Conclusie
1.Feiten
(…)Kabel of leiding NIET gevondenKan een kabel of leiding niet in het zoekgebied worden gevonden, dan moeten er aanvullende acties worden uitgevoerd. Hiervoor zijn de volgende mogelijkheden:
verder zoeken tot 1 meter aan weerszijden van de theoretische ligging, ook wanneer daarmee de grens buiten het zoekgebied van de grondroering komt, of;
werken zoals in een risicogebied, zie kennisthema Grondroeren nabij kabels en leidingen, of;
in contact treden met de netbeheerder. De netbeheerder komt met een passende oplossing om de grondroering uit te kunnen voeren. Het kan nodig zijn dat de netbeheerder de kabel of leiding lokaliseert. Blijkt het een afwijkende situatie te zijn, handel dan zoals omschreven in kennisthema Afwijkende situatie.
4.Grondroeren nabij kabels en leidingen
Het gebied 1,00 meter (links-rechts) uit de buitenkant en 0,50 meter boven de buitenkant van de kabel of leiding, waarvan de werkelijke ligging bepaald (en in het veld gemarkeerd) is.
Het gehele graafprofiel als aanwezige kabels en leidingen niet vooraf zijn gelokaliseerd.
Aanwezigheid kabels en leidingen(...) Op de bijgevoegde tekening(en) is aangegeven waar de kabels en leidingen zich bevinden. De tekeningen zijn uitsluitend gebaseerd op de leggingsgegevens voor zover die bij ons bekend zijn. De exacte ligging, zowel in horizontale (x,y) als verticale (z) richting, kan door tal van oorzaken, waar op wij geen invloed hebben, afwijken. Het is belangrijk dat u altijd de exacte ligging lokaliseert (...).
, dan bent uverplichtminimaal drie werkdagen voordat u begint contact met ons op te nemen.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
alternatievemogelijkheden voorschrijft, waaronder het werken zoals in een risicogebied. Volgens het hof heeft Liander niet betwist dat Krinkels voor dat laatste heeft gekozen. Richtlijn CROW 500 verplicht grondroerders volgens het hof dus
niet altijdom aanwezige kabels te hebben gelokaliseerd voordat de grondroerder kan beginnen met zijn werkzaamheden. Het hof heeft in deze overwegingen een groot belang toegekend aan de bewoordingen van Richtlijn CROW 500 en geoordeeld dat Liander te weinig feitelijkheden heeft gesteld voor een andere uitleg van Richtlijn CROW 500:
”
de factozoals door Liander bepleit.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
moetvaststellen, ga ik bij de bespreking van subonderdeel 2.2 in (zie randnummer 3.10 hierna).
nietkan worden gevonden. Eén mogelijkheid voor aanvullende actie houdt in dat gewerkt zal worden zoals in een risicogebied en verwijst voor een toelichting op deze mogelijkheid naar hoofdstuk 4 (‘Grondroeren nabij kabels en leidingen’) van deel 2 van Richtlijn CROW 500. [21] Volgens hoofdstuk 4 van deel 2 van Richtlijn CROW 500 is het risicogebied het gehele graafprofiel als aanwezige kabels en leidingen niet vooraf zijn gelokaliseerd en is het mogelijk om te grondroeren binnen het risicogebied door lokalisatiemethoden te combineren met het grondroeren. [22]
in de ontwerpfaseniet heeft gelokaliseerd, dat zij bij de uitvoering van het project als grondroerder in een risicogebied heeft gewerkt en daarbij schade aan Lianders kabel heeft veroorzaakt, en dat zij geen contact met Liander heeft opgenomen over het feit dat zij de kabel niet kon vinden en (ii) ten onrechte heeft nagelaten om het verwijt van Liander dat Krinkels
in de ontwerpfaseniet heeft gelokaliseerd te onderzoeken, terwijl dit een essentiële stelling is. Subonderdeel 2.1 bevat ook een voortbouwklacht.
