ECLI:NL:PHR:2022:1119

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2022
Publicatiedatum
28 november 2022
Zaaknummer
22/02454
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BWArt. 1:265j lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging uithuisplaatsing en beperking omgangsregeling minderjarige bevestigd door hof

De zaak betreft een jeugdbeschermingsgeschil waarbij de moeder in cassatie klaagt over de verlenging van de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind en de beperking van de omgangsregeling door het hof Arnhem-Leeuwarden.

De minderjarige verblijft sinds januari 2019 in een pleeggezin. De kinderrechter en het hof hebben de uithuisplaatsing meerdere malen verlengd, laatstelijk tot oktober 2021. De omgangsregeling werd beperkt tot begeleide omgang van een uur per maand, vanwege het belang van het kind en het perspectief dat het kind bij de pleegouders zal opgroeien. De moeder verzocht tevens om een contra-expertise, die het hof afwees omdat een recent NIFP-onderzoek reeds was verricht en een nieuw onderzoek onrust zou veroorzaken.

In cassatie worden meerdere klachten behandeld, waaronder het ontbreken van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming bij verlenging na twee jaar, het gemis van motivering door het hof, en de rechtmatigheid van de omgangsbeperking. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft, dat het ontbreken van het advies geen gevolgen heeft gezien het uitgebreide NIFP-onderzoek, en dat het belang van het kind prevaleert bij afwijzing van de contra-expertise. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verlenging uithuisplaatsing en beperking omgangsregeling worden bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02454
Zitting25 november 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de moeder] (hierna: de moeder),
verzoekster tot cassatie,
tegen
Stichting Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI),
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Het hof heeft tevens als belanghebbenden aangemerkt:
1. [de vader] (hierna: de vader),
2. [de pleegouders] (hierna: de pleegouders).
Inleiding en samenvatting
1.1 In deze jeugdbeschermingszaak wordt door de moeder geklaagd over de beslissing van het hof om de uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen en om het aantal omgangsmomenten tussen de minderjarige en zijn ouders terug te brengen. Ook klaagt de moeder over de afwijzing van haar verzoek om een contra-expertise ex artikel 810 lid 2 Rv Pro.

2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang

Feiten [1]
2.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] 2018 te [plaats] .
2.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.
2.3
Bij beschikking van 13 september 2018 heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Reclassering tot 13 juni 2019. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 13 maart 2022.
2.4
Bij beschikking van 14 januari 2019 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend. Deze uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd,volgens de bestreden beschikking in hoger beroep laatstelijk tot 1 oktober 2021.
2.5
Bij beschikking van 31 oktober 2019 heeft de kinderrechter de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Reclassering vervangen door de GI.
2.6
De minderjarige verblijft sinds 14 januari 2019 in een pleeggezin en verblijft sinds 29 januari 2019 bij de pleegouders.
2.7
Bij beschikking van 7 maart 2021 heeft de kinderrechter een omgangsregeling vastgesteld waarbij de ouders wekelijks op woensdagochtend anderhalf uur begeleide omgang met de minderjarige hebben in het bijzijn van een pleegzorgwerker en (een van) de pleegouders. Deze omgangsmomenten vinden plaats op het kantoor van de GI.
Procesverloop [2]
2.8
Bij beschikking van 21 september 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 13 maart 2022, de verdeling van de zorg- en opvoedtaken gewijzigd waarbij de ouders in ieder geval twaalf keer per jaar gedurende een uur omgang hebben met de minderjarige, onder begeleiding van een hulpverlener op een neutrale plek en in de aanwezigheid van één van de pleegouders. De kinderrechter heeft het zelfstandig tegenverzoek van de moeder om de omgangsregeling te wijzigen naar een regeling waarbij de minderjarige wekelijks gedurende vier uur bij de moeder thuis zal zijn, afgewezen.
2.9
De moeder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).
