Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 3klaagt de man dat het oordeel van het hof in rov. 5.19 dat de man niet met stukken heeft onderbouwd welk bedrag hij maandelijks bijdraagt in de kosten van de andere drie kinderen en dat zijn grief daarom niet slaagt, onjuist of onbegrijpelijk is gelet op het oordeel van het hof in rov. 5.10 dat kinderalimentatie van openbare orde is. Het hof had ambtshalve dit punt dienen te onderzoeken en zo nodig nadere inlichtingen moeten inwinnen bij partijen. Dat klemt te meer daar het hof vaststelt dat de man onderhoudsplichtig is jegens al zijn kinderen, de wet geen rangorde toekent aan onderhoudsverplichtingen, de man uitdrukkelijk heeft gesteld zijn kinderen in financieel opzicht gelijk te willen behandelen en dat nu niet het geval is, althans de mogelijkheid bestaat dat niet geheel in de behoefte van de andere kinderen kan worden voorzien. Ook uit art 3 IVRK Pro volgt dat de belangen van het kind de eerste overweging zijn bij maatregelen betreffende kinderen. Daaruit vloeit ook voort dat de rechter - zo nodig ambtshalve - moet waken voor de belangen van niet bij de procedure betrokken kinderen die door de uitkomst van de procedure kunnen worden geraakt. Het hof heeft dit miskend door niet te onderzoeken en af te wegen wat als redelijk dient te worden beschouwd jegens de andere kinderen en hun belangen af te wegen.
Voorop staat dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. [8]
onderdeel 1klaagt dat het hof ambtshalve en buiten de rechtsstrijd de behoefte heeft beoordeeld, slaagt deze klacht dus niet. Voor zover het middel bedoelt te stellen dat het hof niet ambtshalve het inkomen van de man had mogen verhogen met het kindgebonden budget faalt het middel omdat hier sprake is van een berekening van de behoefte van een kind conform de aanbevelingen van het rapport Alimentatienormen en het de feitenrechter vrij staat zonder nadere motivering op dit punt de normen in een bepaald geval al dan niet toe te passen (zie hiervoor 2.7).
onderdeel 2aangehaalde uitspraak van Uw Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6098, NJ 2007, 394 is in rov. 3.3 overwogen dat er in het algemeen geen goede grond bestaat om het inkomen van de ouders op te tellen teneinde een fictief gezinsinkomen te verkrijgen dat in de behoeftetabel kan worden ingelezen voor een kind van ouders die nooit in gezinsverband hebben samengeleefd. Indien de rechter daarbij toch aansluiting zoekt, zal hij moeten verdisconteren dat de huisvestings- en andere vaste lasten van twee afzonderlijke huishoudens relatief hoger liggen dan die van een gecombineerd huishouden. Die uitspraak van Uw Raad geeft daarmee aan hoe de behoefte van het kind van ouders waarmee nooit in gezinsverband is geleefd (in beginsel) niet moet worden berekend (namelijk optellen gezinsinkomens), maar laat daarmee de ruimte over voor de rechter die over de feiten oordeelt om afhankelijk van de omstandigheden te bepalen hoe die berekening wel moet worden gemaakt. [22]