrechtelijke beoordeling houdt naar mijn mening stand zo lang het stelsel voor aanvullende pensioenen voldoende solidariteitskenmerken kent. [107] Europese wetgeving die daar verandering in brengt, is er (tot dusver) niet.
Drijvende Bokkenwas een prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft toen bewust afgezien van het stellen van vragen over de vrijheid van vestiging (destijds: art. 43 EG Pro) en het vrij verkeer van diensten (destijds: art. 59 EG Pro). Zoals eerder in de zaak
Van Schijndel, [108] oordeelde de Hoge Raad namelijk dat dit niet noodzakelijk was “
omdat redelijkerwijs niet valt te betwijfelen dat in het onderhavige geval niet mede sprake is van beperkingen van deze vrijheden.” [109] Voor een zelfstandige toetsing aan art. 59 EG Pro – náást toetsing aan het mededingingsrecht – zag de Hoge Raad toen dus geen noodzaak. [110] Het Hof heeft op zijn beurt geen aanleiding gezien om art. 59 EG Pro ambtshalve in zijn beoordeling te betrekken. Kennelijk werd dat ook niet nodig geoordeeld om ‘de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven’.
Albanymededingingsrechtelijk is toegestaan, onder het vrij verkeer verboden zou zijn) acht ik niettemin onwaarschijnlijk. Verschillende verdragsnormen worden door het Hof in de regel ‘convergerend’ toegepast. De zaak
Wouters/NOvA [112] geeft een voorbeeld van convergerende toepassing van de mededingingsregels en het vrij verkeer van diensten.
Freskotuit 2003. Die zaak ging over de wettelijke verplichting een bijdrage te betalen aan een fonds dat aan landbouwbedrijven uitkeringen deed bij natuurrampen. Een dergelijke betalingsverplichting vormde een belemmering van het vrij verkeer van diensten voor zover het verzekerbare risico’s betrof. Buitenlandse verzekeraars konden hun diensten immers niet aanbieden. Het Hof overwoog echter dat hiermee een doelstelling van sociaal beleid werd nagestreefd, die een dwingende reden van algemeen belang vormt. Het exclusieve recht van het Griekse fonds was bovendien evenredig indien het fonds gevaar zou kunnen lopen als deelnemers zich voor sommige risico’s elders konden verzekeren en in zoverre van de verplichte bijdrage zouden zijn vrijgesteld. [113] Net als in
Albanywerd dus voor de evenredigheid van de verplichtstelling beslissend geoordeeld of het fonds zonder (volledige) verplichte deelname een voldoende financiële basis zou hebben om zijn taken te vervullen. De rechtvaardiging als in
Albanykan dus ook op de
rule of reasonworden gebaseerd [114] en leidt dan tot het zelfde resultaat: er is geen verboden schending van art. 56 VWEU Pro.
Kattneruit 2009, welke zaak betrekking heeft op de verplichte aansluiting bij een Duits orgaan van sociale zekerheid voor een verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het Hof wees daar, net als in
Albany, op het risico dat de wettelijke instelling zonder exclusiviteit met de slechte risico’s zou blijven zitten. Het Hof concludeerde dat het vrij verkeer van diensten zich niet verzet tegen een regeling die bepaalt dat de ondernemingen die in een bepaald gebied tot een bedrijfstak behoren, zich moeten aansluiten bij genoemd orgaan, voor zover dit niet verder gaat dan nodig is ter bereiking van het doel het financiële evenwicht van een socialezekerheidstak te verzekeren. [115]
Unis-arrest, waarop Deliveroo in deze procedure een beroep doet:
Unis. In deze Franse zaak vroegen sociale partners de Minister van arbeid om de algemeenverbindendverklaring van collectieve overeenkomsten, waarbij een bepaalde marktdeelnemer was aangewezen als verzekeringsorgaan om een aanvullend stelsel van bepaalde sociale voorzieningen uit te voeren. Het Hof oordeelde dat in die zaak de algemeenverbindendverklaring in strijd is met de uit art. 56 VWEU Pro voortvloeiende transparantieverplichting omdat bij de selectie van het aangewezen verzekeringsorgaan geen transparantie was betracht. Er had met andere woorden een soort van aanbesteding moeten plaatsvinden om eventuele (buitenlandse) geïnteresseerden een kans te geven. Dat dit arrest vernieuwend is, blijkt wel uit het feit dat het Hof bij wijze van uitzondering de werking ervan in de tijd heeft beperkt tot collectieve overeenkomsten tussen sociale partners die na de datum van het arrest (17 december 2015) door de (Franse) minister algemeen verbindend zijn verklaard. [117]
Unislijkt mij echter dat in die zaak sociale partners een van de bestaande
marktdeelnemershadden aangewezen. Een bedrijfstakpensioenfonds daarentegen is door de sociale partners in het leven geroepen met als specifiek doel een bepaalde bedrijfstakpensioenregeling voor hen uit te voeren. Het is geen bestaande marktpartij waaraan een opdracht wordt verleend. Om die reden ligt het voor de hand dat het bedrijfstakpensioenfonds ook de werknemers verzekert die er als gevolg van de (‘grote’) verplichtstelling door de minister bijkomen. De uitvoering van d[e] pensioenregeling kan ook niet worden gesplitst. Een andere serieuze gegadigde lijkt er dan ook niet te zijn. [119]
Unis-arrest.
Unis-arrest (dat, als gezegd, door het HvJEU in de tijd is beperkt tot situaties vanaf 17 december 2015), is de transparantieverplichting – voor zover deze verplichting zich ook zou uitstrekken tot verplichtstellingen van bedrijfstakpensioenfondsen – daarop niet van toepassing. Daaraan doet niet af dat het verplichtstellingsbesluit op 16 januari 2018 is gewijzigd, zoals door Deliveroo is gesteld. Die wijziging betrof immers niet de aanwijzing van Bpf Vervoer als uitvoerder van de pensioenregeling voor de bedrijfstak beroepsvervoer over de weg.
subonderdelen 10.2 en 10.3) af.