2.1
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaats gevonden op 24 februari 2022. De GI heeft mondeling verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.11
Het hof heeft bij beschikking van 7 april 2022 (hierna: de bestreden beschikking) de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie – relevant het volgende overwogen:
5.2
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
(…)
5.5
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof met de rechtbank van oordeel dat, anders dan de ouders aanvoeren, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof verwijst daarvoor naar de motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over, maakt deze tot de zijne en voegt daaraan volledigheidshalve nog het volgende toe. Ook dit hof heeft op 21 september 2021 geoordeeld dat op basis van het door het hof bij beschikking van 28 juli 2021 gelaste NIFP onderzoek de gronden voor de uithuisplaatsing toen nog steeds aanwezig waren. Voor zover de ouders stellen dat sprake is van sindsdien gewijzigde omstandigheden is het hof van oordeel dat daarvan onvoldoende is gebleken. Op basis van het NIFP onderzoek kan dit hof niet anders dan opnieuw concluderen dat uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk blijft. De moeder stelt in hoger beroep nog dat vanuit het NIFP door de verkeerde vraagstelling, gedacht wordt dat de opvoedsituatie bij de pleegouders een 8 en bij de moeder een 6 is en dat daarom het NIFP terugplaatsing niet in het belang van [de minderjarige] vindt maar het hof is van oordeel dat uit het NIFP rapport voldoende blijkt dat de ouders over onvoldoende pedagogische- en leerbaarheidsvaardigheden beschikken om de wisselende ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] de komende jaren bij te kunnen houden. Volgens het rapport zijn daarnaast beide ouders onvoldoende in staat tot mentaliseren en tot sensitief en responsief reageren op [de minderjarige] , waardoor [de minderjarige] zich niet veilig kan ontwikkelen op sociaal-emotioneel gebied. Daarmee is naar het oordeel van het hof duidelijk dat het noodzakelijk is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen.
Omgangsregeling
5.6 Ingevolge het bepaalde in artikel 1: 265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, en ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de GI de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
(…)
5.9
Het hof óverweegt het volgende. Uit het NIFP rapport is gebleken dat het NIFP vindt dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij zijn ouders ligt maar dat [de minderjarige] moet opgroeien bij de pleegouders. Het hof is op grond daarvan met de rechtbank van oordeel dat het afronden van het NIFP-onderzoek een relevante wijziging van omstandigheden is die een wijziging van de omgangsregeling rechtvaardigt. Daarnaast concludeert het NIFP dat de huidige vorm en de (hoge) frequentie waarin het bezoek plaatsvindt niet haalbaar is voor de langere termijn. Het hof is met de rechtbank en de GI van oordeel dat het beter is om de omgangsmomenten in duur en frequentie te beperken nu het perspectief van [de minderjarige] niet bij zijn ouders ligt en de ouders dat nog niet accepteren. Beperking van de omgangsregeling betekent dat het zowel voor [de minderjarige] als voor de ouders duidelijk is dat hij bij de pleegouders zal opgroeien. Bovendien is gebleken dat [de minderjarige] na de omgangsmomenten heel erg moe was en tijdens de omgangsmomenten signalen liet zien dat de omgangsmomenten te lang duurden voor hem. Het hof vindt het daarom begrijpelijk en in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de omgangsregeling is teruggebracht naar een keer per maand. De bestreden beschikking geeft de GI de ruimte om de omgangsregeling in de toekomst te verruimen indien daartoe aanleiding mocht blijken te bestaan; nu de rechtbank heeft bepaald dat de ouders in ieder geval twaalf keer per jaar omgang hebben met [de minderjarige] . De jeugdzorgwerker van de GI heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat indien bij de contactmomenten sprake is van een uitstapje de tijdslimiet van een uur flexibel gehanteerd zal worden. Begeleiding bij de omgang is wel noodzakelijk vanwege de nog aanwezige emoties van de ouders, aldus de GI. Uiteindelijk is de meest wenselijke situatie dat de omgang onbegeleid plaats zal kunnen gaan vinden. Zij heeft er alle vertrouwen in dat dit in de toekomst wel gaat gebeuren maar nu kan dit nog niet, aldus de jeugdzorgwerker. Het hof geeft ouders in overweging te accepteren dat [de minderjarige] in het pleeggezin op zal groeien, zodat er in de toekomst mogelijk toegewerkt kan worden naar een situatie waarin de ouders een wat grotere en meer ontspannen rol in [de minderjarige] ’s leven kunnen spelen. Op die manier ontstaat mogelijk ook ruimte voor uitbreiding van de omgangsregeling. Gelet op het vorenstaande acht het hof de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige] .
