Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
CFS Bakel/Stork [1] en
Ciba Geigy/ [… 1] [2] ), waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) inmiddels ook duiten in het zakje aan het doen is.
CFS Bakel/Storkwijst de rechtbank aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad af, maar honoreert de ongerechtvaardigde verrijkingsclaim. Het hof verwerpt in appel beide grondslagen. Naast klachten gericht tegen het oordeel dat AstraZeneca niet verwijtbaar heeft gehandeld en dat er geen risicoaansprakelijkheid kan worden aangenomen, voert Menzis in cassatie aan dat AstraZeneca ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Menzis door zich op het octrooi te beroepen. Aan bod komt de betekenis van het arrest
CFS Bakel/Storkvoor deze zaak en of de Hoge Raad hiervan zou moeten terugkomen, het belang dat moet worden gehecht aan de omstandigheid dat Menzis een zorgverzekeraar is die een maatschappelijk belang behartigt en dat zij geen concurrent is van AstraZeneca en tevens de toepasselijkheid en uitwerking van art. 75 lid 6 ROW Pro. In breder perspectief wordt in deze conclusie stilgestaan bij de verhouding tussen de arresten
CFS Bakel/Storken
Ciba Geigy/ [… 1]en de actuele problematiek die speelt in de Europese zaken
Bayer/Richter [3] en de nog aanhangige zaak
Mylan/Gilead [4] in dit verband.
2.Feiten en procesverloop
Ciba Geigy/ [… 1]naar andere marktpartijen zoals Menzis (rov. 4.14-4.16). Het enkele in stand houden van het octrooi dat later met terugwerkende kracht niet in stand blijkt te kunnen blijven levert naar het oordeel van de rechtbank geen aansprakelijkheid op volgens
CFS Bakel/Stork(rov. 4.6-4.13). De zaak mondde in eerste aanleg uit in rolverwijzing met aktewisseling om de hoogte van de schade te kunnen bepalen.
geen onrechtmatige daad
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1gaat over ongerechtvaardigde verrijking.
Onderdeel 2betreft verwijtbaarheid aan de zijde van AstraZeneca.
Onderdeel 3gaat over risicoaansprakelijkheid.
CFS Bakel/Stork [14] onderstreept, honorering van de aan de uitvinding ten grondslag liggende prestatie en de daartoe gedane research en investeringen in tijd en geld. Stimulering van innovatie is een achterliggende ratio voor het octrooistelsel: doordat onderzoek kan leiden tot dergelijke exclusieve rechten, is de veronderstelling dat men bereid is om de voor onderzoek noodzakelijke investeringen te doen. Dat verschaft de mogelijkheid die investeringen terug te verdienen en winst te maken in die tijdelijke monopoliepositie. Tegenover de verlening van een monopoliepositie heeft de octrooihouder de verplichting om zijn uitvinding te publiceren [15] , waarbij de gedachte is dat de maatschappij op die manier op de aldus kenbaar gemaakte techniek kan voortbouwen [16] . De uitvinding zou immers ook geheim gehouden kunnen worden.
CFS Bakel/Storkis de in Nederland geldende leer weergegeven (die inmiddels al ruim 60 jaar geldt sinds
[… 2] / [… 3] [20] uit 1962) van het aansprakelijkheidsstelsel
jegens concurrentenbuiten de specifieke context van handhaving op grond van een kortgedingvonnis dat wordt gevolgd door een later met terugwerkende kracht wegvallen van de octrooititel (ook wel ‘formele handhaving’ genoemd, waarvoor als gezegd in de laatste voetnoot
leadingis
Ciba Geigy/ [… 1]). Omdat daar in de onderhavige zaak op wordt voortgebouwd, citeer ik deze overwegingen uit
CFS Bakel/Storkhier integraal:
derden niet-concurrenten, zoals in onze zaak aan de orde is, omdat Menzis dat bepleit, speelt momenteel de vraag of dit stelsel onder vuur zou moeten liggen sinds het Luxemburgse arrest
Bayer/Richter-arrest uit 2019 [21] over uitleg van art. 9 lid 7 Handhavingsrichtlijn Pro in een Hongaarse prejudiciële zaak. Ik heb in mijn genoemde bijdrage aan de Van Nispen-bundel betoogd dat dat niet zo is, omdat de
Bayer-vragen zijn gesteld voor het stelsel van aansprakelijkheid naar Hongaars recht, dat niet van een in beginsel strikte aansprakelijkheid uitgaat bij handhaving op grond van een achteraf nietige titel. Althans is dat een stelsel waar betrekkelijk grote ruimte bestaat voor eigen schuldverweren in deze. Beantwoording van die vragen geeft volgens mij (en BIE-annotator D.F. de Lange) geen voldoende uitsluitsel over de houdbaarheid van ons Nederlandse stelsel. Overigens wordt daarover, als in bundelstuk aangegeven, in naar aanleiding van
Bayerverschenen literatuur overwegend anders gedacht. Het antwoord gaan we naar valt te verwachten binnenkort uit Luxemburg krijgen, omdat
Bayerin de nieuwe zaak
Mylan [22] nu een vervolg heeft gekregen in de vorm van een nog aanhangige Finse prejudiciële verwijzingszaak over deze materie, terwijl het Finse systeem een stelsel van risicoaansprakelijkheid kent voor dit soort gevallen. In de
Mylanzaak speelt aansprakelijkheid vanwege handhaving door Gilead van een voorlopig rechterlijk oordeel op basis van een achteraf ongeldig geoordeeld aanvullend beschermingscertificaat (ABC) [23] . In de opvolgende schadevergoedingszaak beriep Mylan er zich op dat uit
Bayerniet kan worden afgeleid dat de Handhavingsrichtlijn aan een stelsel van risicoaansprakelijkheid in de weg staat. Gilead betoogde het omgekeerde. De Finse verwijzende rechter gaat uitgebreid in op
Bayer/Richter,constateert dat het Hof het begrip ‘passende schadeloosstelling’ uit art. 9 lid 7 Handhavingsrichtlijn Pro (Hrl) tot een autonoom Unierechtelijk begrip heeft bestempeld en dat rechters in ten minste twee lidstaten inmiddels al hebben geoordeeld dat
Bayer/Richterniet in de weg staat aan toepassing van een op risicoaansprakelijkheid gebaseerde schadevergoedingsregeling die verenigbaar is met art. 9 lid 7 Hrl Pro. De Finse rechter wil nu weten of dat laatste klopt en zo niet, wat dan de beoordelingscriteria zijn voor gevallen als in het hoofdgeding aan de orde. De gestelde 4 vragen luiden als volgt:
Ciba Geigy/ [… 1]en
CFS Bakel/Storkvalt naar ik meen zo te begrijpen dat het eerste arrest ziet op de specifieke situatie dat
jegens een concurrentis gehandhaafd op basis van een voorlopig inbreukoordeel met als inzet een octrooi dat achteraf gezien nietig blijkt te zijn. Dat wordt ook wel ‘formele handhaving’ genoemd [24] . Dan geldt een strikte aansprakelijkheid van de achteraf gezien pretense octrooihouder jegens diens concurrent die heel dicht in de buurt komt van risicoaansprakelijkheid. Het is vergelijkbaar met aansprakelijkheid voor achteraf bezien onterecht gelegde beslagen [25] . Formele handhaving leidt niet tot ‘risicoaansprakelijkheid’ van de octrooihouder ten opzichte van anderen dan de partij die door dreiging met executie is gedwongen een in kort geding gegeven verbod na te leven, aldus terecht het hof in rov. 7 van het bestreden arrest. Buiten deze specifieke context geldt bij informele handhaving (zoals in de casus uit
CFS Bakel/Storkop grond van ‘wapperen’ met het octrooi door Bakel naar afnemers van concurrent Stork) de minder vergaande schuldaansprakelijkheid uit het tweede arrest: voor aansprakelijkheid jegens concurrenten van de achteraf gezien pretense octrooihouder is dan nodig dat is gehandhaafd
tegen beter (behoren te) weten in, doordat de toen nog octrooihouder informeel handhaafde terwijl deze wist of behoorde te beseffen dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of nietigheidsprocedure [26] en waarbij het enkele aanhangig zijn van zo’n oppositie- of nietigheidsprocedure niet volstaat volgens de Hoge Raad. De twee te onderscheiden leren uit deze arresten komen samen in onze zaak, waarin door AstraZeneca immers
hangende het hoger beroep van de nietigheidszaak(waarin in eerste aanleg het octrooi bij de Haagse rechtbank
geldigwas geoordeeld, maar in de Engelse High Court het parallelle Engelse deel van het betreffende Europese octrooi wel op niet-inventiviteit was gesneuveld in een bodemzaak in eerste aanleg bijvoorbeeld) in kort geding is gehandhaafd jegens generieke producent Sandoz. De rechtbank onderscheidt dan ook tussen aansprakelijkheid van AstraZeneca zoals die zou gelden
jegens Sandozop grond van
Ciba Geigy/ [… 1]en beziet (maar laat in het midden) of op grond van
CFS Bakel/Storkvoor de octrooihouder aansprakelijkheid zou bestaan
jegens een derdeten opzichte van wie niet formeel is gehandhaafd als zorgverzekeraar Menzis. Ook het hof houdt vast aan die lijn en deze wordt nu in cassatie ter discussie gesteld, onder meer met een uitdrukkelijke uitnodiging om een variant aan te nemen op
CFS Bakel/Storkin de vorm van (risico)aansprakelijkheid jegens een zorgverzekeraar. Dat gaat nog veel verder dan de schuldaansprakelijkheid jegens concurrenten uit dat arrest bij informele handhaving. Het is daarbij de vraag hoe zwaar het algemene belang van (uiteindelijk) kostenbeheersing van de volksgezondheidszorg door middel van het voeren van een preferentiebeleid (volgens de rechtbank al ‘meegewogen’ als onderdeel van bevordering van vrije concurrentie in het algemeen belang en als zodanig al verdisconteerd in de leer van de Hoge Raad uit
CFS Bakel/Storken de belangenafweging die daaraan ten grondslag ligt) tegenwicht moet bieden aan de ratio van octrooibescherming als motor voor innovatie, zonder dat daarvan een onwenselijk
chilling effectzou uitgaan, doordat hangende een mogelijkheid van aanvechting van een verleend vooronderzocht octrooi octrooihouders te terughoudend zouden worden met (informeel) optreden tegen inbreuk uit vrees achteraf te worden geconfronteerd met schadeclaims, mocht hun octrooi ooit worden herroepen of nietig verklaard. Dat is in wezen voor een belangrijk deel de achtergrond waartegen de onderhavige zaak moet worden beoordeeld.
