Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof zijn oordeel ten aanzien van de kennelijke leugenachtigheid van verdachtes verklaring(en) niet op een wettig bewijsmiddel heeft gebaseerd, althans zijn oordeel daaromtrent niet nader heeft gemotiveerd.
[aangever]:
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
3. Voorafgaande beschouwing over het bij het oordeel over de bewezenverklaring betrekken van een onaannemelijke of onwaar gebleken verklaring van de verdachte
tweedemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden aangezien de stukken van het geding pas op 6 september 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen.