Conclusie
verzoekster tot cassatie,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey.
VCKGrespectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
side businessen omdat in werktelefoons talrijke antisemitische, racistische en vrouwonvriendelijke uitlatingen, ook over vrouwelijke collega’s, werden aangetroffen. [verweerder] heeft in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst berust. Hij verzoekt in dit geding om betaling van bijna 2 miljoen euro (bruto) aan vergoedingen.
2.Feiten
[betrokkene 1]), de oprichter van de groep.
Non-competition and side activities’-beding opgenomen:
VCKG Holding B.V. and (Dutch) subsidiaries Management Regulations’ van februari 2018 worden de taken van het bestuur (‘the Board’) omschreven. Daarin wordt onder meer vermeld:
Shareholdersagreement VCG September 2018’ is vermeld:
Employee Manual’ van VCKG van januari 2015 is vermeld:
UBO) van SG Yard Line Ltd. (hierna:
Yard Line), opgericht op 24 oktober 2018 naar het recht van Cyprus.
PSV), een vennootschap van VCKG op Malta, aan de CFO van VCKG, [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]), een vraag voorgelegd over een factuur van Yard Line van 28 juli 2020, die hem ter betaling was voorgelegd. De factuur bedroeg ruim $ 366.000,00. [betrokkene 3] heeft vervolgens over die factuur met [betrokkene 1] gesproken.
side activities/businessdoor middel van Yard Line, en voorts dat [verweerder] ontoelaatbare uitlatingen had gedaan. Een en ander was voor VCKG reden om het externe onderzoeksbureau Integis in te schakelen om hier nader onderzoek naar te doen. [verweerder] werd met behoud van loon tijdelijk op non-actief gesteld en hem werd verzocht zijn zakelijke telefoon en computer in te leveren.
our conclusion is that all circumstances described above each constitute separately (“zelfstandig”), however also in mutual coherence (“onderlinge samenhang”), an urgent cause for instant dismissalex 7:677 jo. 7:678 DCC [Dutch Civil Code, het Burgerlijk Wetboek; A-G] (…).
3.Procesverloop
de kantonrechter) verzocht, kort weergegeven, om VCKG bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan hem van:
8862605 EA VERZ 20-843gekregen.
8862321 EA VERZ 20-842gekregen.
(II) voor recht verklaard dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 10.7 en 10.12 van de arbeidsovereenkomst;
(III) [verweerder] veroordeeld tot betaling aan VCKG van het bedrag van € 16.667,00 aan onderzoekskosten;
(IV) de tegenverzoeken van VCKG voor het overige afgewezen;
(V en VI) [verweerder] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten; en
(VII) de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(IX en X) [verweerder] veroordeeld in de proceskosten en de nakosten;
(XI) de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
(XII) het anders of meer verzochte afgewezen. [12]
b. het wegsnoepen van omzet;
c. het delen van aandeelhoudersinformatie aan derden;
d. deloyaliteit; en
e. ernstig, onbehoorlijk en ondermijnend gedrag (anti-semitisch, racistisch en vrouwonvriendelijk).
side businessen afsnoepen van omzet) bewezen worden geacht en deze reeds voldoende zijn om het ontslag op staande voet te dragen, behoeven de overige aan het ontslag ten grondslag gelegde verwijten verder geen bespreking. [13]
het hof). Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof in de zaak met nummer 20-843 de onderdelen I (afwijzing verzoeken [verweerder] ), II (verklaring voor recht dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met artikel 10.7 en 10.12 van de arbeidsovereenkomst), III (onderzoekskosten), V (proceskosten) en VI (nakosten) en in de zaak met nummer 20-842 de onderdelen VIII (gefixeerde schadevergoeding), IX (proceskosten) en X (nakosten) de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen en dat het hof
primairVCKG zal veroordelen aan [verweerder] te betalen:
- een billijke vergoeding van € 350.000,00 bruto;
- een gefixeerde schadevergoeding van € 545.527,80 bruto;
- de contractuele ontslagvergoeding van € 116.045,88 bruto;
- het restant van de bonus over 2019 van € 50.150,08 bruto, althans van € 29.066,33 bruto;
- een pro rata bonus over 2020 van € 603.326,81 bruto;
alles te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening beschikking.