CFS Bakel/Storkin paragrafen 2.2-2.3 een rechtsvergelijking gemaakt met respectievelijk Duits en Engels recht, waarop de beslissing in die zaak vervolgens ook deels is gestut (vgl. rov. 5.7
CFS Bakel/Stork). Het betreft dus de situatie die hiervoor ‘informele handhaving’ is genoemd.
Duitslandis hetgeen in paragraaf 2.2 van die conclusie is aangeven nog steeds in de kern een weergave van het aldaar geldende recht, zo volgt uit recente Duitse literatuur [28] . De ‘
objektiv unberechtigte Schutzrechtsverwarnung’ is onrechtmatig als bij het uitbrengen daarvan onvoldoende zorgvuldigheid is betracht. Die handelwijze wordt aangemerkt als inbreuk op het ‘
Recht am eingerichteten und ausgeübten Gewerbebetrieb’ (§ 823 Abs. 1 BGB). De vraag of de octrooihouder op het moment van de waarschuwing begreep of behoorde te begrijpen dat deze onterecht was, speelt bij de schuldvraag een rol. Bij schuld verplicht de ongegronde waarschuwing tot het betalen van een schadevergoeding. Zoals ook in par. 2.2 van de aanvullende conclusie van A-G Huydecoper is aangegeven, heeft de Grote Kamer van het Bundesgerichtshof (
Grosse Senat) dat in 2005 bevestigd door een zorgvuldige afweging te maken tussen het belang bij effectieve handhaving van rechten van intellectuele eigendom en de belangen betrokken bij het recht om een bedrijf ongestoord te kunnen voortzetten [29] . Een evenwicht daartussen valt niet te vinden indien voordeel behaald zou kunnen worden uit een
verwijtbaar verkeerde inschattingvan de omvang van het gehandhaafde recht. Dit wordt in het bijzonder duidelijk wanneer het gaat om waarschuwing van klanten (afnemers) van concurrenten (leveranciers). In dat geval wordt vooral de concurrent van de octrooihouder benadeeld, aldus de Grosse Senat:
Das wird besonders deutlich bei einer Verwarnung von Abnehmern. Bei dieser macht der Schutzrechtsinhaber sein vermeintlich verletztes Recht nicht gegenüber dem unmittelbaren Mitbewerber, sondern – was ihm grundsätzlich freisteht – gegenüber dessen Abnehmern geltend. Das Interesse der Abnehmer, sich sachlich mit dem Schutzrechtsinhaber auseinanderzusetzen, ist typischerweise erheblich geringer als das entsprechende Interesse des mit dem Schutzrechtsinhaber konkurrierenden Herstellers […] Bei dem einzelnen Abnehmer können die Umsätze mit dem vermeintlich verletzenden Erzeugnis nur geringe Bedeutung haben; außerdem steht ihm häufig die Alternative zu Gebote, ohne oder ohne erhebliche Nachteile auf ein entsprechendes Produkt des Schutzrechtsinhabers auszuweichen. Etnschneidend getroffen wird in dieser Situation nicht der verwarnte Abnehmer, sondern der ihn beliefernde Hersteller. […]”
Engels rechten daar is sinds oktober 2017 sprake van een verandering in wetgeving. Inmiddels is daar de in 2005 ingevoerde ‘
blanket good faith validity knowledge defence’ uit de oude Section 70(2A) van de Patent Act, die is besproken in de aanvullende conclusie van A-G Huydecoper in 21-24, per oktober 2017 weer afgeschaft [31] . Of dat qua resultaat veel uitmaakt, valt te betwijfelen; dat lijkt mij niet. Belangrijk onderscheid in de Engelse Patent Act 1977 Sections 70-70C is immers dat tussen ‘
actionable threats’ en ‘
threats’ die ‘
not actionable’ zijn, zoals ‘wapperen’, dat niet zo’n ‘
quasi-tort’ in de vorm van een ‘
unjustified threat’ oplevert bedoeld in die wet. Section 70A definieert wat ‘
actionable threats’ zijn. Het sommeren van makers/importeurs levert volgens s70A(2) en (4)
geen‘
actionable threat’ op naar Engels recht [32] (zodat daar ook geen ‘
defence’ in de zin van Section 70C van de kant van de (voormalige) octrooihouder voor nodig is, als deze geconfronteerd wordt met een schadevergoedingsactie wegens onrechtmatig ‘wapperen’; die ‘
defences’ kunnen alleen maar gericht zijn tegen ‘
actionable threats’). Anders gezegd: de regeling ziet alleen op secundaire inbreukmakende handelingen, anders dan het vervaardigen of importeren van een product (of het toepassen van een werkwijze). Dus klanten van concurrenten sommeren is naar Engels recht in potentie wel problematisch, evenals naar Duits recht (als de beweerdelijke inbreukmaker niet (tevergeefs) is gesommeerd), zoals hiervoor aangegeven (en dat is een nuance ten opzichte van de leer uit
CFS Bakel/Stork). Daarnaast bestaan uitzonderingen voor ‘
permitted communications’, zo volgt uit s70A(5) en s70B Patent Act 1977. Zo is ook niet ‘
actionable’ een mededeling die ten doel heeft het bewust maken van het bestaan van een octrooi of het vragen stellen om er achter te komen wie de maker of importeur is (s70B(2)(b)). Komt daar geen bevredigend antwoord op, dan is een ‘
threat’ geoorloofd, als kan worden aangetoond dat redelijke stappen zijn ondernomen om erachter te komen wie de importeur is bijvoorbeeld (s70C(4)). Maar als er wel sprake is van een ‘
actionable threat’, dan bestaat niet langer de ‘
defence’ dat destijds te goeder trouw kon worden gemeend dat het octrooi oppositie of nietigheidsprocedures zou overleven [33] , zodat een ‘
threat’ op basis van een achteraf gezien ongeldig octrooi ‘
unjustifiable’ is. Dat is inmiddels ook in de rechtspraak zo uitgelegd [34] . Nogmaals: het moet dan wel gaan om ‘
actionable threats’; voor ‘normale’ sommaties jegens concurrenten is dit, als uiteengezet, geen probleem naar Engels recht, omdat dat geen ‘
actionable threat’ oplevert.
[… 2] / [… 3]als nader bevestigd in
CFS Bakel/Storkleert dat (afgezien van het in die rechtsstelsels (inmiddels) wel problematisch geachte (enkele) ‘wapperen’ naar afnemers van concurrenten, behoudens de daarop weer bestaande nuanceringen) dat daar nog steeds van eenzelfde hoofdgedachte wordt uitgegaan als bij ons.
[… 4] / [… 5] [43] . Partijen sloten verschillende overeenkomsten waaronder een overeenkomst tot koop en eigendomsoverdracht van een kerkgebouw en een overeenkomst van huur van de in de kerk aanwezige kunstvoorwerpen. De huurovereenkomst werd vernietigd, omdat bleek dat de kunstvoorwerpen bestanddelen van de kerk waren. De koopovereenkomst zag alleen op de overdracht van de kerk, zodat [… 5] ongerechtvaardigd was verrijkt met de eigendomsverkrijging van de kunstvoorwerpen in de kerk. Partijen hadden immers niet beoogd dat de kunstvoorwerpen in de koop waren begrepen, zodat de koopovereenkomst de verrijking hier niet rechtvaardigde. Een overeenkomst rechtvaardigt dus slechts
in beginselde verrijking.
een derdedie geen partij is bij de overeenkomst door de betreffende overeenkomst niet steeds en zonder meer wordt gerechtvaardigd [44] . Dat is met name voor de onderhavige zaak van belang. Ik kom hier nader op terug bij de bespreking van subonderdelen 1.6 en 1.7.