Deskundige
5.10 Met betrekking tot het verzoek van de moeder een deskundige te benoemen ex artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om advies uit te brengen omtrent de omgang overweegt het hof het volgende. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv bevat feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige en zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
5.11 Het hof is, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen het door de moeder verzochte onderzoek door een deskundige. Voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige] in het pleeggezin is het van het grootste belang dat [de minderjarige] zoveel mogelijk rust en stabiliteit wordt verschaft. Bovendien heeft net een, op verzoek van de ouders, onderzoek door het NIFP plaatsgevonden. Een nieuw onderzoek zal voor nieuwe onrust zorgen en dat is niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof wijst het zelfstandige verzoek van de moeder om op de voet van artikel 810a Rv een onafhankelijke deskundige te benoemen daarom af.
2.12
De moeder heeft – tijdig [3] – cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 13 maart 2022 verstreken. De moeder heeft echter, zoals zij ook in cassatie heeft betoogd, een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen. [4]
3.2
Het cassatiemiddel omvat meerdere rechts- en motiveringsklachten, onderverdeeld in vier middelonderdelen. Het eerste middelonderdeel is gericht tegen de verlenging van de uithuisplaatsing. Het tweede en derde middelonderdeel zijn gericht tegen de wijziging van de omgangsregeling. Het vierde middelonderdeel is ten slotte gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.
De verlenging van de machtiging uithuisplaatsing
3.3
De moeder is met zeven grieven in hoger beroep gekomen. Drie daarvan zagen op de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige. In cassatie wordt geklaagd dat het hof geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan die drie grieven, luidend als volgt:
i) Ten onrechte heeft de Rechtbank op basis van het NIFP-rapport tot uitgangspunt genomen dat de minderjarige (als zuigeling) aanvankelijk niet reageerde;
ii) Een onzekere toekomst maakt nog geen noodzaak;
iii) De Rechtbank heeft miskend dat in strijd met de wet aan het verzoek van de G.I. geen onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hetgeen is uitgebleven) ten grondslag is gelegd; ((…)).
3.4
Voor zover het middel in dit onderdeel een algemene klacht behelst over de wijze waarop het hof zijn beslissing heeft gemotiveerd en het niet responderen op de grieven van de moeder, merk ik het volgende op. [5]
3.5
Elke rechterlijke beslissing moet ten minste zodanig worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [6] Deze motiveringsplicht is een grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging [7] en maakt ook onderdeel uit van het fair trial-beginsel uit art. 6 EVRM Pro. [8] Hoe ver de motiveringsplicht gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat. [9] Om te voldoen aan de motiveringsplicht is niet steeds vereist dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken. [10] De rechter moet echter wel responderen op voor zijn beslissing relevante (essentiële) stellingen, die bij gegrondbevinding tot een andere beslissing kunnen leiden. [11]
3.6
In Straatsburgse rechtspraak wordt aangenomen dat een appelrechter in beginsel de motivering van de rechter in eerste aanleg mag overnemen. [12] De rechter in eerste aanleg moet op zijn beurt een zodanige motivering geven dat partijen op effectieve wijze een mogelijk rechtsmiddel kunnen aanwenden. [13] Het EHRM tekent met betrekking tot de vorenbedoelde werkwijze verder het volgende aan: [14]
‘(…) the Court would emphasise that the notion of a fair procedure requires that a national court which has given sparse reasons for its decisions, whether by incorporating the reasons of a lower court or otherwise, did in fact address the essential issues which were submitted to its jurisdiction and did not merely endorse without further ado the findings reached by a lower court.’