- in strijd heeft gehandeld met de fundamentele rechten en de AVG, aldus onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor aansprakelijk is jegens [verweerder] voor de door hem geleden en nog te lijden schade.
primairverzocht de beroepsgrond van VCKG te honoreren en [verweerder] te veroordelen in de onderzoekskosten van € 50.000,00, waarvan € 33.333,00 nog te voldoen aan VCKG binnen veertien dagen na de beschikking. Subsidiair heeft VCKG verzocht de grondslag van de berekening van de onderzoekskosten te herzien en [verweerder] te veroordelen in de onderzoekskosten van € 39.191,79, waarvan € 22.524,79 nog te voldoen aan VCKG binnen veertien dagen na de beschikking. In principaal en incidenteel appel heeft VCKG verzocht de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.
salary splitonverlet laat dat [verweerder] jegens VCKG aanspraak heeft op uitbetaling van 10% van de bonus over 2019. Het hof berekent deze restantbonus op het door [verweerder] verzochte bedrag van € 50.150,08 bruto. Het verzoek om de pro rata bonus over 2020 wordt door het hof bij gebrek aan een deugdelijke grondslag afgewezen (rov. 3.7.3).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft het oordeel van het hof met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet en vormt de hoofdmoot van het cassatieberoep.
Onderdeel 2gaat over het oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] artikel 10.7 tot en met 10.12 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden, zodat de daarop betrekking hebbende verklaring voor recht alsnog is afgewezen. De
onderdelen 3 tot en met 6richten achtereenvolgens klachten tegen de oordelen met betrekking tot de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, de contractuele beëindigingsvergoeding en de billijke vergoeding. De
onderdelen 7 tot en met 9tot slot bevatten voortbouwklachten tegen de oordelen over het concurrentie- en relatiebeding, de bonus over 2019 en de beslissing over de proceskosten.
several invoices for substantive amounts issued by your company SG Yard Line Ltd to third parties for liquor transactions, which constitutes an obvious violation of several obligations’ vermeldt noot 1: ‘
sent to you (to Mr Jonkman, since you do not want to receive any e-mail to your own e-mail address) by e-mail of 31 August 2020 16.55 CEST, on 2 September 2020 19.42 CEST.’ In de e-mail van de (toenmalige) advocaat van VCKG aan de (toenmalige) advocaat van [verweerder] van 31 augustus 2020 worden de onder 2.15 [zie in deze conclusie onder 2.16; toev. A-G] geciteerde ontslaggronden vermeld en zijn vier zip-bestanden bijgevoegd, alsmede twee pdf-bestanden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verweerder] vier ordners getoond waarin voornoemde zip- en pdf-bestanden waren opgenomen en welke ordners honderden pagina’s bevatten. VCKG verwijst derhalve ter onderbouwing van de vele ontslaggronden naar zeer omvangrijke bijlagen, maar concretiseert niet welke gedragingen van [verweerder] hebben geleid tot het ontslag op staande voet.
De opgevoerde redenen blijven alle steken in algemene verwijten. Op deze wijze heeft VCKG niet voldaan aan de mededelingseis van artikel 7:677 BW Pro, aangezien voor [verweerder] niet onmiddellijk duidelijk was en kon zijn waarom hij op staande voet werd ontslagen. VCKG heeft getracht dit gebrek in hoger beroep te repareren door alsnog de aangevoerde ontslaggronden te concretiseren, maar dat is tardief, nu de dringende reden is gefixeerd door datgene wat bij het ontslag op staande voet is opgegeven.
(…) Integis went through extensive quantities of large data files, e-mail correspondence, whatsapp traffic and other data retrieved from company lap top computers, company mobile phones and in our computer network.
(…) please be advised that the investigation bureau[Integis; hof]
has informed us that due to the very substantial amount and size of data files that have to be analyzed, it will take some weeks to conduct and finalize the investigations. Meanwhile our incentive is to limit the lead time of the investigation as much as possible, whilst safeguarding thoroughness and due process. (…) It is anticipated that you will be receiving an invitation for an interview from the investigation bureau later this week. (…)’
(…) Integis will carry out a forensic (accountants’) investigation into the facts and circumstances (…). The investigation period has not yet been defined. (…) We will shortly be inviting you to attend an interview (…).’
will carry out’), het – zonder nadere toelichting van VCKG, die ontbreekt – onmogelijk zo kan zijn dat de onderzoeksresultaten, althans voldoende betrouwbare voorlopige onderzoeksresultaten, op 31 augustus 2020 bekend waren.