CFS Bakel/Storkbuiten de context van ‘formele’ handhaving naar huidig Nederlands recht al geen risicoaansprakelijkheid (of iets dat daar dicht tegen aan ligt) kan worden aangenomen voor achteraf niet houdbaar gebleken octrooirechten (en ik heb aangegeven dat daarover in de prejudiciële Europese
Mylan-zaak binnenkort verdere verduidelijking kan worden verwacht in het voetspoor van de
Bayer/Richter-zaak), dat dat dan
a fortioriheeft te gelden voor aansprakelijkheid jegens derden niet-concurrenten (ook niet via analogische toepassing van
Ciba Geigy/ [… 1]in geval van formele handhaving overigens, door het hof ook verworpen in deze zaak en als ik het goed zie niet langer (voldoende kenbaar en concreet) gehandhaafd in cassatie) en dat is de door het hof onder afwijzing van Menzis’ betoog gekozen lijn. Dat dat oordeel in de
verrijkingssleutelstaat, maakt dat in mijn ogen niet wezenlijk anders in dit geval. Daar kan overigens anders over worden gedacht, bijvoorbeeld door het algemene belang bij toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg hier een apart en zwaarder gewicht in de schaal te laten leggen, wat Menzis in wezen voorstaat, en deze afweging dus niet zoals in het rechtbankoordeel in onze zaak al als het ware gemaakt te laten zijn doordat dat belang in wezen opgaat in het in
CFS Bakel/Storkals algemeen belang onderkende belang van vrije concurrentie. Ik voel veel voor deze rechtbankbenadering en daarvan afwijken in de door Menzis beoogde zin zou een grote stap zijn met naar mij voorkomt niet goed overzienbare afbakeningsproblemen en een in potentie
chilling effectdat uiteindelijk het octrooi-instrument als stimulatie voor (geneesmiddelen)innovatie onder ongewenste druk kan zetten, hetgeen maatschappelijk minder winst op lijkt te leveren dan een mogelijk dempend effect op kosten van toegankelijke zorg. Die hoofdlijn uit
CFS Bakel/Storkverdient naar ik meen, anders dat Menzis in deze zaak poogt te bewerkstelligen, geen heroverweging in de vorm van een variant van (risico)aansprakelijkheid jegens zorgverzekeraars – ook niet in de vorm van een verfijning van het ongerechtvaardigde verrijkingsleerstuk, welke poging Menzis overigens bij de rechtbank nog zag slagen, maar dat is door het hof afgewezen. Zelfs al zou de hoofdlijn uit
CFS Bakel/Storkop grond van de geschetste ontwikkelingen in het buitenland in die zin heroverweging behoeven dat inmiddels striktere vorm van aansprakelijkheid zou dienen te worden aangenomen jegens
concurrentenals diens afnemers (derden) zijn gesommeerd, dan nog zou een variant van (risico)aansprakelijkheid jens een zorgverzekeraar-
derdeeen veel verder gaande stap zijn met alle geschetste risico’s van dien, zodat ik daar bepaald geen voorstander van zou zijn. Anders gezegd en toegespitst op de verrijkingssleutel: Er is geen sprake van ongerechtvaardigdheid als een octrooihouder in beginsel moet mogen uitgaan van de geldigheid van het vooronderzochte aan hem verleende octrooi, bij gebreke waarvan handhaving een lege huls wordt [48] . Toekenning van een verrijkingsaanspraak verschuift de risicobalans tussen octrooihouder, generieken en derden in een onwenselijk te achten richting [49] . Dat zet de toon voor de nu volgende bespreking van het cassatiemiddel.
CFS Bakel/Storkals (het analoge beroep op de leer uit)
Ciba Geigy/ [… 1]langsloopt:
Ciba Geigy/Voorbaak.Daargelaten of dit nog in lijn is met de Handhavingsrichtlijn zoals uitgelegd in
Bayer/Richter,volgt uit de motivering in
Ciba Geigy/ [… 1]geen risicoaansprakelijkheid buiten de specifieke context van het door dreiging met executie van een kortgedinguitspraak naleven van een verbod, waardoor mede in verband met het aspect van de verbeurd blijvende dwangsommen bij overtreding van het kortgedingverbod na een andersluidend oordeel in de bodemzaak een zeker evenwicht tussen botsende belangen wordt bereikt, welk evenwicht ontbreekt bij uitbreiding van risicoaansprakelijkheid jegens partijen als Menzis, die geen dwangsommen verbeuren bij niet-naleving van het kortgedingverbod door een concurrent (rov. 5.7);
Ciba Geigy/ [… 1]met als argument dat octrooiverlening net als een kortgedingvonnis een voorlopige maatregel zou zijn. Die parallel gaat alleen al mank, omdat dat arrest niet alleen op het voorlopige karakter van een kortgedinguitspraak is gebaseerd, maar mede op (het juist definitieve karakter van) de verbeurde dwangsommen bij niet-naleving daarvan. Een beslissing van het Europees Octrooibureau (EOB) tot octrooiverlening kan verder niet gelijk worden gesteld aan een kortgedingvonnis; dat die EOB beslissing kan worden herroepen en vernietigd, maakt dit niet naar zijn aard een voorlopige maatregel zoals een kortgedinguitspraak (rov. 5.8);
zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld, AstraZeneca geen verwijt kan worden gemaakt van het in stand houden en handhaven van het octrooi in de relevante periode.’ [cursivering A-G]. Dat is ook een terugverwijzing naar het eerder gegeven oordeel. Dat doet het hof opnieuw in rov. 5.16 bij het verrijkingsoordeel door te verwijzen naar ‘
het hiervoor gegeven oordeel’. Ten aanzien van de verrijkingsgrondslag verwijst het hof in rov. 5.17 naar
CFS Bakel/Storken legt daarin uit dat dit oordeel ook binnen het stelsel van de wet past. De verrijking door de gestelde winsten die AstraZeneca heeft gemaakt met de verkoop van Seroquel® XR wordt volgens het hof in beginsel gerechtvaardigd door de overeenkomsten op grond waarvan die producten zijn verkocht. Het hof heeft daarbij gewezen op art. 75 lid 6 ROW Pro (per abuis refereert het bestreden arrest hier telkens aan art. 70 lid 6 ROW Pro) waarin is bepaald dat de terugwerkende kracht van de vernietiging van het octrooi geen invloed heeft op de voor vernietiging gesloten overeenkomsten voor zover die voorafgaand aan de vernietiging zijn uitgevoerd.
CFS Bakel/Stork, waarvan de kernoverwegingen over het onrechtmatigheidsoordeel hiervoor zijn weergegeven in de inleiding (3.3). In die zaak was ook tevergeefs een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking. Over de verrijkingsgrondslag is in dat arrest in de kern geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking nodig is dat de verrijking
in relatie tot de beweerdelijk gelaedeerdeeen ongerechtvaardigd karakter heeft en dat in het voorafgaande oordeel over de non-onrechtmatigheid besloten ligt dat en waarom dat niet kan worden aangenomen:
CFS Bakel/Stork. Damminga leest, net als Menzis [50] in deze zaak, het oordeel aldus dat de vraag of de verrijking ongerechtvaardigd is, alleen zou worden beantwoord aan de hand van de criteria van art. 6:162 BW Pro [51] . Hij stelt dat uit dit arrest blijkt dat de Hoge Raad leert dat bij de vraag of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking doorslaggevend is of CFS op onrechtmatige wijze heeft geconcurreerd. Damminga vraagt zich af hoe de gerechtvaardigdheid van de verrijking van CFS (
een toestand) kan worden beantwoord aan de hand van alleen de criteria die gelden voor het vaststellen van de rechtmatigheid van
de gedragingenvan CFS [52] . Volgens Damminga is deze benadering niet te verenigen met de rechtspraaklijn dat het verrichten van handelingen die in beginsel niet onrechtmatig zijn, wel kunnen leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking [53] .
CFS Bakel/Storkdat een verrijking niet ongerechtvaardigd is vanwege het enkele feit dat de verrijking niet onrechtmatig is, moet worden verworpen. Op die manier wordt immers een belangenafweging in verrijkingsrechtelijke context afgesneden en die belangenafweging kan heel anders uitpakken. De aansprakelijkheid uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking is namelijk gemaximeerd tot de omvang van de verrijking en strekt niet zoals bij onrechtmatige daad tot volledige schadevergoeding. Ook kan de aansprakelijkheid op de voet van de redelijkheid worden verminderd en kan rekening worden gehouden met eventuele vermindering van de verrijking. De ongerechtvaardigde verrijking kan zich dus als middenweg aandienen tussen geen aansprakelijkheid en volledige aansprakelijkheid en de belangen van partijen meer in evenwicht brengen [54] .
CFS Bakel/Stork: ‘wie niet onrechtmatig jegens de octrooihouder handelt door een octrooi te laten inschrijven dat later wordt vernietigd, is ook niet ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de octrooihouder, als hij door zich op het octrooi te beroepen voordeel verwerft’. Sieburgh schetst het kader vervolgens nog breder: ‘En wie bevoegd was de onderhandelingen omtrent een te sluiten overeenkomst af te breken zonder schadevergoeding verschuldigd te worden krachtens de daarop toepasselijke maatstaven van onrechtmatige daad of redelijkheid en billijkheid, kan evenmin schadevergoeding uit hoofde van verrijking verschuldigd zijn (Rb. Oost-Brabant 9 juli 2014, NJF 2014/366, r.o. 4.5).’ Het betreffende samenloopfenomeen uit
CFS Bakel/Storkstaat zo bezien Nederlands civielrechtelijk niet op zichzelf, maar manifesteert zich ook bij samenloopgevallen van (geen) wanprestatie en (geen) schadeplichtigheid wegens afgebroken onderhandelingen. Het oordeel in
CFS Bakel/Storkvoor de samenloop van onrechtmatige daad met het verrijkingsleerstuk in de hier bedoelde specifieke octrooicontext is in die opvatting dan geen vreemde eend in de bredere civielrechtelijke bijt. Misschien ligt ook de analyse van A-G Huydecoper in zijn eerste conclusie voor
CFS Bakel/Storkonder 33 (BIE-annotator Reeskamp verwijst daar naar in BIE 2022/2, nr. 3 onder 27) in deze lijn: het aanmerken van het beroep op het later met terugwerkende kracht nietig geoordeelde octrooi (in die zaak) door CFS Bakel als niet-onrechtmatig en dus geoorloofd brengt mee dat er ook geen sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking van CFS Bakel ten opzichte van Stork, alleen al omdat hier geen sprake is van ongerechtvaardigdheid: de vermogensverschuivingen ten gevolge van dat niet onrechtmatig handelen vloeien voort uit legitieme handelstransacties in het kader van normaal handelsverkeer. Het lijkt mij eerder een tussenpositie die ook zwaar leunt op het non-onrechtmatigheidsaspect bij de beoordeling van de verrijkingsclaim, maar schuurt dicht tegen de door mij voorgestane uitleg aan (die in 3.28 aan bod komt).
