Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Bijzondere omstandigheden
2.Bespreking van het cassatiemiddel
zorgkorting. De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week - vakanties meegerekend - dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. De zorgkosten van de kinderen bij die andere ouder worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte en op het aan de ouder bij wie de kinderen hoofdverblijf hebben verschuldigde kinderalimentatiebedrag in mindering gebracht. [24] De zorgkorting bedraagt volgens het rapport 5% bij gedeelde zorg 1 dag per week tot en met 35% bij gedeelde zorg 3 dagen per week. De gedachte achter een zorgkorting is dat de feitelijke zorgverdeling ertoe leidt dat de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft voor een deel niet in de behoefte van het kind hoeft te voorzien, omdat de andere ouder daar in natura in voorziet in de periode dat het kind bij hem verblijft. De zorgkosten van de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft dalen dus door het verblijf bij de andere ouder. Uitgangspunt hierbij is en blijft volgens het rapport [25] dat de ouder bij wie het kind hoofdverblijf heeft, vaak de ouder bij wie het kind volgens de Basisregistratie Personen ingeschreven staat, de ‘vaste lasten’ voldoet, zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke.
de ouder die het kind verzorgt en opvoedtwordt betaald. Dit artikel heeft blijkens de wetsgeschiedenis [46] als doel de executie van de alimentatie door het LBIO mogelijk te maken en daarbij is van de “standaard”-situatie uitgegaan dat de (hoofd)verzorgende ouder de kinderalimentatie ontvangt. [47] Bij de hernieuwde vaststelling van artikel 1:408 BW Pro, in werking getreden op 1 maart 1994, is de taak van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) met betrekking tot invordering van onderhoudsbijdragen vervallen om de wijze van betaling te vereenvoudigen en de administratie van de raad te ontlasten. De memorie van toelichting bij de hernieuwde vaststelling van artikel 1:408 BW Pro ging dan ook voornamelijk over de nieuwe rol die de raad zou gaan spelen bij (inning van) kinderalimentatie, en geeft enkel de volgende overwegingen met betrekking tot de ouder die verzorgt en opvoedt.
hem die het gezag over dit kind uitoefent. [48] (…) Tevens biedt de wet de alimentatieplichtige en de wettelijk vertegenwoordiger van het kind de mogelijkheid om de betaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind onderling te regelen.” [onderstreping, A-G]
RFR2016/52 interessant, omdat de situatie waarbij de vrouw kostwinner is en de man voor de kinderen zorgt, steeds minder een uitzondering vormt. Vaak willen deze vrouwen na de echtscheiding dan toch graag dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hen bepaald wordt en willen zij ook de helft van de zorg houden. Het Rapport Alimentatienormen voorziet niet in deze situatie, maar de uitspraak van Rechtbank Rotterdam voorziet hier wel in volgens de auteur van de wenk.
NJ2007/563). [60]
werkelijke kosten (de basale kosten van kost en inwoning) bij de andere ouder, en slechts dan wanneer in redelijkheid niet van de niet-verzorgende ouder verwacht kan worden dat hij/zij deze uit de vrije ruimte voldoet, gelet op de aard van de kosten (in natura). De ratio van de zorgkorting is een kostenbesparing en deze vormt volgens de vrouw niet (als ware het een soort afzonderlijke behoefte bij de niet-verzorgende ouder) de grondslag voor een bijdrage van de verzorgende ouder aan de niet-verzorgende ouder.
uitzonderlijkesituatie moeten leiden om een bijdrage in de zorgkosten te rechtvaardigen.