geen poging heeft gedaanom de kabel te lokaliseren in de ontwerpfase. Om misverstanden te voorkomen: dit is een ander verwijt dan het verwijt dat Krinkels de kabel in de ontwerpfase
niet heeft gevonden. In deze welwillende lezing klaagt het subonderdeel (ook) erover dat het hof het volgens Liander gemaakte verwijt dat Krinkels de kabel in de ontwerpfase
niet heeft geprobeerd te lokaliseren, heeft miskend, en dat het hof dat verwijt ten onrechte niet heeft onderzocht. Dat Liander dit verwijt aan Krinkels zou hebben gemaakt, mist echter feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak en in de gedingstukken (art. 419 lid 2 Rv Pro): het hof heeft de gedingstukken zo uitgelegd dat Liander Krinkels heeft verweten dat de kabel nooit
is gelokaliseerd, ook niet in de ontwerpfase, en dat Krinkels toch haar werkzaamheden heeft uitgevoerd met beweerdelijk schade voor Liander als gevolg. Het hof heeft die stellingen kennelijk niet zo uitgelegd dat Liander Krinkels heeft verweten dat Krinkels ten onrechte in de ontwerpfase of later de kabel niet
heeft geprobeerd te lokaliseren. Mijns inziens is dat gelet op het gehele partijdebat in feitelijke instanties geen onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Liander. [24] Sterker nog: in feitelijke instanties heeft Liander
zelfaangevoerd dat het doen van een poging om de kabel te lokaliseren niet genoeg en irrelevant is, en dat enkel van belang is dat de kabel daadwerkelijk wordt gevonden. [25] Ook Krinkels is van de hiervoor genoemde uitleg van de stellingen van Liander uitgegaan. [26] Geheel in overeenstemming met het voorgaande heeft Liander in haar memorie van grieven geen bezwaren geuit tegen het ontbreken in het vonnis van de kantonrechter van een antwoord op de vraag of Krinkels
(ten onrechte) niet heeft geprobeerd de kabel te lokaliseren in de ontwerpfase.
geen poging heeft gedaanom in de ontwerpfase de kabel te lokaliseren in de procesinleiding moeten worden gelezen én zelfs al zou die klacht op zich terecht zijn, dan bestaat er mijns inziens geen belang bij deze klacht, omdat het condicio-sine-qua-non-verband tussen het al dan niet terechte verwijt dat deze klacht aan de orde stelt en de beweerdelijke schade om de volgende drie redenen, in samenhang bezien, niet kan komen vast te staan. [27] Ten eerste, op de afwezigheid van een condicio-sine-qua-non-verband heeft Krinkels zich in feitelijke instanties en in cassatie beroepen. [28] Ten tweede, op voorhand is voldoende aannemelijk dat Krinkels de kabel ook in de ontwerpfase niet zou hebben gevonden met een spuitlans en dus dat een poging daartoe in die fase geen enkel verschil zou hebben uitgemaakt. Krinkels heeft immers onbetwist (althans onvoldoende betwist) gesteld dat zij de kabel vóór de uitvoering van de werkzaamheden en na afloop daarvan heeft geprobeerd te lokaliseren met een spuitlans maar dat zij de kabel niet daadwerkelijk heeft gevonden. [29] In lijn daarmee heeft het hof in rov. 4.8. en 6.15. geoordeeld – zij het wat impliciet – dat Krinkels dit heeft geprobeerd. Tegen dit oordeel zijn geen succesvolle klachten in cassatie gericht (zie randnummers 3.41-3.49 hierna), zodat van dit oordeel moet worden uitgegaan. Ten derde, het hof heeft geoordeeld dat Liander onvoldoende heeft onderbouwd dat Krinkels bij haar werkzaamheden in het risicogebied onzorgvuldig is geweest door gebruik te maken van een spuitlans zonder T-stuk (rov. 6.15.), en daartegen zijn geen succesvolle klachten gericht (zie randnummers 3.41-3.49 hierna), zodat ook van dit oordeel moet worden uitgegaan. Dit oordeel volgde op het partijdebat over de vraag of het gebruik maken door Krinkels van (enkel) een spuitlans zonder T-stuk (ter lokalisering van de kabel) zorgvuldig was en de beweerdelijke schade heeft veroorzaakt en op het partijdebat over de vraag hoe het lokaliseren moest plaatsvinden, [30] waarbij geldt dat Liander in haar conclusie van repliek en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft toegegeven dat het lokaliseren met een spuitlans moest plaatsvinden. [31]