3.7
Daarbij valt te bedenken dat de appelrechter in dat geval niet zijn beslissing
nietheeft gemotiveerd, maar dat zijn motivering (voor een deel) gelijkluidend is aan die van de rechter in eerste aanleg.
3.8
Het hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van art. 1:265b, eerste lid BW, en wel op dezelfde gronden als de kinderrechter, welke gronden het hof na eigen onderzoek heeft overgenomen en tot de zijne heeft gemaakt. Naar het kennelijke oordeel van het hof noopten de grieven van de moeder niet tot een ander oordeel dan de kinderrechter had gegeven noch tot enige andere motivering. Dat het hof voor de motivering van zijn oordeel (grotendeels) heeft aangesloten bij die in de beschikking van de kinderrechter en zodoende niet kenbaar heeft gerespondeerd op de grieven van de moeder, maakt voorts op zichzelf niet dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd of niet voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM Pro aan de motivering van uitspraken stelt.
3.9
Voor zover wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat er zoals door de moeder was aangevoerd sprake is van
aanmerkelijk gewijzigde omstandighedenna de datum van de in hoger beroep bestreden beschikking d.d. 21 september 2021, merk ik nog het volgende op. Het hof is van mening dat voor zover de ouders stellen dat sprake is van sindsdien gewijzigde omstandigheden het hof van oordeel is dat daarvan onvoldoende is gebleken. [15] Dit betreft een waardering van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst en die komt mij blijkens de stukken niet onbegrijpelijk voor zodat de klacht daarom faalt.
3.1
Voorts zou het hof net als de rechtbank ten onrechte van het NIFP-rapport zijn uitgegaan, omdat de moeder tegen een eerdere beschikking van het hof dat vooral op het NIFP-rapport was gebaseerd cassatieberoep had ingesteld en die beschikking zodoende geen kracht van gewijsde had. [16]
3.11
Niet valt in te zien waarom het hof zich niet mocht baseren op het NIFP-rapport. Het feit dat een eerdere beschikking gebaseerd op dat rapport nog geen kracht van gewijsde had, treft geen doel. Het hof schaart zich echter achter de motivering van de rechtbank die van mening is dat voor de beoordeling van het verlengingsverzoek ook van belang is wat de verwachting is van de hypothetische situatie dat de minderjarige weer thuisgeplaatst zou zijn. [17]
3.12
Ten slotte wordt aangevoerd dat het voor de verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing vereiste
advies van de raad ex artikel 1:265j lid 3 BWreeds in eerste aanleg in strijd met de wet achterwege is gebleven en daartegen in hoger beroep is gegriefd (zie hierboven onder iii), maar het hof daarop in het geheel niet is ingegaan. Daarmee heeft het hof ten onrechte niet onderzocht of er sprake was van een voortdurende noodzaak tot uithuisplaatsing en is er sprake van een onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel.
