Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
ASR/ […]) op de onderhavige zaak. (onder 3.13)
ASR/ […]heeft dit hof een toetsingskader gegeven voor beantwoording van de vraag of de verpachter bij het einde van de pachtovereenkomst recht heeft op overdracht van fosfaatrechten. (onder 3.14)
ASR/ […]geoordeeld dat er geen samenhang bestaat tussen het melkquotum en fosfaatrechten. Het enkele feit dat partijen 18 jaar voor de toekenning van fosfaatrechten in vrijheid tot overdracht van het verpachtersaandeel van het melkquotum zijn gekomen, is niet zo uitzonderlijk dat van de uitgangspunten voor de aanspraak van de verpachter op fosfaatrechten moet worden afgeweken. (onder 3.24)
ASR/ […]geen stopper is, maar de fosfaatrechten zelf hard nodig heeft. De keuze van de pachter om na het einde van de pachtovereenkomst elders het bedrijf voort te zetten of te stoppen, is bij het uitgangspunt uit
ASR/ […]niet relevant. (onder 3.27)
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onder Irichten zich tegen het oordeel van het hof onder 3.8 tot en met 3.11 van zijn eindarrest. Volgens dit oordeel faalt het betoog van [de pachter] dat de pachtovereenkomst nietig is:
f10.294 aan pacht zal worden verrekend. Bovendien is het groot onderhoud bij pachter gelegd (onder vermindering van de pachtsom met
f3.000).
f10.294 (en verminderd met
f3.000) hoger is dan volgens het destijds geldende pachtprijssysteem de hoogst toelaatbare pachtprijs voor de hoeve was.
dat de onderhandse verrekening van toepassing blijft totdat voor alle verpachte/gepachte landerijen, zowel voor de onderhandse pachtprijs als voor de pachtprijs in de twee pachtovereenkomsten, de dan geldende maximale pachtprijs volgens de pachtwet en het pachtnormenbesluit (maximale regionorm en/of 2% van de vrije verkeerswaarde van de landerijen) is bereikt. In die eindsituatie is de onderhandse pachtprijs gelijk aan[de]
pachtprijssom van de beide pachtovereenkomsten.”
aanhangigmoet zijn. In de voorafgaande conclusie in de zaak heb ik uiteengezet dat een restrictieve uitleg van het nietigheidsvoorschrift van art. 3:43 lid 1 onder Pro a BW past bij de categorische inhoud ervan (nietigheid zonder een nadere afweging in verband met de omstandigheden van het individuele geval) en dat de mogelijke bezwaren tegen die restrictieve uitleg met de lex generalis van art. 3:40 lid 1 BW Pro kunnen worden opgevangen. [14] Juist zo is het mijns inziens ook met betrekking tot het nietigheidsvoorschrift van art. 7:399c lid 1 BW.
als zodanigverbiedt (
het sluitenvan de pachtovereenkomst). Welnu, de strekking van art. 225 en Pro 326 Sr is om intellectuele valsheid van geschriften en oplichting strafbaar te stellen en niet om de totstandkoming van bepaalde overeenkomsten naar burgerlijk recht te verbieden. Iets anders is dat een ontduikingsbedoeling, die mogelijk met intellectuele valsheid van geschriften en/of listige kunstgrepen gepaard gaat, kan leiden tot de nietigheid van een rechtshandeling
naar inhoud of strekking, wegens strijd met de goede zeden en de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW Pro). In de tweede plaats treft een eventuele nietigheid uit hoofde van art. 3:40 lid 2 BW Pro niet zomaar de gehele overeenkomst, niet anders dan wat hiervoor 3.11 naar aanleiding van (partiële) nietigheid wegens strijd met de goede zeden en de openbare orde is opgemerkt.
onder 1.1omarmt het middel zonder blikken of blozen de evident onjuiste rechtsopvatting van de rechtbank Limburg. Daarover behoeft niets meer te worden gezegd.
onder 1.2is de rechtsopvatting van het hof onbegrijpelijk in het licht van het beroep van [de pachter] op de uitspraak van de rechtbank Limburg. Aldus zien de stellers van het middel eraan voorbij dat bij klachten tegen de motivering van een rechtsoordeel geen belang bestaat. Een juist rechtsoordeel wordt niet aantastbaar als het niet of gebrekkig is gemotiveerd. [18]
onder 1.4leidt aan hetzelfde euvel als die onder 1.2: dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het niet uitgaat van dezelfde rechtsopvatting als de rechtbank Limburg, maakt het arrest van het hof niet aantastbaar.
onderdeel IIrichten zich tegen de overwegingen van het hof onder 3.14 tot en met 3.28. Het hof oordeelt daar over de aanspraak van [de verpachter] op overdracht van een deel van de fosfaatrechten van [de pachter] .