Liander/ […]onder omstandigheden overigens wel mogelijk, maar in beginsel moet de feitenrechter in een geval als het onderhavige volgens dat arrest aansluiten bij Richtlijn CROW 500. [32] Ik meen dat daarbij wel de beperking van art. 24 Rv Pro geldt: anders dan Liander aanvoert, [33] kan van de feitenrechter niet verlangd worden om bij de invulling van zorgplichten van grondroerders en netbeheerders aan te sluiten bij onderdelen van Richtlijn CROW 500 die geen onderdeel zijn geweest van het partijdebat in feitelijke instanties, mede gelet op het belang van hoor en wederhoor. Richtlijn CROW 500 is geen recht in de zin van art. 25 Rv Pro of art. 79 RO Pro. In hoeverre Richtlijn CROW 500 in een concrete zaak in beeld komt en hoe de inhoud van Richtlijn CROW 500 wordt vastgesteld, is dus sterk afhankelijk van keuzes van partijen bij het partijdebat in feitelijke instanties. [34] Dat brengt mee dat uitspraken van rechters in concrete zaken over de inhoud van Richtlijn CROW 500 niet zonder meer richtinggevend zijn voor andere concrete zaken waarin de rechter de inhoud van Richtlijn CROW 500 vaststelt, hoezeer dat ook valt te betreuren vanuit het perspectief van het bieden van rechtszekerheid. Richtlijn CROW 500 leidt dus niet tot volledige rechtszekerheid voor de graafsector, hoewel het vergroten van rechtszekerheid wél mede de achtergrond is geweest van het in
Liander/ […]door Uw Raad aanvaarde regime waarin de feitenrechter in beginsel bij Richtlijn CROW 500 moet aansluiten. Tegelijkertijd moet worden bedacht dat ook wanneer Richtlijn CROW 500 wél recht zou zijn geweest een bepaalde rechtsonzekerheid onvermijdelijk is: óók de invulling van
rechtsregelskan immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval zoals partijen die onder de aandacht brengen (zie randnummers 3.21-3.22 hierna).
categorischverplicht tot het opnemen van contact met een netbeheerder als een kabel (in de ontwerpfase) niet kan worden gelokaliseerd. [37] Dit oordeel heeft het hof gemotiveerd met een verwijzing naar de tekst van Richtlijn CROW 500 die niet onbegrijpelijk geen categorische verplichting tot het voeren van overleg met de netwerkbeheerder stelt als een kabel niet kan worden gelokaliseerd, maar in dit verband juist drie
alternatievemogelijkheden voor verplichte aanvullende actie geeft (rov. 4.5., 6.6. en 6.9.-6.10.). [38]
bij de uitvoering van de graafwerkzaamhedente werken zoals in een risicogebied, zoals het hof ook niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld. [41] Het subonderdeel voert aan dat de drie alternatieve mogelijkheden voor aanvullende actie geen betrekking hebben op de situatie waarin in de ontwerpfase een kabel niet wordt gevonden, maar de procesinleiding vermeldt niet of, en zo ja, waar Liander in feitelijke instanties dit heeft aangevoerd, waardoor het subonderdeel in zoverre niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [42] Integendeel: in feitelijke instanties heeft Liander zelf gesteld dat de drie mogelijkheden voor aanvullende actie gelden voor de situatie waarin een kabel voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden niet wordt gevonden. [43] Verder valt niet in te zien dat aan de begrijpelijkheid van de in dit randnummer genoemde oordelen van het hof (zonder meer) in de weg staat dat (1) de ontwerpfase van Richtlijn CROW 500 zou strekken tot het bereiken van bepaalde resultaten waarvoor lokalisatie van kabels nodig is of kan zijn of dat (2) één van de mogelijke aanvullende acties inhoudt dat de grondroerder in een risicogebied grondroeren en lokaliseren kan combineren, [44] nog daargelaten of Liander dit in feitelijke instanties heeft aangevoerd.
