4.2De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 8 november 2021 het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):
“Beperkingen tijdens de schorsing VH
De voorlopige hechtenis van cliënt is door de rechtbank op 11 oktober 2017 geschorst echter zijn bewegingsvrijheid was aan beperkingen onderhevig. Zo moest hij zijn Nederlandse paspoort inleveren en hij kon dus niet reizen ( bijv. zijn moeder opzoeken in Suriname); moest hij zich tweewekelijks melden op het politiebureau; en mocht hij geen contact hebben met zijn medeverdachten, getuigen en/of slachtoffers. Bij vonnis van 28 januari 2019 werd de schorsing opgeheven.
Ik verzoek u niet deze periode van bijna 16 maanden in mindering te brengen op de op te leggen straf maar ik verzoek u wel gezien de beperkte bewegingsvrijheid gedurende deze periode, de strafte matigen.
Met ingang van 11 maart 2020 werd de VH door Uw Hof zonder beperkende voorwaarden geschorst tot de zitting van 16 november 2020 en op de zitting werd de VH wederom door uw Hof geschorst zonder beperkende vw.
Het OM wil – na 19 maanden – deze schorsing opgeheven zien. De verdediging is het hiermee niet eens. Het is zeer aannemelijk dat uw arrest niet de eindbeslissing zal zijn gezien een aantal juridische verweren en te nemen beslissingen daarop die wellicht cassatieappel rechtvaardigen. Ik denk daarbij onder meer aan het Mr. Big onderzoek; de termijnoverschrijding; het ontbreken van een effectieve en behoorlijke ondervragings-mogelijkheid ten aanzien van een aantal getuigen o.a. [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ; “wet straffen en bescherming” etc.
Kortheidshalve verwijs ik naar de door mij ingediende schorsingverzoeken en naar de Europese jurisprudentie deels als bijlagen gehecht aan deze pleitnota. Ik meen dat het verzoek van de AG afgewezen dient te worden en verzoek u de voorlopige hechtenis op te heffen
Voorts verzoek ik U rekening te houden met de navolgende aspecten die een lagere op te leggen straf rechtvaardigen dan de gevorderde:
Aanzienlijk hogere eis dan in eerste instantie
De AG kwam tot haar strafvoorstel van 7 jaar op basis van de ernst van de feiten; het leed van de slachtoffers; de proceshouding van cliënt en zijn medeverdachten en de termijnoverschrijding.
Ook de officier justitie memoreerde de ernst van de feiten; het consequent geen verklaring afleggen en het menselijk leed. De officier vond dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn en paste geen “korting” toe. Tegen cliënt werd zeven jaar en zes maanden geëist.
Ogenschijnlijk nagenoeg dezelfde eis maar de hoogte van de eis in eerste instantie was volgens de officier gebaseerd op richtlijnen van het OM die bij recidive zouden moeten leiden tot een verhoging van 50%. Zonder die verhoging zou het OM dus in eerste instantie 5 jaar hebben geëist. De recidive waaraan het OM refereerde waren echter feiten van 20 en 24 jaar geleden. Nadien is cliënt niet meer voor dergelijke feiten in aanraking gekomen met justitie. Er was dus geen basis voor een verhoging van de strafeis met 50%.
Er is dus een groot verschil tussen de 5 jaar die het OM in eerste instantie van plan was te eisen en de 7 jaar die thans (met korting) geëist wordt. Al hoewel het had OM vrij staat om in hoger beroep een ander strafvoorstel te formuleren, is er mijns inziens geen enkele reden om tot een dergelijke ongemotiveerde hogere strafeis te komen.
Alleen daarom al verzoek ik u het voorstel van de AG niet te volgen.
Ik wil nog een opmerking maken over de niet gespecifieerde strafeis van de AG in de zaak tegen mijn cliënt.
In de zaak van [betrokkene 1] is 3 jaar en 4 maanden geëist voor het medeplegen van de poging tot diefstal.
Tegen [betrokkene 11] is 8 jaar en 6 maanden geëist als medepleger bij de poging tot diefstal en bij de daadwerkelijke diefstal.
Voor dat 2e feit, de diefstal op 25 februari 2005, wordt – los gezien van allerlei persoonlijke omstandigheden die niet of nauwelijks besproken zijn op de zittingen – tegen HV 5 jaar en 2 maanden meer geëist dan tegen [betrokkene 1] .
Als ik dit verschil op basis van het gelijkheidsbeginsel dan door trek naar de eis tegen mijn cliënt (zeven jaar) dan zou dat betekenen dat tegen hem voor de diefstal een gevangenisstraf van 5 jaar en 2 maanden geëist is en voor het wapen en een explosief in de box, 1 jaar en 10 maanden. Dit vind ik voor het aanwezig hebben die goederen weggestopt in een box een buitenproportionele eis. Een reden temeer om de eis van de AG niet te volgen.
“wet straffen en bescherming”
De nieuwe VI-regeling geldt voor alle vonnissen en arresten die na inwerkingtreding zijn uitgesproken. Zonder de door de AG gememoreerde termijnoverschrijding van 11 maanden zou in de zaak van mijn cliënt ruim voor de wetswijziging arrest zijn gewezen.
Het is niet goed uit te leggen dat cliënt voor een feit gepleegd in 2005 een hogere netto gevangenisstraf zou krijgen enkel door een wetswijziging uit 2021.
Voor de wetswijziging zou een derde van de straf af zijn gegaan en cliënt zou vanaf 18 maanden naar een (zeer) beperkt beveiligde inrichting (BBI/ZBBI) zijn gegaan met een enkelband.
Nieuwe wetten mogen niet met terugwerkende kracht ten nadele ven een burger toegepast worden.
Ook verzoek ik u daarom bij de strafoplegging expliciet rekening te houden met de “wet straffen en bescherming” die per 1 juli 2021 in werking is getreden.”