ASR/ […]. [25] In de zaak zoals die voorligt, verwijst het hof meermalen naar het arrest
ASR/ […]en dit komt hierna dus vanzelf nog aan de orde. Vooraf slechts nog kort iets over het karakter van het stelsel van fosfaatrechten, mede in vergelijking met het eerder bestaande melkquotum.
Toepassing arrest 26 maart 2019
onder 2.1diverse klachten. Als eerste lees ik daar de klacht dat het hof bij zijn oordeel niet of onvoldoende in aanmerking heeft genomen dat het uitgangspunt is dat de fosfaatrechten in beginsel eigendom zijn van [de pachter] als pachter en dat het aan [de verpachter] als verpachter is om zodanige omstandigheden aan te voeren dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [de pachter] de fosfaatrechten deels aan hem moet overdragen.
ASR/ […]) zich niet goed verhoudt tot de toepassing van de maatstaf van art. 6:248 lid 1 BW Pro, omdat die maatstaf een op het specifieke geval gerichte afweging van alle omstandigheden van het geval vergt. Dit geldt volgens de stellers van het middel in het bijzonder voor de 50/50-verdeling van fosfaatrechten waartoe het hof op basis van het voormelde toetsingskader heeft geconcludeerd. De precieze verhouding van de fosfaatrechten kan niet worden bepaald op basis van op voorhand in abstracto geformuleerde uitgangspunten, zo zegt de klacht.
ASR/ […]de waardeverdelingsregel tot toepassing, die ook uitgaat van een verdeling 50%-50%, maar nu in andere zin: de verpachter heeft weliswaar recht op overdracht van alle fosfaatrechten die aan de verpachte gebouwen respectievelijk gronden zijn toe te rekenen, maar moet daartegenover aan de pachter 50% van de waarde van die rechten vergoeden.
totaleproductierecht. Ter zake van de andere 50% van het productierecht heeft de verpachter geen aanspraak. Dat deel wordt toegerekend aan de eigendomsgebouwen van de pachter.
ertegendat zij hopeloos onpraktisch is en tot grote rechtsonzekerheid zou leiden. In 2022 was volgens het CBS 236.429 hectare grond in Nederland regulier verpacht. [26] Indien waar zou zijn dat niet op basis van op voorhand in abstracto geformuleerde uitgangspunten is te zeggen in welke mate de verpachter aanspraak heeft op de fosfaatrechten van de pachter, noch in welke mate de pachter recht op vergoeding van de waarde van over te dragen rechten, weten de verpachters en pachters van al deze gronden voortaan niet meer waaraan zij toe zijn en is een stortvloed van procedures voor de pachtrechter onvermijdelijk. Het financieel belang van de kwestie is nu eenmaal te groot dan dat aannemelijk zou kunnen zijn dat partijen het zonder vooraf gegeven uitgangspunten eenvoudig minnelijk met elkaar eens worden.
beterrecht worden gedaan. [29]
in beginselgehouden is de niet-verzekerde zaak- en/of letselschade van een werknemer te vergoeden die deze lijdt doordat hij tijdens het vervoer in het kader van voor zijn werkgever uit te voeren werkzaamheden een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dit is
slechts andersin geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. [30] Dit ‘in beginsel’ en ‘slechts anders’ laten zich niet misverstaan. Hier is geen sprake van maatwerk op grond van een open norm, maar van rechtersrecht, dat voor een bepaalde categorie van gevallen in abstracto een uitgangspunt formuleert.
in beginselopzegbaar. [31]
in beginselhet beste ondervangen door het niet door de overheid gecompenseerde nadeel gelijk te verdelen over de verhuurder en de huurder. Een andere verdeling op grond van bijvoorbeeld de hoedanigheid van de huurder of de verhuurder of de financiële positie van een der partijen, is volgens wat uw Raad leert
uitzondering. Deze precieze in-beginsel-norm van 50%-50% vaart onder de vlag van art. 6:258 BW Pro en niet van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 1 BW Pro. Maar het is niet overtuigend dat wat met betrekking tot art. 6:258 BW Pro kan, niet ook met betrekking tot art. 6:248 lid 1 BW Pro zou kunnen; in beide gevallen is redelijkheid en billijkheid de maatstaf.
Uitleg pachtovereenkomst uit 2000
Pachter is volledig eigenaar van de voornoemde melkquota. Bij het beëindigen van de pachtovereenkomst is pachter gerechtigd bovenvermelde quota mee te nemen dan wel aan derden in eigendom over te dragen”. Hij leest daarin dat het recht om melk te produceren voor 100% aan hem toekomt.