altijdkabels (in de ontwerpfase)
te vindenof om
altijdcontact op te nemen met een netbeheerder als dat niet lukt, gelet ook op de tekst van andere passages van Richtlijn CROW 500 waarnaar het hof in rov. 6.6. heeft verwezen. Anders dan Liander aanvoert, levert het niet daadwerkelijk kunnen lokaliseren van een kabel in de ontwerpfase niet noodzakelijkerwijs een onduidelijkheid op waarvoor volgens Richtlijn CROW 500 een overlegplicht kan bestaan. [45] Dat iets niet gevonden kan worden, betekent niet per definitie dat overleg nodig is omdat de situatie onduidelijk is.
Binnen het risicogebied is de grondroerder verplicht ervoor te zorgen dat de grondroering veilig wordt uitgevoerd zonder schade aan de aanwezige kabels en leidingen.” [46] Verder zou het onbegrijpelijk zijn dat het hof zijn uitleg heeft gemotiveerd met de bewoordingen van Richtlijn CROW 500 “
in samenhang bezien”, nu het hof niet nader heeft gemotiveerd waarom daaruit niet de door Liander verdedigde uitleg volgt. Bovendien zou het hof een ongeldige althans oncontroleerbare uitlegmaatstaf hebben gehanteerd door alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en ten onrechte niet te benoemen welke omstandigheden relevant zijn geweest. Gelet op dit alles zou het hof ten slotte de inhoud van Richtlijn CROW 500 hebben miskend en een rechtens onjuist oordeel hebben gegeven door ongemotiveerd af te wijken van Richtlijn CROW 500.
In beginselzijn daarom de bewoordingen van Richtlijn CROW 500, gelezen in het licht van de gehele tekst van Richtlijn CROW 500, van doorslaggevende betekenis. [49] Maar zoals ik in die recente conclusie al opmerkte, sluit de CAO-norm niet uit dat de rechter bij de uitleg van Richtlijn CROW 500 rekening houdt met de strekking en bedoeling van (onderdelen van) die Richtlijn, voor zover de rechter die naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Ook is het denkbaar dat uit de tekst van Richtlijn CROW 500 de bedoeling van de opstellers van deze Richtlijn bij een specifieke passage naar objectieve maatstaven kan worden afgeleid. Niet uitgesloten is dat aan die specifieke bedoeling betekenis toekomt. [50] Ten slotte staat de CAO-norm ook niet in de weg aan het toekennen van betekenis aan bepaalde andere factoren, zoals de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg. [51]
Haviltex- of de CAO-maatstaf – in een concreet geval aan de orde is. [53] De omstandigheid dat de invulling van zorgplichten van grondroerders en netbeheerders bij graafwerkzaamheden aan de orde is en de omstandigheid dat Richtlijn CROW 500 met het oog op een uniforme concretisering van die zorgplichten en het voorkomen van schadegevallen is ontwikkeld, brengen mijns inziens mee dat de CAO-norm voor Richtlijn CROW 500 als uitlegmaatstaf geldt. Deze omstandigheden kunnen daarmee een aantal voor een andere uitlegmaatstaf relevante omstandigheden ‘uitschakelen’, zoals de subjectieve en niet voor derden kenbare bedoeling van een individu dat betrokken was bij het opstellen van Richtlijn CROW 500. Dat laatste is in deze zaak niet relevant voor de uitleg van Richtlijn CROW 500.
