Conclusie
verweerder in cassatie,
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de beëindiging van het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind en het verzoek van de moeder om een contra-expertise ex art. 810a lid 2 Rv. De moeder woont samen met een partner en stelt dat zij stabieler is en weer voor haar kind kan zorgen. Het kind verblijft sinds 2015 in een pleeggezin, waar het gehecht aan is.
De rechtbank en het hof hebben het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag toegewezen en het verzoek van de moeder om een contra-expertise afgewezen. Het hof motiveerde dat de psychische stabiliteit van de moeder onvoldoende is aangetoond en dat het belang van het kind zich verzet tegen een nieuw onderzoek, mede vanwege de lange duur van de uithuisplaatsing en de onrust en loyaliteitsproblematiek bij het kind.
De moeder stelde in cassatie alleen het oordeel van het hof over de afwijzing van het contra-expertiseverzoek aan de orde. De Hoge Raad bevestigt dat het verzoek niet voldoende concreet en ter zake dienend was en dat het belang van het kind zich tegen het verzoek verzet. De oordelen van het hof zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om contra-expertise wordt afgewezen en het gezag van de moeder wordt beëindigd in het belang van het kind.