3.13
Artikel 1:265j lid 3 BW bepaalt dat in het geval een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de GI vergezeld gaat van een advies van de raad met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling. Doel van dit voorschrift is dat ‘de kinderrechter goed moet kunnen beoordelen of dat verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds is aangewezen of dat wellicht de maatregel kan vervallen omdat de ouders de noodzakelijke zorg aanvaarden of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt’. [18] Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in dit kader gedacht werd aan een schriftelijk advies. [19]
3.14
In de jurisprudentie wordt wisselend geoordeeld over de gevolgen van het ontbreken van een advies van de Raad. Indien de Raad heeft verzuimd om een toetsingsadvies te maken bij een voornemen van de gecertificeerde instelling tot een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing na twee jaar, brengt dit verzuim volgens de rechtbank Noord-Nederland met zich dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing niet verlengd kunnen worden. [20] De rechtbank Den Haag verlengde in een dergelijk geval de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden. [21] De rechtbank Rotterdam verlengde een ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing voor korte duur (zes maanden) in verband met het ontbreken van een advies van de Raad ex 1:265j lid 3 BW. [22]
3.15
Uit de tussenevaluatie Wet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen in 2018 blijkt dat slechts in 1% van de aangeleverde zaken waarover de Raad een advies moet geven na twee jaar ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aanvullend onderzoek wordt gedaan. [23] In de Eindevaluatie die onlangs is afgerond wordt op deze rol van de Raad nader ingegaan. [24] Opgemerkt word dat er principiële vragen gesteld kunnen worden over de toetsende taak van de Raad na verlenging van een OTS met uithuisplaatsing na twee jaar, nu de uitvoeringspraktijk zeer onder druk staat met lange wachtlijsten en doorlooptijden en er een tendens bestaat waarbij zowel de Raad als de rechters terughoudender zijn geworden ten aanzien van de toepassing van de gezagsbeëindiging. De onderzoekers adviseren om de toetsende taak van de Raad na twee jaar OTS met uithuisplaatsing te schrappen, omdat dit van onvoldoende toegevoegde waarde is. Daarbij sluit deze taak ook niet aan op een stelsel waarin het doel om oneigenlijk gebruik van de OTS tegen te gaan, niet langer opportuun is. Een van de aanbevelingen luidt dan ook: schrap de toetsende taak van de Raad na twee jaar uithuisplaatsing (artikel 1:265j lid 3 BW). Omdat ook gesignaleerd wordt dat het perspectiefbesluit eigenlijk belangrijker is dan deze toets door de Raad wordt ook aanbevolen het perspectiefbesluit een wettelijke basis te geven en te laten toetsen door de kinderrechter. [25]
3.16
Ook in deze zaak is sprake van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing die meer dan twee jaar duurt en is het vereiste advies van de raad ex art. 1:265j lid 3 BW achterwege gebleven.
3.17
De rechtbank heeft in haar beschikking (p. 5) uitgebreid gemotiveerd waarom zij meent dat dat geen gevolg heeft voor de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.
“Tot slot heeft de moeder aangevoerd dat de machtiging uithuisplaatsing niet verlengd mag worden omdat de Raad geen toetsing heeft gedaan naar de beoogde verlenging na meer dan twee jaar ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2020 waarin is geoordeeld dat het in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens om een machtiging tot uithuisplaatsing nadat het kind twee jaar of langer uit huis is geplaatst, te verlengen zonder dat de Raad hier advies over heeft gegeven zoals de wet voorschrijft in artikel 1:265j lid 3 BW. De rechtbank gaat daaraan voorbij omdat uit het NIFP-onderzoek duidelijk blijkt- hetgeen uitgebreid is onderbouwd in de rapportages van het NIFP -dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders ligt. Een toetsing van de Raad is naar aard en omvang veel minder diepgaand dan het onderzoek dat het NIFP al heeft gedaan, waardoor het afwachten van een dergelijk onderzoek geen meerwaarde heeft. De GI heeft dit onderzoek overigens al wel aangevraagd bij de Raad, zodat het advies van de Raad bij een eventueel volgend verlengingsverzoek voorhanden zal zijn. De rechtbank heeft dit advies, gelet op de uitgebreide rapporten van het NIFP, voor haar oordeel nu niet nodig.”
Daarmee heeft de rechtbank en dus ook het hof gemotiveerd waarom het ontbreken van deze toets door de Raad geen gevolgen heeft voor de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Gezien in het licht van de ratio van dit voorschrift namelijk dat ‘de kinderrechter goed moet kunnen beoordelen of dat verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds is aangewezen of dat wellicht de maatregel kan vervallen omdat de ouders de noodzakelijke zorg aanvaarden of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt’ [26] is deze motivering afdoende en begrijpelijk. Thuisplaatsing is niet aan de orde en het ontbreken van een advies tot gezagsbeëindiging is niet in het belang van de ouders.
Overigens heeft de wetgever er ook niet voor gekozen een sanctie te verbinden aan het niet naleven van artikel 1:265j lid 3 BW door de Raad of de GI.