veilig” te werken in een risicogebied, waarnaar het hof in rov. 4.5. en 6.7. van het bestreden arrest heeft verwezen. Wat “
veilig” is, zal in voorkomende gevallen (onder meer) kunnen afhangen van omstandigheden van het geval en een afweging van kelderluikfactoren. Met kelderluikfactoren kan rekening worden gehouden, omdat bij de uitleg van Richtlijn CROW 500 gewicht kan toekomen aan de algemene strekking en bedoeling van deze Richtlijn die gezien haar aard bestaan uit een uniforme concretisering van de zorgplichten van partijen, en dus een afweging van kelderluikfactoren, waardoor schadegevallen ook kunnen worden voorkomen. In mijn hiervoor genoemde conclusie heb ik uitgebreider toegelicht dat kelderluikfactoren op deze wijze een rol kunnen spelen bij de uitleg van Richtlijn CROW 500. [55] Kelderluikfactoren kunnen dus via de strekking en bedoeling van Richtlijn CROW 500 omstandigheden van het geval bij de uitleg van Richtlijn CROW 500 aan de orde stellen. Deze interactie tussen kelderluikfactoren en omstandigheden van het geval concretiseert (sommige) normen uit Richtlijn CROW 500.
Haviltex-maatstaf als de CAO-norm geldt dat telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [60] Dat uitgangspunt is ook voor een geval als het onderhavige juist. Zie randnummers 3.21-3.22 hiervoor. [61]
alleomstandigheden van het geval in aanmerking heeft genomen. Uit
alleomstandigheden van het geval – bij elkaar genomen – vloeit volgens het hof voort dat Richtlijn CROW 500 zo moet worden geïnterpreteerd zoals het hof heeft gedaan. Daarop is zijn interpretatie in rov. 6.6. van de passage uit Richtlijn CROW 500 over de consequenties van het niet kunnen vinden van een kabel gebaseerd. De gehanteerde uitlegmaatstaf is dus niet oncontroleerbaar: het is volstrekt duidelijk hoe het hof tot zijn uitleg is gekomen. Het hof hoefde verder ook niet precies te benoemen welke omstandigheden het allemaal heeft betrokken bij zijn uitleg. Uit rov. 6.6. volgt immers voldoende duidelijk dat voor het hof doorslaggevend bij de keuze voor de uitlegmaatstaf zijn geweest (1) de omstandigheid dat het in deze zaak gaat om de invulling van de zorgplicht van een grondroerder bij graafwerkzaamheden en (2) het feit dat Richtlijn CROW 500 die zorgplicht op een uniforme wijze concretiseert. Daarom heeft het hof bij het geven van zijn uitleg van Richtlijn CROW 500 groot belang toegekend aan de bewoordingen van Richtlijn CROW 500 als (meest) relevante omstandigheid. Rov. 6.6. is anders dan het subonderdeel aanvoert ook niet in strijd met rov. 6.14. Zowel uit rov. 6.6. als uit rov. 6.14. volgt namelijk dat het hof Richtlijn CROW 500 op een meer objectieve wijze heeft uitgelegd.
