Conclusie
niet verschenen.
2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang
(…)
5.6 Ingevolge het bepaalde in artikel 1: 265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, en ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de GI de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
(…)
Deskundige
5.10 Met betrekking tot het verzoek van de moeder een deskundige te benoemen ex artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om advies uit te brengen omtrent de omgang overweegt het hof het volgende. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv bevat feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige en zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
5.11 Het hof is, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen het door de moeder verzochte onderzoek door een deskundige. Voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige] in het pleeggezin is het van het grootste belang dat [de minderjarige] zoveel mogelijk rust en stabiliteit wordt verschaft. Bovendien heeft net een, op verzoek van de ouders, onderzoek door het NIFP plaatsgevonden. Een nieuw onderzoek zal voor nieuwe onrust zorgen en dat is niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof wijst het zelfstandige verzoek van de moeder om op de voet van artikel 810a Rv een onafhankelijke deskundige te benoemen daarom af.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietheeft gemotiveerd, maar dat zijn motivering (voor een deel) gelijkluidend is aan die van de rechter in eerste aanleg.
aanmerkelijk gewijzigde omstandighedenna de datum van de in hoger beroep bestreden beschikking d.d. 21 september 2021, merk ik nog het volgende op. Het hof is van mening dat voor zover de ouders stellen dat sprake is van sindsdien gewijzigde omstandigheden het hof van oordeel is dat daarvan onvoldoende is gebleken. [15] Dit betreft een waardering van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst en die komt mij blijkens de stukken niet onbegrijpelijk voor zodat de klacht daarom faalt.
advies van de raad ex artikel 1:265j lid 3 BWreeds in eerste aanleg in strijd met de wet achterwege is gebleven en daartegen in hoger beroep is gegriefd (zie hierboven onder iii), maar het hof daarop in het geheel niet is ingegaan. Daarmee heeft het hof ten onrechte niet onderzocht of er sprake was van een voortdurende noodzaak tot uithuisplaatsing en is er sprake van een onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel.
Overigens heeft de wetgever er ook niet voor gekozen een sanctie te verbinden aan het niet naleven van artikel 1:265j lid 3 BW door de Raad of de GI.
weloog heeft gehad voor de belangen van de minderjarige, meent de moeder dat sprake is van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering ten aanzien van het oordeel dat het terugbrengen van de omgangsmomenten tussen de ouders en de minderjarige in het belang van de minderjarige is.
De klachten falen.
Het verzoek om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv
equality of arms.
Voor zover het verzochte onderzoek ziet op de omgangsregeling merk ik op dat art. 810a lid 2 Rv daarvoor niet is bedoeld. Maar ook indien dat anders zou zijn, zou een verzoek op dezelfde grond – strijd met het belang van de minderjarige – afgewezen mogen worden zoals het hof in casu heeft gedaan. Aldus faalt de klacht.