CFS Bakel/Storkgaat uit van de lezing dat bij de beoordeling van de verrijkingsvordering doorslaggevend is of onrechtmatig is gehandeld. Volgens mij is dat niet de meest voor de hand liggende lezing van dit aspect uit het arrest. De redenen die leiden tot afwijzing van de vordering uit onrechtmatige daad kunnen immers ook bijzondere omstandigheden van het geval opleveren die bepalend zijn voor de beoordeling van de verrijkingsvordering, elk in het eigen beoordelingskader voor die verschillende leerstukken. Er kunnen, als besproken in 3.16, raakvlakken zijn tussen beide rechtsfiguren. Het is dan niet zo dat het oordeel dat niet aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is voldaan automatisch tot het oordeel leidt dat verrijkingsaansprakelijkheid ook moet worden afgewezen. Het kan zijn dat de feitelijke redenen die leiden tot een beoordeling van de ene grondslag in een specifiek geval ook van beslissende betekenis zijn voor de andere. Een bekend beslismodel in de rechtspraak is dan om eerst de ene grondslag uit te werken en vervolgens bij de beoordeling van de tweede grondslag kortheidshalve naar de punten uit de beoordeling van die eerste grondslag te verwijzen. In die sleutel is zowel het verrijkingsoordeel uit
CFS Bakel/Storkals dat uit het bestreden hofarrest in onze zaak te lezen.
CFS Bakel/Storkwel zouden volgen, dan zou dat Menzis hier denk ik niet kunnen baten. Het hof heeft namelijk in rov. 5.17 na de eerste volzin verder geoordeeld dat afwijzing van de verrijkingsvordering in het stelsel van de wet past: de gestelde verrijking wordt in beginsel gerechtvaardigd door de verkoopovereenkomsten die AstraZeneca heeft gesloten en in de octrooiwet is geregeld dat de terugwerkende kracht van octrooivernietiging geen invloed heeft op vóór vernietiging gesloten en al uitgevoerde overeenkomsten, hetgeen de rechtszekerheid dient. Dat oordeel kan de afwijzing van de verrijkingsvordering zelfstandig dragen, zodat in de hier veronderstelde sleutel geen belang zou bestaan bij de klachten uit subonderdeel 1.1.
CFS Bakel/Stork: aanvaarding van risicoaansprakelijkheid kan de prikkel om innovatieve geneesmiddelen te ontwikkelen verminderen en dat het octrooi voor het geclaimde geneesmiddel niet inventief is, maakt dat niet anders. Immers aanvaarding van risicoaansprakelijkheid zou ook houders van geldige octrooien treffen, nu de consequentie van zo’n stelsel zou zijn dat een octrooihouder nooit mag vertrouwen op zijn inschatting dat het octrooi een nietigheidsprocedure zal overleven (vgl. ook plta cass AstraZeneca 15). Uit rov. 5.16 volgt dat het hof dit aspect ook in zijn beoordeling van de verrijkingsvordering heeft betrokken. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd waarom het niet is meegegaan met stelling i. Een dergelijk door het hof aangegeven risico van een
chilling effectis ook op zichzelf niet onbegrijpelijk en, zoals uit de inleiding volgt; ook niet dat dat (hier) de doorslag geeft bij afweging tegen de door de klacht aangevoerde maatschappelijke belangen van zorgverzekeraars.
naar verkeersopvattingen voor rekeningvan gedaagden zou dienen te komen in de zin van art. 6:162 lid 3 BW Pro. Een dergelijke risicoaansprakelijkheid geldt op grond van het
CFS Bakel/Stork-arrest weliswaar niet in de verhouding tussen de octrooihouder en zijn directe concurrenten, maar volgens Menzis zou deze regel wel moeten gelden in een situatie waarin door het ten onrechte claimen van een octrooi gedurende een aantal jaar geen generica op de markt kunnen komen, waarmee de kenbare belangen van Menzis en haar verzekerden om geen onnodig hoge prijzen te betalen zijn geschaad (MvA 3.2.22). Dat onderbouwt zij, na een uiteenzetting van de afwegingen in
CFS Bakel/Stork(MvA 3.2.23-3.2.25) met de stelling dat dat arrest
principieelvan onze zaak zou verschillen vanwege het feit dat AstraZeneca niet zo maar een octrooihouder is, maar een met economische machtspositie, hetgeen een bijzondere verantwoordelijkheid meebrengt om geen afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededeling (MvA 3.2.26; dat hier sprake is van een machtspositie in de door Menzis bedoelde zin,
verwerpthet hof, onbestreden in cassatie, in rov. 5.14-5.15). Ook onderbouwt Menzis dat met de (eveneens door het hof in rov. 5.6
verworpenen niet in cassatie bestreden) stelling dat de (uitleg door de Hoge Raad in
VGZ/Nutricia [64] ) van de Zorgverzekeringswet hier tot risicoaansprakelijkheid zou nopen (MvA 3.2.27). Een volgend argument hiervoor is volgens Menzis dat AstraZeneca hier aan
evergreeningzou doen met haar poging de stofbescherming voor quepiatine te verlengen door een secundair octrooi te claimen voor een voor de hand liggende toepassing van Seroquel, waarvoor de ratio voor octrooibescherming – in
CFS Bakel/Storkdoorslaggevend geoordeeld door de Hoge Raad – niet opgaat (MvA 3.2.28-3.2.30); dit betoog is door het hof
verworpenin rov. 5.5 (hetgeen meteen het lot tekent van de klacht gebaseerd op stelling iii, zoals hierna wordt besproken). Een verder argument voor toerekening naar verkeersopvattingen was dat net als bij de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of een andere voorlopige rechterlijke maatregel zoals een beslagverlof of kortgedingvonnis (waarbij onder meer beroep is gedaan op
Ciba Geigy/ [… 1]), octrooiverlening naar haar aard ook een voorlopige maatregel zou betreffen en de afnemers van de concurrenten van de octrooihouder in de praktijk
geen reële keuzehebben. Dat zou nog sterker gelden voor zorgverzekeraars, omdat zij verplicht zijn spécialitégeneesmiddelen te vergoeden en niet voor goedkopere generica kunnen kiezen als die vanwege octrooihandhaving voor de spécilité’s niet op de markt komen. In dat kader is door Menzis (in MvA 3.2.33) aangevoerd dat anders dan directe concurrenten van AstraZeneca zorgeverzekeraars geen reële mogelijkheid hebben om octrooiaanspraken in en buiten rechte ter discussie te stellen, waarbij nog zij daargelaten dat het niet aan zorgverzekeraars is om octrooirechten te handhaven; het ontbreekt hen daarvoor aan financiële draagkracht en benodigde vakkennis. Omdat zij wel de risico’s dragen van onrechtmatige octrooiaanspraak in de vorm van hogere zorgkosten die zij verplicht zijn te vergoeden, zou het niet juist zijn om hen het risico te laten dragen van de onjuistheid van de pretenties van de octrooihouder (MvA 3.2.31-3.2.33). Dat betoog is, zoals hiervoor al onder ogen is gezien, door het hof (en voor wat dit aspect betreft onbestreden in cassatie) verworpen in rov. 5.7. In MvA 3.2.34 volgt dan de afronding dat op grond van dit hele betoog risicoaansprakelijkheid zou moeten opgaan voor de pretense octrooihouder jegens zorgverzekeraars in gevallen als deze – dus anders dan in
CFS Bakel/Storkjegens concurrenten.
CFS Bakel/Storkjegens directe concurrenten toereikend gemotiveerd verworpen. Het heeft in rov. 5.3 geoordeeld dat er geen reden is om risicoaansprakelijkheid wel aan te nemen in de relatie van de octrooihouder met niet-concurrenten. Het feit dat Menzis zelf geen geneesmiddelen produceert of op de markt brengt en AstraZeneca zich daarom ook nooit ten opzichte van Menzis heeft beroepen op het octrooi, pleit volgens het hof juist tegen het toepassen van risicoaansprakelijkheid in de relatie met Menzis. Dat Menzis het octrooi niet kon ‘negeren’, maakt haar positie niet wezenlijk anders dan die van concurrent Stork in
CFS Bakel/Stork, omdat octrooihouder CFS Bakel in die zaak een beroep had gedaan op zijn octrooi ten opzichte van (potentiële) afnemers van concurrent Stork en dat Stork de schade die daaruit voortvloeide ook niet kon voorkomen door de octrooiaanspraak te negeren. Ik verwijs ook naar de hierna volgende bespreking van onderdeel 3.
geenmachtspositie heeft en dat het hof in rov. 5.5, ook anders dan Menzis stelt, heeft geoordeeld dat AstraZeneca met haar beroep op het octrooi de marktexclusiviteit voor de werkzame stof
quetiapineniet heeft verlengd (met haar achteraf bezien ongeldige octrooi voor een XR doseringswijze). Het hof heeft daarmee (in afwijzende zin) voldoende gerespondeerd op het betoog van Menzis waar stelling ii onderdeel van is.
chilling effectop een maatschappelijk wenselijke werking van het octrooisysteem als stimuleringsinstrument voor innovatie, dat uiteindelijk ook in het belang is van betaalbare en toegankelijke zorg [65] . Niet onbelangrijk lijkt mij ook dat bij een ander oordeel onoverzichtelijke afbakeningsproblemen kunnen optreden; AstraZeneca wijst op een oneindige kring van personen die dan een vordering kunnen instellen [66] en deze zaak illustreert meteen ook dat het om een grote kring van personen kan gaan, omdat Menzis in deze procedure de vordering instelt die haar verzekerden jegens AstraZeneca hebben en die bij wijze van subrogatie op haar is overgegaan [67] . Dat Menzis als zorgverzekeraar de financiële draagkracht en benodigde vakkennis zou missen om zelf de octrooiaanspraak in of buiten rechte ter discussie te stellen, maakt tegen die achtergrond niet dat risicoaansprakelijkheid zou zijn aangewezen. Voor betrokkenen die een aantal jaar werkzaam zijn (geweest) in de octrooipraktijk is duidelijk dat producenten van generieke geneesmiddelen op grote schaal octrooihouders van spécialitégeneesmiddelen ‘scherp’ houden met procedures (‘farmazaken’ maken al jarenlang de bulk uit van de octrooirol in de gerechten die zich met octrooigeschillen bezig houden), zodat dit argument van Menzis enigszins gezocht voorkomt [68] .