in samenhang bezien” (rov. 6.13.), en heeft in het midden gelaten welke waarde kan worden gehecht aan de in deze procedure overgelegde verklaringen van personen die betrokken waren bij het opstellen van Richtlijn CROW 500 (rov. 6.14.). Gelet op randnummers 3.18-3.23 is het hof daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het hof heeft weliswaar in het midden gelaten of Richtlijn CROW 500 volgens de CAO-norm of de (sterk) geobjectiveerde
Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd (rov. 6.6., 6.8., 6.10. en 6.13.-6.14.), maar duidelijk is dat het hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de bewoordingen van Richtlijn CROW 500, wat bij toepassing van de CAO-norm in beginsel verplicht is. De door het hof gegeven uitleg is verder niet onbegrijpelijk, omdat het hof zijn uitleg heeft gemotiveerd met een verwijzing naar de in rov. 4.5. geciteerde passages van Richtlijn CROW 500. Zie voor vindplaatsen van die passages ook randnummer 3.3 en voetnoot 35 hiervoor. Deze passages van Richtlijn CROW 500 bepalen onder andere hoe een grondroerder te werk kan en moet gaan in een risicogebied. Daaruit heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat een grondroerder (in beginsel) niet aansprakelijk is als de grondroerder zich aan de voorschriften uit deze passages heeft gehouden maar toch schade is ontstaan. Ook heeft het hof daaruit kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de door Liander centraal gestelde en in randnummer 3.16 genoemde zin uit deze passages slechts aangeeft wat het doel van (het werken in) een risicogebied is en grondroerders in het algemeen verplicht tot “
veilig” werken in een risicogebied (zie ook rov. 6.7.). Het hof heeft bovendien, zij het enigszins impliciet, begrijpelijk en terecht [62] gewicht toegekend aan de onaannemelijkheid van het rechtsgevolg van de uitleg die Liander verdedigt (rov. 6.11.-6.14.): die uitleg zou meebrengen dat een grondroerder
altijdaansprakelijk is voor schade die ontstaat aan een niet-gelokaliseerde kabel door het werken zoals in een risicogebied. Dat komt neer op een risicoaansprakelijkheid, houdt een zeer verstrekkend rechtsgevolg in, en is om die reden niet aannemelijk. Met het voorgaande heeft het hof mijns inziens voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom de bewoordingen van Richtlijn CROW 500 “
in samenhang bezien” niet de door Liander verdedigde uitleg inhouden.
miskend” dat de vordering van Liander is gebaseerd op een schending van zorgplichten en niet op zaaksbeschadiging. [63] Liander lijkt hiermee te bedoelen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Liander stellingen moet innemen over de toedracht van de beschadiging van de kabel, nu de vordering – óók volgens het hof (rov. 6.2.) – enkel is gebaseerd op een schending van zorgplichten. Dit subonderdeel mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 6.11. geen oordeel heeft gegeven over de stelplicht van Liander, maar de stellingen van Liander heeft beschreven en uitgelegd. De inhoud van die stellingen heeft het hof ook niet onbegrijpelijk weergegeven: Liander heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat het enkele feit dat schade is ontstaan aan haar niet-gelokaliseerde kabel bij de werkzaamheden van Krinkels betekent dat Krinkels onzorgvuldig heeft gehandeld en aansprakelijk is.
de gestelde schade pas van enige onderbouwing heeft voorzien door overlegging van producties ten behoeve van de mondelinge behandeling” omdat Liander ervan was uitgegaan dat de feitelijke toedracht van de beschadiging niet relevant is. Het hof heeft daarmee (nog) niet geoordeeld dat deze producties betrekking hebben op de toedracht van de beschadiging. Ten slotte blijkt uit de eigen stellingen van Liander dat een aantal producties dat Liander ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft overgelegd wel degelijk betrekking heeft op de toedracht van de beschadiging, of in ieder geval daaraan raakt. [64]