Daar komt bij dat [verweerder] was toegezegd dat hij in het kader van het onderzoek zou worden gehoord, hetgeen niet is gebeurd.Van hoor- en wederhoor, toch een wezenlijk onderdeel van een deugdelijk onderzoek, is derhalve geen sprake geweest. VCKG heeft ook geen tussentijdse (concept) rapportage van Integis in het geding gebracht en het hof gaat ervan uit dat deze niet bestaat. De verklaring van VCKG dat zij in overleg met Integis heeft gekozen voor ‘fasegewijs onderzoek’, hetgeen inhoudt dat na afloop van iedere fase afstemming plaatsvindt over de aard, omvang en diepgang van eventueel vervolgonderzoek, volstaat in dat kader niet.
‘zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Lid 2 bevat een (niet-limitatieve) opsomming van mogelijke dringende redenen.
vereist dat daaruit voor de wederpartij aanstonds duidelijk is welke, door de ander als dringend aangemerkte, reden door deze aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag wordt gelegd, althans dat daaromtrent bij de wederpartij, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan. Voor zover de rechtbank beslissend heeft geacht of de werknemer heeft ‘kunnen en moeten begrijpen’ wat de ontslagreden was, heeft zij derhalve een onjuiste maatstaf gehanteerd. (…)”
(Autocentrum Zuid Nederland): [19]
zijde opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).
in de eerste plaats [25] dat het hof met zijn beslissing in de elfde en twaalfde volzin van rov. 3.4.2 (in het citaat in 4.2 onderstreept) dat VCKG niet aan de mededelingseis heeft voldaan, heeft miskend dat ook wanneer bij het geven van een ontslag op staande voet een ‘algemeen verwijt’ als dringende reden wordt opgegeven, die bij het geven van het ontslag niet nader wordt geconcretiseerd, wel degelijk aan de mededelingseis voldaan kan zijn, omdat ook een algemeen geformuleerd verwijt de werknemer de met de mededelingseis beoogde onmiddellijke duidelijkheid kan geven ten aanzien van de reden(en) die aan het ontslag ten grondslag wordt (worden) gelegd. Het subonderdeel wijst daarbij op art. 7:678 lid 2 BW Pro, waarin een aantal voorbeelden van dringende redenen zijn opgenomen die zich ook kenmerken door hun algemene karakter (‘diefstal’, ‘grove belediging’, ‘in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid missen voor het werk’), alsook op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit blijkt dat ook met een algemene beschrijving van het verwijt kan worden volstaan en dat het stellen van bepaalde concrete ‘misslagen of verzuimen’ bepaald niet altijd noodzakelijk is. Voor zover de beslissing van het hof zo moet worden begrepen dat de mededelingseis meebrengt dat niet kan worden volstaan met het opgeven van ‘algemene verwijten’ wanneer de werkgever ter onderbouwing van de opgegeven ontslaggronden verwijst naar (zeer) omvangrijke documentatie en niet nader concretiseert welke gedragingen hij de werknemer verwijt, getuigt deze volgens het subonderdeel evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting over de mededelingseis, omdat het de werknemer ook in die situatie zonder meer, zonder kennisname van die bewijsstukken, onmiddellijk duidelijk kan zijn waar de algemeen geformuleerde ontslaggrond op ziet.
in dit geval, dat wordt gekenmerkt door (i) vele redenen die VCKG in de ontslagbrief heeft vermeld en (ii) omvangrijke bijlagen waarnaar VCKG ter onderbouwing van de in die brief vermelde ontslagredenen heeft verwezen, een nadere concretisering nodig was van de gedragingen van [verweerder] die tot het ontslag op staande voet hebben geleid. Het hof constateert dat VCKG die concretisering niet heeft gegeven en verwoordt dat aldus dat de opgegeven redenen blijven steken in ‘algemene verwijten’. Het hof heeft daarmee niet geoordeeld dat een algemeen verwijt niet aan de mededelingseis
kanvoldoen. Voor zover de hiervoor genoemde klachten uitgaan van de lezing dat het hof dat wél heeft geoordeeld, missen zij feitelijke grondslag.