Bij de toekenning van fosfaatrechten was de pachtovereenkomst al beëindigd
“Indien later mocht blijken dat het eigendom wel (gedeeltelijk) bij verpachter ligt, dan zal verpachter dit recht claimen, hetgeen alsdan door pachter zal worden betwist”.Daarmee heeft [de verpachter] een voorwaardelijke verbintenis bedongen waarvan hij nakoming kan vorderen. Op dat moment stond al wel vast dat aan [de pachter] fosfaatrechten zouden worden toegekend die met het gepachte waren opgebouwd op peildatum 2 juli 2015. De toekenning zou aanvankelijk op 1 januari 2017 plaatsvinden maar is door omstandigheden uitgesteld naar 1 januari 2018. Of [de verpachter] aanspraak zou kunnen maken op (een deel) van de aanspraken stond echter niet vast. Op grond van artikel 6:21 BW Pro is een verbintenis voorwaardelijk wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld. De aanspraak van verpachters op fosfaatrechten is voor het eerst bij het arrest van dit hof van 26 maart 2019 vastgesteld. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de verpachter onder bepaalde omstandigheden aanspraak kan maken op fosfaatrechten en in zoverre rechthebbende is. De voorwaarde waaronder de voorwaardelijke verbintenis is aangegaan, is in zoverre vervuld zodat [de verpachter] daarvan in deze procedure nakoming kan vorderen.
ASR/ […]bespreekt en de samenhangende redenen voor een aanspraak van de verpachter op de fosfaatrechten. Het onderdeel verbindt daaraan zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht.
ASR/ […]is geformuleerd. Uit wat ik hiervoor naar aanleiding van sub onderdeel 2.1 heb gezegd, is reeds duidelijk waarom ik meen dat deze klacht faalt.
onder 2.3.1heeft het hof miskend dat ook bij de beantwoording van de vraag of de eisen van de redelijkheid en billijkheid een verdeling van fosfaatrechten rechtvaardigen die afwijkt van de afspraken in de pachtovereenkomst, de bewijslast op [de verpachter] als verpachter rust. Dat het hof dit heeft miskend, blijkt volgens de stellers van het middel onder meer uit rechtsoverweging 3.28, volgens welke de standpunten die [de pachter] heeft aangevoerd om af te wijken van de uitgangspunten in het arrest
ASR/ […]onvoldoende zijn.
ASR/ […]af te wijken, zou het hof van een onjuiste bewijslastverdeling zijn uitgegaan.
waarderingvan de feiten: volgens de ene partij zijn de feiten voldoende om af te wijken van het bedoelde uitgangspunt en volgens de andere partij niet.
niettussen partijen vaststaan, en dan ook alleen nog maar indien de rechter dat betoog verwerpt op de grond dat de beweerde feiten niet vaststaan. Het is immers ook denkbaar dat de rechter de feitelijke juistheid van de bedoelde feiten in het midden laat en oordeelt dat zij hoe dan ook niet voldoende zijn om een uitzondering van het uitgangspunt te kunnen rechtvaardigen.
ASR/ […].
onder 2.3.3komen neer op een herhaling van zetten, dan wel pogen uw Raad te verleiden tot een feitelijke heroverweging waarvoor in cassatie geen plaats is.
onder 2.3.4richten zich tegen rechtsoverweging 3.25, waar het hof oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat [de pachter] door het handelen van [de verpachter] is gedwongen zijn melkveebedrijf te verplaatsen. Volgens de klachten is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van twee omstandigheden, hierna in cursief aangeduid. Beide klachten zijn mijns inziens ongegrond:
De stal voldeed niet meer aan de dierwelzijnseisen.Zonder nadere toelichting (die ontbreekt) zie ik niet in waarom op basis van deze omstandigheid sprake zou (kunnen) zijn van dwang door [de verpachter] .
Tijdens de zitting heeft [de verpachter] erkend dat de pacht zou toenemen en dat hij niet weet of concreet was afgesproken dat de pachtverhoging pas twee jaar later zou ingaan.De uitspraken van [de verpachter] waarnaar [de pachter] verwijst, zijn ontleend aan de onderstaande passage van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 maart 2022:
onder 2.3.5 en 2.3.6beoogt het middel ons te verleiden tot een feitelijke herbeoordeling die bij het rechtsmiddel van cassatie niet past. Mijns inziens is niet onbegrijpelijk dat het hof, uitgaande van het uitgangspunt van het arrest
ASR/ […], niet bepalend acht of [de verpachter] mogelijk de fosfaatrechten niet nodig heeft respectievelijk [de pachter] juist wel. De ratio voor de aanspraak van de verpachter op de aan de pachter om niet toegekende productierechten is niet zozeer gelegen in de uitvoerbaarheid van concrete plannen van verpachter respectievelijk pachter, maar in de omstandigheid dat de toekenning om niet van productierechten aan de pachter potentieel ten koste gaat van de waarde van de aan de verpachter toebehorende onroerende zaak, terwijl die toekenning mede aan de verpachter te danken is (hiervoor 3.26 e.v.). Die toekenning is uiteraard ook aan de pachter te danken, waarom tegenover de verplichting tot overdracht van het productierecht een aanspraak op 50% van de waarde staat.