Het terugbrengen van de omgangsregeling
3.18
In rechtsoverweging 5.9 van de bestreden beschikking overweegt het hof dat en waarom de omgangsregeling wordt beperkt (zie hiervoor onder 2.4).
3.19
De moeder komt met meerdere klachten op tegen deze beslissing en de motivering daarvan. [27] Geklaagd wordt – kortgezegd – dat het hof de omgangsregeling niet mocht wijzigen omdat er 1) geen gewijzigde omstandigheden waren en 2) de beperking van de omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is.
3.2
De moeder klaagt dat het hof de vierde grief – te weten dat niet voldaan is aan de grondslag voor het wijzigen van de omgangsregeling overeenkomstig artikel 1:265g lid 1 BW (bedoeld is volgens mij artikel 1:265g lid 2 BW) omdat er geen sprake is van een (relevante) wijziging van omstandigheden – niet kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. [28] Die klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof overweegt dat er wel sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de omgangsregeling rechtvaardigt, nl. gelegen in de afronding van het NIFP onderzoek. [29]
3.21
De moeder klaagt voorts dat het hof in de gegeven omstandigheden niet tot het oordeel kon komen dat er sprake was van een (relevante) wijziging van omstandigheden. Dat oordeel is volgens de moeder rechtens onjuist, ontoereikend gemotiveerd en bovendien onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof is namelijk uitsluitend gebaseerd op het NIFP-rapport, maar:
1) dat rapport kan niet worden beschouwd als wijziging van omstandigheden omdat de GI reeds eerder had betoogd hetgeen in het rapport naar voren komt (namelijk dat het perspectief van de minderjarige bij de pleegouders ligt);
2) het rapport zag op de noodzaak tot uithuisplaatsing en niet op een onderzoek naar de omgangsregeling; en
3) de GI heeft het NIFP-rapport niet ten grondslag gelegd aan haar verzoek en ook geen andere relevante wijziging van omstandigheden aangedragen.
3.22
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het afronden van het NIFP-onderzoek een relevante wijziging van omstandigheden is die een wijziging van de omgangsregeling rechtvaardigt, en dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De GI heeft het verzoek tot wijziging van de omstandigheden gebaseerd op het perspectief van de minderjarige, namelijk opgroeien in het gezin van de pleegouders, dat in het afgeronde NIFP-rapport werd bevestigd.
3.23
Het hof had volgens de moeder moeten ingaan op de in hoger beroep aangevoerde klachten met betrekking tot het doel van de omgangsregeling (de rechtbank heeft het doel van de omgangsregeling miskend) en op de klacht van de moeder ‘dat de rechtbank ongemotiveerd aan essentiële stellingen van de moeder voorbij is gegaan en (daarmee) lijnrecht tegen de rechtspraak van het EHRM in heeft geoordeeld’. [30]
3.24
In het geval dat het hof in zijn overwegingen
weloog heeft gehad voor de belangen van de minderjarige, meent de moeder dat sprake is van een onvoldoende (begrijpelijke) motivering ten aanzien van het oordeel dat het terugbrengen van de omgangsmomenten tussen de ouders en de minderjarige in het belang van de minderjarige is.