verrijkingsaansprakelijkheid. Zie in dat verband ook de hierna volgende bespreking van stelling v.
evergreening’). In een dergelijk geval moet worden aangenomen dat de octrooihouder de kosten van het ontwikkelen al ruimschoots heeft kunnen terugverdienen, zodat voor het extra belonen van deze onderzoeksinspanningen al helemaal geen rechtvaardiging bestaat [70] .
nietverlengd, omdat het octrooi in kwestie niet de werkzame stof als zodanig betreft, maar de vertraagde-afgifte-formulering van quetiapine. Het hof heeft zodoende het
evergreening-argument van Menzis verworpen. Menzis heeft in feitelijke instanties deze praktijk zo omschreven: fabrikanten ontwikkelen bewust niet-inventieve
follow-ongeneesmiddelen om de marktexclusiviteit te verlengen door kleine aanpassingen te doen aan de originele geneesmiddelen waarvoor ze een ‘primair’ octrooi hebben en voor deze verbeteringen vragen zij vervolgens ‘secundaire’ octrooien aan. Door middel van marketinginspanningen laten zij vervolgens patiënten op het nieuwe (
follow-on) geneesmiddel overstappen waarmee ze dus in feite de markexclusiviteit verlengen [71] .
sustained releaseen andere doseringsoctrooien in het algemeen ook goed te volgen, want eenieder die ingevoerd is in de farmaceutische octrooipraktijk weet dat het regelmatig voorkomt dat daar wel degelijk nieuwe en inventieve uitvindingen aan ten grondslag liggen, die rechtens aanspraak maken op octrooibescherming en dan is van
evergreeninggeen sprake.
Evergreeningmoet worden onderscheiden van investeren in betere toepassingen van al bestaande geneesmiddelen in de vorm van andere doseringsregimes of met minder ongewenste bijwerkingen bijvoorbeeld, wat evengoed voor de gezondheidszorg waardevolle èn octrooieerbare uitvindingen kan opleveren. Dat onderscheid maakt Menzis ten onrechte niet bij haar
evergreening-betoog. Eén van de valkuilen bij de inventiviteitsbeoordeling in het octrooirecht is die van wijsheid achteraf (“hindsight”, of om met Cruijff te spreken: ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt.’) [72] Achteraf bezien kan iets meteen voor de hand lijken te liggen (zoals een ander doseringsregime bij geneesmiddelen), maar dat hoeft in de ogen van de octrooirechtelijke maatman, de gemiddelde vakman, helemaal niet zo te zijn op de aanvraag- of prioriteitsdatum en dat is dan ook niet de hier te hanteren maatstaf; beoordeling moet geschieden met wegdenken van de gepresenteerde uitvinding en dat is in zekere zin altijd gecompliceerd (zodat een hulpmiddel als de
problem-solution-approachvaak wordt gehanteerd). Het hof heeft geoordeeld dat AstraZeneca niet wist, dan wel diende te beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure. Hieruit blijkt dat het hof het niet eens is met Menzis dat AstraZeneca in dit geval een bewust niet-inventief
follow-ongeneesmiddel heeft ontwikkeld. Dit oordeel is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Onbegrijpelijk is dat gelet op het voorgaande zeker niet. Dat bij pleidooi in cassatie andermaal met de nodige nadruk het
evergreening-argument is gebezigd, behoort er niet toe te leiden dat op die grond het geschetste evenwichtige stelsel uit de combinatie van
CFS Bakel/Storken
Ciba Geigy/ [… 1]wordt doorbroken en zou worden gekanteld. Daartoe zijn in mijn ogen als hiervoor besproken geen voldoende overtuigende gronden aanwezig en
evergreeningis dat al helemaal niet. In deze zaak niet, omdat zich dat hier in weerwil van de betogen van Menzis naar het feitelijke hofoordeel niet voordoet, maar ook in het algemeen niet, omdat niet moet worden vergeten, zoals hiervoor besproken in 3.5, dat de in octrooirecht gespecialiseerde Haagse rechters bij gerede twijfel aan de geldigheid van een in kort geding ingeroepen octrooi (bijvoorbeeld als er wel reële aanwijzingen zijn dat van
evergreeningsprake is in plaats van een uitvinding gericht op een betere toepassing van een al bestaand geneesmiddel, of anderszins gerede twijfel bestaat dat het octrooi in een bodemzaak voor geldig gehouden zal worden)
geen inbreukverbodzullen toewijzen. In die zin overtuigt het blijven tamboereren op
evergreeningvan Menzis geenszins. Ik verwijs verder naar de bespreking van de klachten over de verwijtbaarheid uit onderdeel 2.
[… 6] / [… 7] [75] , gaat deze vergelijking niet op. In die zaak was de omstandigheid dat apotheker [… 6] op eigen initiatief de situatie had bewerkstelligd waarin de verrijking was ontstaan van belang bij de beoordeling van het ongerechtvaardigde karakter van die verrijking. [… 6] bewerkstelligde langs bestuursrechtelijke weg dat huisarts [… 7] zijn vergunning verloor om een doktersapotheek te voeren. Op grond van de toenmalige Wet op de Geneesmiddelenvoorziening was uitgangspunt dat apothekers- en dokterspraktijk zoveel mogelijk moesten worden gescheiden. Beroepsorganisaties hadden zich in de zogenoemde BACO-overeenkomst verbonden om hun leden te bewegen huisartsenapotheken over te laten nemen tegen een vastgesteld tarief. [… 6] had [… 7] eerst een vergoeding geboden, maar toen [… 7] dit aanbod niet aanvaardde heeft [… 6] er via de bestuursrechtelijke weg voor gezorgd dat [… 7] zijn vergunning verloor. De klanten van [… 7] gingen toen over naar [… 6] . Toen [… 7] alsnog de vergoeding vroeg en [… 6] die weigerde, stelde [… 7] een verrijkginsvordering in. De Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat het stelsel dat de verrijking heeft veroorzaakt op de wet steunt, niet meebrengt dat [… 6] die verrijking mag behouden zonder [… 7] , voor zover dat redelijk is, diens schade te vergoeden. De kernoverweging is deze:
chilling effectin de vorm van een rem op innovatie tot gevolg hebben [78] . Het creëren van een dergelijke aansprakelijkheid is vanuit dat oogpunt dan uiteindelijk niet in het belang van de maatschappij als geheel en van de gezondheidszorg in het bijzonder. Een octrooihouder kan ook dan niet meer (te goeder trouw) uitgaan van de geldigheid van zijn verleende vooronderzochte octrooi en vertrouwen op zijn eigen inschatting dat een octrooi een eventuele nietigheidsprocedure zal overleven. Dit zal hoe dan ook invloed hebben op de bereidheid om bepaalde investeringen te doen. Bij het handhaven van een octrooi loopt de fabrikant dan immers het risico om blootgesteld te worden aan kostbare rechtszaken die niet alleen leiden tot afdracht van de winst, maar ook tot betaling van rentebedragen [79] . Dat grote maatschappelijke belang bij het vertrouwen in het octrooisysteem en het kunnen handhaven van octrooien is tevens tot uitdrukking gebracht in de Handhavingsrichtlijn [80] . Voorzienbaar is verder dat het creëren van een dergelijke aansprakelijkheid zal kunnen leiden tot een andere spreiding van risico’s bij de daardoor vergrote handhavingsrisico’s. Te denken valt aan een prijsopdrijvend effect voor andere succesvolle geneesmiddelen waarbij over de geldigheid van het octrooi geen twijfel of minder risico bestaat. Ook dat is uiteindelijk niet in het belang van de gezondheidszorg.
hetzelfde bedragaan schadevergoeding [81] . Omdat de verrijkingsaansprakelijkheid waar Menzis in dit geval aanspraak op maakt niet minder ver gaat dan de omvang van de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad die zij claimt, behoefde het hof wat dat betreft niet nader te motiveren dat ook de verrijkingsaansprakelijkheid in dit geval te ver zou gaan [82] . Deze zaak illustreert ook dat een verrijkingsaansprakelijkheid niet in alle gevallen minder vergaand is. Ook verrijkingsaansprakelijkheid kan een afschrikwekkende werking hebben.
CFS Bakel/Storkin deze zaak van toepassing heeft geacht. Dat arrest ging namelijk over de vraag of verrijking van een octrooihouder, die zich tegenover (potentiële) afnemers van zijn concurrent heeft beroepen op een achteraf vernietigd octrooi, in relatie tot deze concurrent een ongerechtvaardigd karakter heeft. Het arrest ging dus niet over de relatie tussen de octrooihouder en een zorgverzekeraar (zonder winstoogmerk, met de wettelijke taak om te zorgen voor goede en doelmatige zorg en beheersing van zorgkosten) onder de omstandigheden als in deze zaak, aangegeven in onderdeel 1.2 De rechtsregel uit het arrest mist hier toepassing.
CFS Bakel/Stork, verzoekt Menzis de Hoge Raad om op dit arrest terug te komen. Daarin is in de eerste plaats onvoldoende het principiële onderscheid gemaakt tussen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en aansprakelijkheid uit ongerechtvaardigde verrijking. In ieder geval is daartoe reden op de in de voorgaande subonderdelen aangevoerde gronden, aldus de vervolgklacht.
CFS Bakel/Storkmoet worden teruggekomen of gevarieerd en al helemaal niet in het geval van derden niet-concurrenten als zorgverzekeraars. Als al aanleiding kan worden gevonden om de aansprakelijkheidsregel (uit onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking) uit dat arrest aan te passen jegens een concurrent in het geval diens afnemers zijn gesommeerd (daar zie ik gelet op de geschetste laatste rechtsontwikkeling in Duitsland en Engeland wellicht mogelijkheden tot verder gaande aansprakelijkheid dan 17 jaar geleden is geoordeeld, maar dat is in deze zaak niet aan de orde), dan nog zou een variant van (risico)aansprakelijkheid jegens een zorgverzekeraar-
derdeeen veel verder gaande stap zijn met alle geschetste risico’s van dien en ik heb in 3.17 al aangegeven daar bepaald geen voorstander van te zijn. Het beroep op de in de voorgaande subonderdelen aangevoerde gronden is wat dat betreft niet meer dan een herhaling van zetten en het beroep daarop slaagt wat mij betreft niet op de aldaar aangegeven gronden.