Zijn er na de startwerkbespreking nog onduidelijkheden die zorgvuldig grondroeren in de weg staan, start dan niet met de uitvoering”. Liander heeft niet toegelicht waar in feitelijke instanties zij een beroep heeft gedaan op deze passage en of deze passage onderdeel is geweest van het partijdebat. In cassatie kan deze passage niet voor het eerst worden betrokken bij de vraag of het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld welke verplichting volgens Richtlijn CROW 500 op Krinkels rustte. Overigens meen ik dat het niet kunnen vinden van een kabel niet noodzakelijkerwijs een in de passage bedoelde onduidelijkheid na de startwerkbespreking oplevert. [66]
miskend” dat Krinkels niet heeft gesteld dat zij lokalisatiemethoden heeft gecombineerd met grondroerderswerkzaamheden en dat Krinkels anders dan het hof heeft overwogen niet conform Richtlijn CROW 500 gehandeld heeft nu Krinkels volgens Liander lokalisatiemethoden niet heeft gecombineerd met grondroerderswerkzaamheden. Het subonderdeel lijkt er hiermee van uit te gaan dat het volgens Richtlijn CROW 500 (altijd) verplicht is om lokalisatiemethoden en het grondroeren te combineren als er wordt gewerkt zoals in een risicogebied, en dat Krinkels lokalisatiemethoden en het grondroeren niet heeft gecombineerd. Dit zijn geen feiten die het hof heeft vastgesteld, zodat het subonderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist in het bestreden arrest. Het subonderdeel mist bovendien feitelijke grondslag in de gedingstukken waar het ervan uitgaat dat de gedingstukken niet de stelling van Krinkels bevatten dat Krinkels lokalisatiemethoden heeft gecombineerd met grondroerderswerkzaamheden. De gedingstukken bevatten die stelling wel. [67] Voor zover het subonderdeel erover beoogt te klagen dat het hof de stellingen van Krinkels op dit punt op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd en daarom tot het onbegrijpelijke oordeel is gekomen dat Krinkels grondroeren met lokaliseren heeft gecombineerd, geldt dat van een onbegrijpelijk oordeel geen sprake is. Gelet op de hiervoor genoemde (onbetwiste althans onvoldoende betwiste) stellingen van Krinkels heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld – weliswaar wat impliciet – dat Krinkels grondroeren met lokaliseren heeft gecombineerd (zie rov. 4.8. en 6.15.).
onvoldoende(…)
meegewogen” bij zijn oordeel dat niet is komen vast te staan dat Krinkels niet zorgvuldig heeft gehandeld. Het subonderdeel faalt ook in zoverre, omdat het oordeel van het hof dat Krinkels handmatig de werkzaamheden heeft verricht met een spuitlans niet onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat: Krinkels heeft dat gesteld [68] en Liander heeft het volgens het hof kennelijk niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Liander geeft ook niet aan of, en zo ja, waar zij in feitelijke instanties heeft betwist dat Krinkels de werkzaamheden handmatig met een spuitlans heeft uitgevoerd.
ten onrechte doet uitschijnen” niet alleen niet in rechte is komen vast te staan, maar ook niet kan afdoen aan de tekortkomingen. In beide feitelijke instanties zou zijn miskend dat het beoordelingskader niet ziet op wat er wél is gedaan, maar op wat vereist was en niet is gedaan. Mij is niet duidelijk welk nalaten en welk handelen van Krinkels het subonderdeel hier bedoelt. Ook is mij niet duidelijk welke beweerdelijke tekortkomingen en schendingen van zorgplichten het subonderdeel op het oog heeft. Evenmin is de verwijzing naar rov. 6.15. voor mij duidelijk: het hof heeft in die rechtsoverweging geoordeeld over het verwijt dat Krinkels bij haar werkzaamheden in het risicogebied onzorgvuldig is geweest door de spuitlans te hanteren zonder T-stuk en heeft daarin het verwijt dat Krinkels ten onrechte zou hebben aangenomen dat sprake was van een gestuurde boring op grond van art. 347 Rv Pro (bedoeld is de tweeconclusieregel) als tardief buiten beschouwing gelaten. [69] Ook gelet op deze inhoud van rov. 6.15. kan ik niet plaatsen dat en waarom rov. 6.15. “
ten onrechte doet uitschijnen” dat wat Krinkels wel heeft gedaan niet in rechte is komen vast te staan, zoals het subonderdeel betoogt. In zoverre voldoet het subonderdeel niet aan de eisen die gelden voor klachten.