Het hof had bij de beoordeling van het belang van de minderjarige, net als de rechtbank, rekening moeten houden met de duur, frequentie, locatie en mate van begeleiding van de omgang (zoals de moeder ook had gegriefd in hoger beroep). [31]
Voorts heeft het hof bij de beoordeling van het belang van de minderjarige – althans zo begrijp ik de klacht – geen of onvoldoende rekenschap gegeven van bepaalde implicaties van de EHRM-rechtspraak ten aanzien van die beoordeling, namelijk:
- dat er, ook indien gezinshereniging niet langer het perspectief is, sprake moet zijn van een kind-centrale benadering waarbij wordt erkend dat de minderjarige gebaat is bij een stabiele en veilige relatie met zowel de biologische ouders als de pleegouders;
- dat rekening moet worden gehouden met het recht van de minderjarige op een zinvolle inhoudelijke relatie met zijn (biologische) ouders die verder gaat dan afstammingskennis;
- dat indien sprake is van hechtingsproblemen tussen de minderjarige en zijn biologische ouders rekenschap moet worden gegeven van de oorzaak wanneer ‘er van meet af aan kinderbeschermingsmaatregelen ten uitvoer zijn gelegd’. [32]
3.25
De mogelijkheid van een ouder om contact te onderhouden met zijn uit huis geplaatste kind is een belangrijk recht (ex art. 8 EVRM Pro) onder andere met het oog op een eventuele gezinshereniging. Het volledig uitsluiten van dit contact of het opleggen van zeer strikte beperkingen moet aan zware eisen voldoen. [33] In deze zaak is de omgang niet volledig uitgesloten, maar beperkt tot 12 keer per jaar. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom de contacten in het belang van de minderjarige zijn beperkt kort gezegd omdat het perspectief niet meer bij de ouders ligt en deze dat niet accepteren en de minderjarige signalen liet zien dat dat de omgangsmomenten te lang duurden voor hem. Voorts heeft het Hof overwogen dat dit een minimumregeling is die uitgebreid kan worden.
De klachten falen.
Het verzoek om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv
3.26
Ten slotte wordt in cassatie geklaagd over de afwijzing van het verzoek van de moeder om een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.
3.27
Artikel 810a lid 2 Rv omvat het recht op contra-expertise. Ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad is artikel 810a Rv ook van toepassing in zaken over uithuisplaatsingen van minderjarigen. [34] De Hoge Raad overwoog in zijn beschikking d.d. 5 september 2014 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis dat met deze bepaling beoogd is te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. [35] En dat deze ratio bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol speelt dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling. [36]
3.28
Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel moeten worden toegewezen, indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. [37]
3.29
In de onderhavige zaak wees het hof het verzoek om een deskundigenonderzoek af met de volgende motivering.
“Het hof is, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen het door de moeder verzochte onderzoek door een deskundige. Voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige] in het pleeggezin is het van het grootste belang dat [de minderjarige] zoveel mogelijk rust en stabiliteit wordt verschaft. Bovendien heeft net een, op verzoek van de ouders, onderzoek door het NIFP plaatsgevonden. Een nieuw onderzoek zal voor nieuwe onrust zorgen en dat is niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof wijst het zelfstandige verzoek van de moeder om op de voet van artikel 810a Rv een onafhankelijke deskundige te benoemen daarom af.” [38]
3.3
De moeder klaagt dat het verzoek om een deskundigenonderzoek ten onrechte is afgewezen en dat sprake is van een onvoldoende dan wel onbegrijpelijke motivering. [39] Ten eerste valt volgens de moeder niet in te zien waarom een nieuw onderzoek de belangen van de minderjarige zou schaden. Ten tweede ziet het verzochte deskundigenonderzoek in het bijzonder op de omgangsregeling, waarnaar geen eerder onderzoek is verricht. Het deskundigenonderzoek had aldus toegewezen moeten worden vanuit het oogpunt van
equality of arms.
3.31
Vooropgesteld moet worden dat het hof bij de beoordeling van het verzoek om een deskundigenonderzoek de juiste maatstaf heeft toegepast en het verzoek op de juiste grond – namelijk strijd met het belang van de minderjarige – heeft afgewezen. Het hof motiveert dat ook: een nieuw onderzoek zorgt voor nieuwe onrust en het grootste belang van de minderjarige betreft nu juist zoveel mogelijk rust en stabiliteit. Dit feitelijk oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, en komt mij niet onbegrijpelijk voor. De periode tussen het laatst verrichte onderzoek en de afwijzing van het verzoek – ruim een jaar – doet, anders dan wordt betoogd, gelet op het door het hof genoemde belang van de minderjarige (rust en stabiliteit) niet ter zake.
Voor zover het verzochte onderzoek ziet op de omgangsregeling merk ik op dat art. 810a lid 2 Rv daarvoor niet is bedoeld. Maar ook indien dat anders zou zijn, zou een verzoek op dezelfde grond – strijd met het belang van de minderjarige – afgewezen mogen worden zoals het hof in casu heeft gedaan. Aldus faalt de klacht.