CFS Bakel/Storkis bij de bespreking in onderdeel 1.1 van de kritiek op het arrest al de revue gepasseerd. Ik verwijs daar kortheidshalve naar.
subonderdeel 1.5gaat uit van de onjuiste lezing van rov. 5.17 dat het hof ervan is uitgegaan dat de betreffende overeenkomsten met Menzis zijn gesloten. Dat mist feitelijke grondslag.
niethet oog heeft op contracten tussen AstraZeneca en Menzis) dat het hof met zijn verwijzing naar de overeenkomsten waarbij AstraZeneca Seroquel ® XR heeft verkocht, heeft miskend dat (onder omstandigheden) alleen een rechtshandeling tussen een verrijkte en een verarmde en niet tussen de verrijkte en een derde een verrijking kan rechtvaardigen; althans dat in een geval als dit overeenkomsten met afnemers van de octrooihouder niet de verrijking jegens de derde-zorgverzekeraar kunnen rechtvaardigen. Althans is onvoldoende inzicht gegeven in ’s hofs gedachtegang, omdat niet valt in te zien waarom de bedoelde overeenkomsten de verrijking jegens Menzis kunnen rechtvaardigen.
derdedie geen partij is bij de overeenkomst kan niet steeds en zonder meer door de overeenkomst worden gerechtvaardigd [88] . Hiervoor wordt ook wel de term indirecte verrijkingsactie gebruikt. Ik bespreek een aantal arresten waarin de vraag aan de orde was of een overeenkomst tussen een verrijkte en een derde de verrijking ten koste van de verarmde kan rechtvaardigen.
[… 8] / [… 9]uit 2005 ging het om een geval waarin de waarde van een woning is vermeerderd als gevolg van investeringen door degene die daar krachtens een levenslang gebruiksrecht woonde (de verarmde) die daarvoor geen vergoeding had gekregen. De zaak is vervolgens door de eigenaar verkocht en geleverd aan een koper tegen een prijs die lager was dan de marktwaarde van de zaak. De koper genoot zodoende een voordeel. Dat voordeel vindt volgens de Hoge Raad in beginsel rechtvaardiging in de koopovereenkomst. Geoordeeld wordt dat de omstandigheid dat een derde (de verarmde) in het verleden op eigen kosten de zaak heeft verbeterd en daardoor in waarde heeft doen toenemen, in het algemeen niet meebrengt dat een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de koper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde. Voor de vraag of van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wegens bijzondere omstandigheden is van belang dat (i) als de verarmde geen aanspraak heeft op de verkoper, zij dat ook niet heeft op de latere koper, (ii) als de verarmde geen huurder is, art. 7:216 BW Pro niet kan worden toegepast, (iii) als de verrijkte zijn voordeel ontleent aan een gunstige overeenkomst in de familiesfeer, de bevoordelingsbedoeling van de verkoper dan mede de verrijking van de verrijkte rechtvaardigt, en (iv) als de verrijking van de bevooroordeelde koper al ongerechtvaardigd is, nog moet worden bezien of schadevergoeding redelijk is.
Ponzi-schemeuit 2011 ging het om een fraudeur die een piramidespel had opgezet. De fraudeur trok liquide middelen aan en beloofde beleggers hoge rendementen op leningen of beleggingen. De fraudeur belegde het geld vervolgens niet. Wanneer hij rente betaalde deed hij dat niet uit gegenereerde winsten, maar uit de inleg of uitleningen van andere deelnemers. De fraudeur faillieerde en de curator stelde een verrijkingsvordering in namens de schuldeisers tegen een deelnemer die een flinke winst had gemaakt wegens rentebetalingen door de fraudeur. De Hoge Raad overweegt dat het bestaan van een aan de verrijking ten grondslag liggende (rechtsgeldige) overeenkomst tussen de verrijkte en de verarmde in beginsel die verrijking rechtvaardigt, maar dat een verrijking van een partij bij een overeenkomst
ten koste van een derdeniet steeds en zonder meer wordt gerechtvaardigd door de overeenkomst. Dit laatste geldt in nog sterkere mate indien tussen de prestaties waartoe die overeenkomst verplicht een wanverhouding bestaat, zoals in dit geval in cassatie veronderstellenderwijs moest worden aangenomen. De Hoge Raad heeft hier in algemene bewoordingen geformuleerd dat
een overeenkomst met een derde niet steeds en zonder meer de verrijking rechtvaardigtterwijl een overeenkomst tussen de verrijkte en de verarmde dat in beginsel wel doet.
Bouwgros-arrest uit 2017 ging het om de vraag of een bankgarantie voor een bedrag van € 881.832,80 (twaalf maanden huur) afgegeven op verzoek van huurder Bouwgros door ABN AMRO ten gunste van verhuurder [… 10] de uiteindelijke verrijking van [… 10] rechtvaardigde. Bouwgros ging failliet en de curator zegde de huur op met inachtneming van een opzegtermijn ex art. 39 Fw Pro van drie maanden. ABN AMRO heeft het bedrag aan [… 10] betaald op grond van de bankgarantie en heeft haar vordering uit hoofde van de door Bouwgros aan haar verstrekte contragarantie verrekend met het op een bankrekening van Bouwgros bij haar geblokkeerde creditsaldo. De curator heeft zich hiertegen niet verzet, terwijl hij dit wel had kunnen doen. De curator spreekt vervolgens [… 10] aan uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad wijst de vordering af, omdat de ontvangst van [… 10] van een betaling waartoe zij in haar verhouding tot ABN AMRO gerechtigd was niet ongerechtvaardigd werd doordat ABN AMRO verhaal nam op de boedel en de curator dit niet verhinderde.
Ponzi-schemezijn naar wil voorkomen
bijzondereomstandigheden nodig om een beroep te kunnen doen op de overeenkomst met een derde ter rechtvaardiging van de verrijking. Het is niet zo dat de verrijkte altijd een slagend beroep toekomt op een overeenkomst met een derde ter rechtvaardiging van de opgetreden verrijking. Er is in dit stelsel ruimte gecreëerd om de bijzondere omstandigheden van het geval mee te wegen om tot een redelijke uitkomst te komen [90] .
past binnen het stelsel van de wet.
gelet op het stelsel van de wetde opgetreden verrijking kunnen rechtvaardigen en dat lijkt me ook toereikend gemotiveerd door het hof. Het staat vast dat de koopovereenkomsten tussen AstraZeneca en haar afnemers zijn gesloten en uitgevoerd vóórdat het octrooi werd vernietigd en de gehanteerde prijzen voor de verkoop van de geneesmiddelen zijn op het bestaan van een geldig octrooi gebaseerd. Als een geneesmiddelenfabrikant zich kan beroepen op een octrooi, kunnen generieke geneesmiddelen gedurende de looptijd daarvan de markt niet rechtsgeldig betreden en ligt de prijs van het geneesmiddel doorgaans hoger dan na afloop van het octrooi als generieke geneesmiddelen zijn toegestaan. Dit werkt vervolgens ook door in de koopovereenkomsten waarbij geneesmiddelen zijn verkocht aan de verzekerden, welke kosten door Menzis als zorgverzekeraar zijn vergoed.
caveat [98] die eerder onder ogen is gezien in de vorm van niet goed af te grenzen kringen van verrijkingsgerechtigden – met inbegrip van eenzelfde risico voor het spiegelbeeldige geval (zie 3.40) dat een aanvankelijk in eerste aanleg vernietigd octrooi leidt tot marktintroductie van generieke geneesmiddelen, die nadat in appel het octrooi wel overeind is gebleken (waarna die generieken weer van de markt moeten) tot onoverzichtelijke verrijkingsvorderingen zouden kunnen leiden van de octrooihouder richting genericaproducenten en zorgverzekeraars en andere derden. Het is geen stelsel dat recht doet aan de belangrijke notie van bevordering van de
rechtszekerheidin dit soort situaties, zodat ik daar geen voorstander van ben.
subonderdeel 1.8vormt een vervolg op de net besproken klachten en voert aan dat zelfs als gelet op art. 75 lid 6 ROW Pro zou moeten worden aangenomen dat de terugwerkende kracht van de vernietiging van een octrooi ook ten aanzien van derden zoals Menzis beperkt is, dit dan niet zonder meer betekent dat AstraZeneca de verrijking mag behouden. De enkele omstandigheid dat de verrijking steunt op de Rijksoctrooiwet brengt immers nog niet mee dat de verrijkte deze mag behouden zonder de schade, tot het bedrag van de verrijking en voor zover redelijk, te vergoeden, zo luidt deze klacht onder verwijzing naar
[… 6] [99] .