onder 2.3.7veronderstelt dat het hof zich mede heeft uitgesproken over een kwestie die de vordering van [de verpachter] niet aan de orde stelde, namelijk de hoogte van de waardevergoeding waarop [de pachter] bij gelegenheid van de overdracht van de fosfaatrechten aanspraak kan maken. Mijns inziens bestaat voor die veronderstelling geen grond. De waardeverdelingsregel van
ASR/ […]is door het hof in rechtsoverweging 3.14 in de weergave van dat arrest wel genoemd, maar in het vervolg van de overwegingen komt het hof daarop terecht niet meer terug. In rechtsoverweging 3.28 lees ik niet iets anders. Zou het al anders zijn, dan is sprake van een overweging ten overvloede, die in een eventueel volgend geding tussen partijen geen gezag van gewijsde heeft. Daarom heeft [de pachter] bij de klacht ook geen belang.
4.Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel
eerste onderdeelis enkel een samenvatting van oordelen van het hof te lezen.
onder 1.2is grotendeels spiegelbeeld van subonderdeel 2.1 in het principaal beroep. Volgens de klacht getuigen de door het hof in het arrest
ASR/ […]aanvaarde uitgangspunten van een onjuiste rechtsopvatting omdat zij niet zo
in zijn algemeenheidkunnen worden aangenomen; volgens de klacht heeft de verpachter omvangrijkere aanspraken dan volgens
ASR/ […] .Uit de bespreking van het principaal beroep is overvloedig duidelijk op welke gronden ik meen dat de klacht geen doel behoort te treffen.
ASR/ […]niet helemaal goed begrijpt. De toerekening van 50% van de fosfaatrechten aan de grond en 50% aan de gebouwen, is nog geen vermindering ten opzichte van de 100% aanspraak waarvan zijn cliënt droomt (vergelijk hiervoor 3.38 en 3.39). Waar de steller van het middel bepleit dat meer dan 50% van de fosfaatrechten aan de grond én (dus tegelijk) meer dan 50% aan de gebouwen moet worden toegerekend, komt dit erop neer dat [de verpachter] als verpachter ter zake van méér fosfaatrechten een aanspraak kan laten gelden dan aan [de pachter] zijn toegekend. Dat kan uiteraard niet opgaan.
een deel vande fosfaatrechten die aan [de pachter] zijn toegekend op basis van de exploitatie van de van [de verpachter] gepachte hoeve op 2 juli 2015. Die lezing is onjuist. De vordering van [de verpachter] veronderstelt dat [de pachter] mogelijk meer gronden en gebouwen in gebruik had dan de hoeve van [de verpachter] . [de verpachter] heeft immers mede veroordeling van [de pachter] gevorderd om kopieën over te leggen van de gecombineerde opgave 2015. De strekking daarvan is om duidelijkheid te verkrijgen over de samenstelling van de bij [de pachter] ten tijde van het referentietijdstip in gebruik zijnde gronden in verband met de hiervoor 3.38 bedoelde toerekeningsregel. [37] Dat het hof voor recht heeft verklaard dat [de verpachter] aanspraak kan maken op
een deel vande fosfaatrechten die aan [de pachter] respectievelijk zijn bedrijf zijn toegekend, houdt hiermee verband. De strekking van die verklaring is klaarblijkelijk dat [de verpachter] aanspraak heeft op het deel van het productierecht dat aan de verpachte gronden en gebouwen kan worden toegerekend. Anders gezegd, [de pachter] is verplicht tot overdracht van alle fosfaatrechten voor zover aan [de pachter] toegekend op basis van de exploitatie van de van [de verpachter] gepachte hoeve op 2 juli 2015, maar met [de verpachter] zelf heeft het hof verondersteld dat er daarnaast nog meer fosfaatrechten aan [de pachter] zijn toegekend, die toegerekend dienen te worden aan nog andere in het bedrijf van [de pachter] gebruikte gronden en gebouwen (ter zake waarvan [de verpachter] uiteraard geen aanspraak heeft).
ASR/ […]dient hij in beginsel 50% van de waarde van het door [de pachter] aan hem over te dragen productierecht aan deze te vergoeden. Intussen was de hoogte van deze aanspraak van [de pachter] op [de verpachter] geen inzet van de rechtsstrijd in de zaak zoals die voorligt. Het is te hopen dat een uitspraak van uw Raad over de toelaatbaarheid van uitgangspunten bij de toepassing van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (dus van wat ik hiervoor ‘rechtersrecht’ heb genoemd), zal helpen om partijen een tweede rechtsgang (al dan niet in meerdere instanties) te besparen.