3.32
Nu alle klachten falen dient het cassatieberoep te worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zoals vastgesteld door hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, met zaaknummers 200.304.251, 200.304.252 en 200.304.254 (hierna aangehaald als: Hof Arhnem-Leeuwarden 7 april 2022). De beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Ontleend aan hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022 en rb. Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 21 september 2021, met zaaknummers C/16/515876 / JE RK21/88 (verlenging machtiging uithuisplaatsing) en C/16/525065 / JE RK 21/1403 (wijzigen omgangsregeling). De beschikking van de rechtbank is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
3.De procesinleiding is binnen drie maanden na de bestreden beschikking op 6 juli 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
4.Zie o.m. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6484, RvdW 2012/617 en HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1112, NJ 2021/260. Zie ook mijn eerdere conclusie in de zaak die met deze zaak samenhangt: ECLI:NL:PHR:2022:463, onder 3.1.
5.Ontleend aan mijn conclusie voor HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:577, ECLI:NL:PHR:2022:185 rov. 3.14 – 3-19
6.Zie HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986,
7.Zie met zoveel woorden het in de vorige voetnoot aangehaalde arrest van 16 oktober 1998.
8.Zie hierover o.m. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/446-451 en P. Smits,
9.Zie o.m. het hiervoor aangehaalde arrest in de zaak Vredo/Veenhuis en HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0366,
10.Zie o.m. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200,
11.Zie hierover o.m. Giesen, a.w., 2015/457; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188; A.E.H. van der Voort Maarschalk en A. Knigge, in: Van der Wiel (red.),
12.Zie o.m. EHRM 19 december 1997, nr. 20772/92 (
13.Zie de hiervoor aangehaalde uitspraak in de zaak Hirvisaari/Finland.
14.EHRM 19 december 1997, nr. 20772/92 (
15.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, r.o. 5.5.
16.Zie 2.1.1 van de procesinleiding. Blijkens randnummer 37 van het hoger beroepschrift is het volgende aangevoerd: “Daarbij is er ook voldoende ingebracht tegen het NIFP rapport. Een rechter mag onderbouwde informatie vanuit de ouders niet negeren, zoals de rechtbank nu wel heeft gedaan ((…)).”
17.Rb. Midden-Nederland 21 september 2021, p. 4.
20.Rb Noord- Nederland 8 januari 2020, ECLI:RBNNE:2020:71 en Rb Noord- Nederland 9 april 2021, ECLI:RBNNE:2021:1219.
21.Rb. Den Haag 7 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:304.
22.Rb. Rotterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6854.
23.K.D. Lünneman e.a. Tussenevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Utrecht , Verwey Jonker Instituut, 2018.
24.Bruning, Van der Zon e.a.,
25.Bruning, Van der Zon e.a.,
27.Zie randnummers 2.2 tot en met 2.3.4.
28.Zie randnummer 2.2 van de procesinleiding.
29.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, r.o. 5.9.
30.Zie randnummer 2.3.1 van de procesinleiding.
31.Zie randnummer 2.3.3 van de procesinleiding.
32.Zie randnummer 2.3.4 van de procesinleiding.
33.Zie o.a. EHRM 8 april 2003, NJ 2005, 186 m.nt. J. de Boer; zie ook HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321; M.L. t. Noorwegen, EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16; Strand Lobben, EHRM 30 november 2017, 37283/13, EHRC 2018/59, m.nt. Bruning; EHRM 10-03-2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0310JUD003971015 (Pedersen/Noorwegen) NJB 2020/1722.
34.HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, r.o. 3.3.3.
35.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, r.o. 3.3.2. Zie ook HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, r.o. 3.3.3.
36.Zie ook HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, r.o. 3.3.3.
37.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, r.o. 3.3.3;
38.Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2022, r.o. 5.11.
39.Blijkens randnummers 2.4.1 en 2.4.2 van de procesinleiding.