[… 6] / [… 7]niet op. Gezien werd (in 3.50-3.52) dat de enkele omstandigheid dat de verrijking steunt op de wet, volgens dit arrest niet meebrengt dat de verrijkte de verrijking mag behouden zonder gehouden te zijn de schade van de verarmde, voor zover dat redelijk is, te vergoeden. Een aparte beoordeling van de verrijkingsvordering is dan nodig. Deze beoordeling ligt hier naar wil voorkomen besloten in het oordeel over het voorbehoud van terugbetaling uit hoofde van billijkheidsoverwegingen.
subonderdeel 1.9is dat het hof in rov. 5.18 heeft miskend dat billijkheidsoverwegingen en/of omstandigheden die de terugbetaling rechtvaardigen zich in dit geval wel degelijk voordoen, waarbij wordt verwezen naar de omstandigheden genoemd in subonderdeel 1.2. Althans is zonder nadere toelichting volgens de motiveringsklacht onbegrijpelijk waarom dat niet zo is. Ook heeft het hof in de laatste volzin van rov. 5.18 volgens de tweede rechtsklacht miskend dat indien AstraZeneca geen verwijt kan worden gemaakt van het beroep op het octrooi, dit niet (extra) pleit tegen afwijking van het bedoelde uitgangspunt van de wetgever; hooguit geldt dat indien AstraZeneca wél een verwijt kan worden gemaakt, dit (extra) vóór het aannemen van een billijkheidsoverweging zou pleiten.
subonderdeel 2.1over een onjuiste maatstaf in rov. 5.9. Bij de vraag of de octrooihouder een verwijt kan worden gemaakt, moet niet worden onderzocht of ‘de niet-inventiviteit voor de hand lag’, zoals het hof heeft overwogen. Beoordeeld moet worden of de octrooihouder wist, dan wel diende te beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure.
geen risicoaansprakelijkheid’ overwogen dat het feit dat het octrooi is vernietigd op de grond dat de geclaimde uitvinding voor de gemiddelde vakman voor de hand lag, niet impliceert dat AstraZeneca ook wist dat die uitvinding niet inventief was. Het hof respondeert hiermee op het betoog van Menzis dat in de nietigheidsprocedures door het hof is geoordeeld dat de ontwikkeling van een XR-formulering van quetiapine met behulp van HPMC als geneesmiddel ‘voor de vakman voor de hand lag’ en dat hieruit volgt dat voor AstraZeneca evident was, althans in redelijkheid niet voor discussie vatbaar, dat Seroquel ® XR inventiviteit ontbeerde. Volgens Menzis heeft AstraZeneca om die reden onrechtmatig gehandeld jegens Menzis door zich tegen beter weten in te blijven beroepen op een octrooi waarvan zij wist dan wel diende te beseffen dat dit aan een serieuze kans op vernietiging blootstond wegens het ontbreken van inventiviteit [105] . Het hof deelt die opvatting van Menzis niet en overweegt dat het feit dat inmiddels in rechte is vastgesteld dat de geclaimde uitvinding voor de hand lag, wat anders is dan dat vast staat dat de niet-inventiviteit voor AstraZeneca destijds voor de hand lag (en zij zich dus zou hebben schuldig gemaakt aan handhaven tegen beter weten in).
geen verwijtbaarheid’in rov. 5.10-5.13 beoordeeld of AstraZeneca wist, dan wel diende te beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure. Dat beoordeelt het hof in afwijzende zin. Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof de vraag of de voormalige octrooihouder hier een verwijt kan worden gemaakt, wel degelijk beantwoord aan de hand van de juiste maatstaf; omdat die uitwerking volgt in rov. 5.10-5.13 ontbeert rov. 5.9 in die zin ook zelfstandig dragende betekenis.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel in rov. 5.12 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof oordeelt, zijn de motivatie en succesverwachting van de gemiddelde vakman niet relevant, althans niet doorslaggevend bij de vraag of AstraZeneca wist of moest beseffen dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure. In elk geval heeft het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Menzis heeft gesteld dat AstraZeneca (zelfs) in de nietigheidsprocedure geen enkele inventiviteitsclaim aanvoerde, maar slechts betoogde dat de vakman niet gemotiveerd zou zijn geweest om een XR-formulering van quetiapine te ontwikkelen en geen redelijke verwachting van succes zou hebben gehad. Daaruit volgt volgens Menzis dat al op 27 mei 1997, ten tijde van de aanvraag van het octrooi, en
a fortioriin de periode van 24 maart 2012 tot 10 juni 2014 voor AstraZeneca evident was, althans in redelijkheid niet voor discussie vatbaar dat Seroquel ® XR inventiviteit ontbeerde [106] . In het licht van deze stellingen valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat AstraZeneca ten tijde van de octrooiaanvraag, althans in de betreffende periode, niet wist of moest beseffen dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure.
subonderdeel 2.3wordt daar de klacht aan toegevoegd dat als het hof heeft gemeend dat Menzis zich er slechts op heeft beroepen dat AstraZeneca’s stelling over de motivatie en succesverwachting van de gemiddelde vakman evident onhoudbaar was, het hof is uitgegaan van een onbegrijpelijke want te beperkte uitleg van de stellingen van Menzis. De in subonderdeel 2.2. aangeduide stellingen zijn alleen zo te begrijpen dat zij ook heeft aangevoerd dat uit het gegeven dat AstraZeneca zelfs in de nietigheidsprocedure geen inventiviteitsclaim heeft aangevoerd, maar alleen gebrek aan motivatie en gebrek aan redelijke succesverwachting aangevoerd, moet worden afgeleid dat zij wetenschap bezat dat er gerede kans was dat het octrooi zou sneuvelen in oppositie of een nietigheidszaak.
a more convenient dose regimen would be beneficial’. Het hof overweegt in de laatste zin van rov. 5.12 uitdrukkelijk dat Menzis ‘niet en zeker niet voldoende gemotiveerd’ heeft aangevoerd dat de genoemde stelling van AstraZeneca
om andere inhoudelijke redenenevident onhoudbaar was. Dus het ging om dit aspect.
‘motivation’ en ‘
reasonable expectation of succes’zijn bij dit soort farmaceutische octrooien (bijvoorbeeld voor een nieuwe zoutvorm van een bekende werkzame stof of een nieuwe doseringsvorm zoals in onze zaak) bij uitstek relevante, richtinggevende toetsstenen voor de inventiviteitsbeoordeling daarvan. Een duidelijke lijn in de rechtspraak over dit soort octrooien is dat inventiviteit ontbreekt als het voor de vakman voor de hand ligt om routinematig onderzoek te doen met een redelijke succesverwachting (‘
obvious to try with a reasonable expectation of succes’) naar een bepaalde doseringswijze of toedieningsvorm, hetgeen lang niet altijd zo is, bijvoorbeeld omdat er in vakkringen een ‘vooroordeel’ bestaat dat zoiets bij dit type geneesmiddelen niet werkt [109] . Het is niet nodig dat de uitkomst ervan kan worden voorspeld, voldoende dodelijk voor het inventiviteitsgehalte van dit soort uitvindingen is al dat de gemiddelde vakman een dergelijk routineonderzoek zou uitvoeren met een redelijke succesverwachting. Het is dan ook om die reden dat AstraZeneca de inventiviteit van het geneesmiddel verdedigde met haar stellingen over motivatie en succesverwachting. Als Menzis dan aanvalt ten betoge dat AstraZeneca wist/behoorde te weten dat het octrooi inventiviteit ontbeerde met: AstraZeneca’s positie dat de vakman niet gemotiveerd zou zijn om een XR-formulering te ontwikkelen en dat hij geen redelijke verwachting van succes zou hebben gehad is niet houdbaar gelet op de door het hof in de nietigheidszaak destijds aangenomen meest nabije stand van de techniek, namelijk Gefvert c.s. (
‘a more convenient dose regimen would be beneficial’), dan heeft het hof op juiste wijze onderzocht of
dat enkele gegevenal genoeg was om te oordelen dat AstraZeneca destijds moest begrijpen dat inventiviteit ontbrak. Die toets voert het hof uit in rov. 5.12 met als uitkomst: uit de conclusie van Gefvert c.s. volgt niet zonder meer motivatie en redelijke verwachting van succes voor de gemiddelde vakman, mede gelet op wat AstraZeneca over die motivatie en succesverwachting heeft aangevoerd (een feitelijk hofoordeel). Ten overvloede geeft het hof vervolgens nog aan dat de inventiviteit in het nietigheidsoordeel van het hof in 2014 ‘ook niet – laat staan uitsluitend – gebaseerd [is] op die conclusie van Gevert c.s.’. Van blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering is hier helemaal geen sprake. Daar ketsen deze klachten op af.
Subonderdeel 2.4klaagt over het oordeel in rov. 5.13 dat AstraZeneca hier voor de geldigheid in beginsel mocht varen op het geldigheidsoordeel van de Haagse rechtbank in eerste aanleg. Dat is volgens de rechtsklacht onjuist, omdat de vraag of de octrooihouder hier verwijtbaar heeft gehandeld afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder, bij een Europees octrooi als het onderhavige, de inmiddels gewezen Engelse nietigheidszaak. Met zijn oordeel heeft het hof een te hoge drempel opgeworpen voor het aannemen van verwijtbaarheid. Voor zover het hof heeft gemeend dat aan de motivering van het oordeel van de Nederlandse bodemrechter ten opzichte van dergelijke geldigheidsoordelen van buitenlandse rechters meer gewicht toekomt, is dat oordeel eveneens rechtens onjuist. Dit kan niet worden aanvaard als het octrooi in kwestie een Europees octrooi is, dat gelding heeft (gehad) in diverse Europese landen. Althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat Menzis heeft aangevoerd dat het octrooi op 22 maart 2012 door de Engelse bodemrechter in Engeland nietig is verklaard bij gebrek aan inventiviteit en in die uitspraak een deel van de wetenschappelijke onderbouwing van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2012 al onderuit is gehaald. Volgens Menzis moest AstraZeneca op dat moment beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat het octrooi geen stand zou houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure. Dat moest zij al helemaal beseffen toen de ene na de andere Europese rechter – in navolging van het
Patents Court– het octrooi eveneens ongeldig verklaarde [110] . In het licht van deze stellingen valt zonder toelichting niet in te zien dat er in de periode van 24 maart 2012 tot 10 juni 2014 geen enkel moment is aan te wijzen waarop AstraZeneca dat wist of moest beseffen.