in de tweede plaats, [26] vooropgesteld dat ook de ontslaggronden die betrekking hebben op
antisemitisch, racistisch en vrouwonvriendelijke uitlatingen van [verweerder]volgens het hof ‘te algemene verwijten’ zijn. Het gaat om de volgende gronden: [27]
a great many toxic anti-Semitic outbursts of the worst possible kind, even glorifying the holocaust’
some of this antisemitism targeted directly and personally at important business relations of the Group’
a flutter of highly misogynistic remarks and jokes, aimed at female personnel and others’.
in de ontslagbrief– in voetnoten, die het hof in zijn weergave van de ontslagbrief onvermeld heeft gelaten – met voorbeelden is geconcretiseerd welke (soort van) uitlatingen van [verweerder] onder die ontslaggronden moesten worden verstaan, en waar VCKG ten processe ook op heeft gewezen. [28]
Thinking to do an SS tattoo”; “Their used to be a big community Jews in Germany, hahaha yeah Wonder what happened to them”;
I’m thinking to wake up my kid. And tell him to come look at a Jew. See. This is what Hitler killed a lot of”;
Women are like dogs. It’s how you train them”.
zeer omvangrijke bijlagen” die zij aan (de advocaat van) [verweerder] ter beschikking had gesteld. Om te begrijpen wat de tegen hem aangevoerde ontslaggronden inhielden, hoefde [verweerder] niet die bestanden door te nemen. Het betreft hier documentatie die betrekking heeft op de activiteiten, gedragingen en uitlatingen van [verweerder] zelf. Hij kon in staat worden geacht, zeker gelet op de aard van zijn functie, de verwijten te begrijpen en zich daar tegen te verdedigen waarbij het goed zou kunnen dat bepaalde ontslaggronden bij gebrek aan voldoende bewijs zouden sneuvelen.
the group is a trading group of sales cowboys and no Unilever (…)’). [30] Meer concreet hield het verweer van [verweerder] in (1) dat het gaat om – al dan niet als grappig bedoelde – uitwisselingen tussen bevriende collega’s [31] en (2) dat [betrokkene 1] , die lange tijd aan de top van de onderneming heeft gestaan, zich zelf schuldig maakte aan grof taalgebruik en grove omgangsvormen en dus een slecht voorbeeld heeft gegeven. [32] Mij lijkt het eerste verweer een digitale variant van ‘kleedkamerpraatjes’ en het tweede verweer een ‘pot verwijt de ketel’-argument. [33] Voor het door het hof gegeven oordeel dat in dit geval niet aan de
mededelingseisis voldaan, waartegen de klachten zich richten, doen deze inhoudelijke verweren niet ter zake.
‘waaruit blijkt dat [verweerder] zeer wel begreep waarom hem ontslag boven het hoofd hing en waartegen hij zich had te verweren, en heeft verweerd’.
in de eerste plaats [38] dat de beslissing dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, voor zover deze beslissing behelst dat geen sprake is van een dringende reden
omdatniet aan de mededelingseis is voldaan. Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus miskend dat de dringende reden en de mededelingseis van elkaar te onderscheiden eisen aan een rechtsgeldig ontslag op staande voet zijn. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, acht het subonderdeel de beslissing op dit punt niet navolgbaar en dus onbegrijpelijk.
geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet’, is eigenlijk niet meer bedoeld te zeggen dan dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is (omdat aan de mededelingseis niet is voldaan). Die lezing is in zoverre plausibel dat het hof de ontslaggronden duidelijk niet inhoudelijk heeft beoordeeld.
dringendereden hebben te gelden. [40] Een zodanig oordeel valt ook niet te lezen in de overweging over het onderzoek van Integis.
in de tweede plaatsaanvoert in dit subonderdeel, [41] namelijk dat het hof ten onrechte het ondeugdelijk zijn van het onderzoek van Integis op zichzelf beschouwd redengevend heeft geacht voor het niet aanwezig zijn van een dringende reden, waarmee het hof de voor de beoordeling van de dringende reden voorgeschreven ‘holistische benadering’ heeft miskend. ‘Onzorgvuldig onderzoek’ is op zichzelf geen reden waarom een aangevoerde ontslagreden geen dringende reden zou (kunnen) zijn, nog daargelaten of aan de andere vereisten voor ontslag op staande voet is voldaan.