Subonderdeel 2.5is vervolgens gericht tegen de passage uit rov. 5.13 dat daar bij komt dat de buitenlandse rechters die in de relevante periode uitspraak hadden gedaan over de geldigheid van het octrooi in meerderheid tot hetzelfde oordeel zijn gekomen als de Nederlandse rechter. Dat geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat kennelijk is beoordeeld of aan het einde van de relevante periode de meerderheidsopvatting onder Europese rechters strookte met de uitspraak van de Nederlandse bodemrechter. Het hof had echter moeten nagaan of AstraZeneca op enig moment in de periode 24 maart 2012 tot 10 juni 2014 wist of moest beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans op ongeldigheid was. Daarbij komt aan het oordeel van de Nederlandse bodemrechter niet meer gewicht toe dan aan de oordelen van andere Europese rechters en is de meerderheidsopvatting ook niet beslissend. Althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. In het licht van de in subonderdeel 2.4 genoemde stellingen valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat er in de relevante periode geen enkel moment is aan te wijzen waarop AstraZeneca wist of moest beseffen dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans op ongeldigheid was.
Subonderdeel 2.6bevat een voortbouwklacht die niet tot afzonderlijke bespreking noopt, zodat ook onderdeel 2 niet tot cassatie kan leiden in mijn ogen.
Onderdeel 3bestaat uit twee subonderdelen en is gericht tegen het bij de behandeling van onderdeel 1 al uitvoerig besproken oordeel in rov. 5.1-5.8 dat de vernietiging van het octrooi niet voor risico van AstraZeneca komt. Na de betogen in de inleiding en bij de bespreking van onderdeel 1 (m.n. subonderdelen 1.1-1.3) zal niet verbazen dat ik deze klachten niet op zie gaan – voor zover de hier voorgedragen klachten al niet een herhaling van zetten vormen van onderdeel 1. Het hof is terecht tot het oordeel gekomen dat de hoofdlijn uit
[… 2] / [… 3]en
CFS Bakel/Storkdient te worden gehandhaafd – en al helemaal in relatie tot een zorgverzekeraar/niet concurrent als Menzis.
subonderdeel 3.1is miskend dat wel degelijk een risicoaansprakelijkheid van de octrooihouder moet worden aangenomen in een rechtsverhouding zoals in deze zaak. Voor zover de onjuiste rechtsopvatting van het hof uit het arrest
CFS Bakel/Storkzou voortvloeien, wordt andermaal (net als in subonderdeel 1.3) verzocht om op dat arrest terug te komen – of eigenlijk meer: daar een vergaande variant op aan te nemen. Menzis betoogt dat de motivering van het hof in rov. 5.2-5.8 niet kan overtuigen. De argumenten daarvoor zijn grotendeels een herhaling van zetten uit onderdeel 1.
CFS Bakel/Storkop de wijze die Menzis in deze zaak bepleit ten opzichte van derden-zorgverzekeraars zie ik geen aanleiding, zoals uitvoerig aangegeven in de inleiding en bij de bespreking van subonderdeel 1.3, waar ik kortheidshalve naar verwijs.
chilling effectzwaarder wegen.
chilling effecten dat is ook niet in het belang van de gezondheidszorg. Dit lijkt mij temeer gelden als niet alleen concurrenten, maar ook een potentieel grote groep niet-concurrenten een dergelijke vordering zouden kunnen instellen.
CFS Bakel/Stork– te weten beloning van innovatie en onderzoeksinspanningen en investeringen – zich aanzienlijk minder doen gevoelen in het geval dat de octrooihouder na 25 jaar bescherming van de werkzame stof octrooibescherming blijft pretenderen op een XR-formulering en dit octrooi wegens het ontbreken van inventiviteit wordt vernietigd. Dat het octrooi in kwestie niet de werkzame stof betreft, maar een nieuwere afgifteformulering, doet daar volgens de klacht niet aan af.
an sichniet maakt dat risicoaansprakelijkheid moet worden aangenomen. Daar pleit veel te veel tegen, zoals uiteengezet in de inleiding en bij de bespreking van onderdeel 1. Ik verwijs verder naar de hierna volgende bespreking van onderdeel 3.2.
Ciba Geigy/ [… 1] [113] aangenomen risicoaansprakelijkheid niet naar analogie van toepassing is.
de factorisicoaansprakelijkheid uit
Ciba Geigy/ [… 1]buiten de gevallen waar dit arrest voor is gewezen, kort gezegd: formele handhaving jegens directe concurrenten.
Subonderdeel 3.2is gericht tegen rov. 5.3 en klaagt dat de overweging dat de positie van Menzis niet wezenlijk verschilt van de positie van de concurrent in de zaak die tot het arrest
CFS Bakel/Storkheeft geleid onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Menzis heeft aangevoerd dat een zorgverzekeraar, anders dan een directe concurrent, geen reële mogelijkheid heeft om een geneesmiddel op de markt te brengen en/of de octrooiaanspraak ter discussie te stellen, maar wel de financiële consequenties van de onrechtmatige octrooiaanspraak moet dragen. Het hof heeft bovendien overwogen dat zorgverzekeraars zoals Menzis op grond van de Zorgverzekeringswet de taak hebben om te zorgen voor goede en doelmatige zorg en zorgkosten waar mogelijk te beheersen. In het licht van deze stellingen en overwegingen heeft het hof de positie van Menzis in rov. 5.3 niet, althans niet zonder nadere toelichting, op een lijn kunnen stellen met de positie van de directe concurrent in de zaak
CFS Bakel/Stork.
CFS Bakel/Storkten aanzien van de mogelijkheid om het octrooi te negeren. Het hof heeft overwogen dat zowel Menzis als de concurrent Stork de optredende schade niet konden voorkomen door het octrooi te negeren. Dit in respons op de stelling van Menzis dat het niet hebben van een reële keuze in de vorm van het negeren van het octrooi nog sterker voor een zorgverzekeraar als Menzis geldt dan voor directe concurrent Stork [114] . Het hof heeft dus niet overwogen dat de positie van Menzis in alle opzichten gelijk te stellen is met de positie van Stork en heeft daarmee ook niet onvoldoende acht geslagen op de specifieke kenmerken van Menzis als zorgverzekeraar. Ik verwijs daarbij naar rov. 5.4 waar het hof de belangen van een goede en betaalbare zorg die Menzis behartigt in zijn afweging heeft betrokken.
Bayer/Richterprejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden aan het HvJ EU om te weten hoe zich een dergelijke aansprakelijkheid zou verhouden tot dit arrest. Aangezien zo’n aansprakelijkheid, in de verrijkingssleutel of anderszins, van een octrooihouder jegens een derde in een situatie als in de onderhavige zaak aan de orde op een grotere
de factorisicoaansprakelijkheid neer zou komen dan in
Ciba Geigy/ [… 1]aan de orde was, is het gelet op de problematiek geschetst in 3.3-3.4 van deze conclusie wellicht verstandig om daarover op
Mylanvoortbouwende aanvullende prejudiciële vragen te stellen aan het Luxemburgse Hof. Uit de inleiding zal duidelijk zijn dat ik die noodzaak gelet op hetgeen ik in mijn bijdrage aan de Van Nispen-bundel heb geschreven niet aanstonds zie, omdat mij een
acte clairlijkt dat de
Ciba Geigy/ [… 1] –executieaansprakelijkheid (of een nog striktere aansprakelijkheid) niet door
Bayer/Richtergeraakt wordt. Maar of dat ook inderdaad klopt voor de Nederlandse situatie, horen we vermoedelijk binnenkort uit Luxemburg als de Finse
Mylan-verwijzing wordt beantwoord. Bij die stand van zaken zou onder ogen kunnen worden gezien of aansluitend op de in 3.4 weergegeven Finse
Mylan-vragen aanvullende vragen gesteld zouden moeten worden die precies zijn toegesneden op het stelsel dat de Hoge Raad dan voor ogen zou staan om er zeker van te zijn dat dat stelsel spoort met de Handhavingsrichtlijn. Mij lijkt de vraag of art. 9 lid 7 Hrl Pro wel toepassing vindt in de relatie Menzis – AstraZeneca, omdat die bepaling ziet op een actie van de gelaedeerde verweerder, dus aan wie een voorlopige maatregel (kortgedingverbod) was opgelegd [116] . Dat is in onze zaak niet Menzis, maar Sandoz. Bij die stand van zaken zie ik af van het formuleren van een vraagvoorstel; daartoe is zijdens partijen eventueel ruimte in hun Borgersbrieven, zo dat gewenst zou voorkomen.
CFS Bakel/Storkgeen werkelijke tegenstelling lijkt te zijn) niet dient te worden afgeweken van het in de combinatie van de arresten
CFS Bakel/Storken
Ciba Geigy/ [… 1]besloten liggende evenwichtige aansprakelijkheidsstelsel (met de hiervoor in 3.17 gemaakte kanttekening). Dat doet volgens mij het meest recht aan het grote belang dat in onze huidige maatschappij terecht gehecht wordt aan innovatie hetgeen uiteindelijk ook in het belang is van een toegankelijke zorg, welke notie ook is neergelegd in de Handhavingsrichtlijn (preambule 1 en 3). Aansprakelijkheid jegens derden brengt te veel complicaties en rechtsonzekerheid mee, bijvoorbeeld in spiegelbeeldige gevallen als in de Fulvestrantzaak aan de orde was, met als belangrijkste gevaar een
chilling effectop die innovatie. Er is mij ook geen buitenlands stelsel bekend dat ook maar in de buurt komt van wat Menzis in deze zaak bepleit. Dat lijkt mij echt een brug te ver en is ook niet noodzakelijk om de (relatief beperkte) risico’s die een zorgverzekeraar als Menzis hier loopt goeddeels te ecarteren. Zoals ik in deze conclusie heb aangegeven, kan dat ook binnen ons huidige stelsel goeddeels worden bereikt, waarbij dan wel van zorgverzekeraars een meer actieve rol wordt verwacht, al zal nooit helemaal uit te sluiten zijn dat bij een gekozen risicoverdeling in voorkomende gevallen minder aansprekende gevolgen optreden – maar niet in de vorm van een loterij zonder nieten voor zorgverzekeraars, zoals Menzis in wezen voorstaat. Per saldo is het huidige stelsel naar mij voorkomt het meest evenwichtig.