grief Vin principaal appel. De verklaring voor recht dat [verweerder] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 10.7 en 10.12 van de arbeidsovereenkomst zal dan ook alsnog worden afgewezen.”
niet is komen vast te staan dat [verweerder] artikel 10.7 tot en met 10.12 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden” suggereert dat daar inhoudelijk onderzoek naar is gedaan. Uit de bestreden beschikking blijkt echter niet van een inhoudelijke beoordeling door het hof van deze aangevoerde, en door de kantonrechter gehonoreerde, ontslaggrond. [44]
Dräger-beschikking [47] geoordeeld dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zojuist bedoelde zin niet kan worden aangenomen op de enkele grond dat sprake is van een dringende reden voor onverwijlde opzegging als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW Pro. Met andere woorden: dat een werknemer terecht op staande voet is ontslagen, betekent op zichzelf nog niet dat deze geen recht heeft op een transitievergoeding.
a fortioriniet (kenbaar) de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] beoordeeld. Het oordeel dat ‘
gelet op hetgeen hiervoor is overwogen’niet is komen vast te staan dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , is dan ook zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
in de tweede plaats [49] tegen rov. 3.5.5, waarin het hof heeft beslist dat, omdat VCKG de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen gold, zij krachtens art. 7:672 lid 10 BW Pro aan [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding (ten bedrage van € 67.497,18 bruto) verschuldigd is.
‘In case of termination of this agreement by the Employer and not attributable to the Employee, the Employee shall be entitled to a gross compensation of 12 times the Monthly Salary to be paid in full, ultimately 6 months after the date of the Employer’s written notification of the dismissal initiative to the Employee.’Op grond van artikel 5.4 is VCKG derhalve de contractuele beëindigingsvergoeding verschuldigd zodra de arbeidsovereenkomst door VCKG wordt beëindigd en deze beëindiging niet aan [verweerder] kan worden toegerekend. In het voorgaande is geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, zodat moet worden geoordeeld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet aan [verweerder] kan worden toegerekend. (…)”
nietde uitleg die het hof van de contractuele beëindigingsregeling geeft en volgens welke [verweerder] aanspraak heeft op de contractuele ontslagvergoeding wanneer VCKG de arbeidsovereenkomst beëindigt en die beëindiging niet aan [verweerder] kan worden toegerekend. Het onderdeel klaagt echter,
in de eerste plaats, [50] dat het hof klaarblijkelijk heeft miskend dat van toerekenbaarheid aan de werknemer van een beëindiging van het dienstverband door de werkgever ook sprake kan zijn in gevallen waarin het gedrag van de werknemer niet als dringende reden kan worden gekwalificeerd, bijvoorbeeld als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de e-grond (verwijtbaar gedrag werknemer). Daarbij wordt opgemerkt dat de beslissing op dit punt ‘overigens’ ook niet is te rijmen met de overweging in rov. 3.5.2 dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer – handelen dat naar zijn aard aan de werknemer valt toe te rekenen –
‘niet zonder meer samenvalt’met een dringende reden. Het onderdeel bevat,
in de tweede plaats, [51] een motiveringsklacht: voor zover het hof de beëindigingsvergoedingsregeling zo heeft uitgelegd dat de aanspraak op die vergoeding alleen vervalt wanneer de beëindiging zijn oorzaak vindt in een aan de werknemer toerekenbare dringende reden, is die uitleg zonder nadere motivering onbegrijpelijk, alleen al omdat de door het hof geciteerde tekst met geen woord rept over het feit dat die aanspraak pas/uitsluitend vervalt wanneer de werknemer de werkgever een
‘urgent cause (for termination)’geeft die
‘attributable’is aan de werknemer.
alleenvervalt wanneer de beëindiging zijn oorzaak vindt in een aan de werknemer toerekenbare dringende reden. De gegeven uitleg is niet onbegrijpelijk.
in de eerste plaats [52] gericht tegen rov. 3.5.7. Daar heeft het hof voor zover thans van belang geoordeeld dat omdat VCKG in strijd met art. 7:671 BW Pro heeft opgezegd en de ernstige verwijtbaarheid daarmee is gegeven, [verweerder] op grond van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW recht heeft op een billijke vergoeding.