Conclusie
1.Feiten
NOTARIËLE AKTE VAN LEVERING
Artikel A.16
de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] , A-G] feitelijk méér voor de aangekochte cultuurgrond binnen het plangebied heeft betaald dan € 6,-/m2, te weten € 7,34/m2; (…).” [6]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
binnen 5 jaar na datum passering transportakte”(hierna: ‘de referentieperiode’), terwijl tussen de gemeente en [betrokkene 1] een hoger bedrag dan € 6 per m2 is overeengekomen. In dat verband is volgens [verweerster] van belang dat de gemeente aan [betrokkene 1] – in ruil voor percelen grond van die laatste – percelen grond heeft geleverd die méér waard waren dan waarvan in de overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] is uitgegaan, zodat [betrokkene 1] meer dan € 6 per m2 heeft ontvangen.
althans 7 november 2016”.
I.
ten bedrage van € 255.755,--althans tot het doen van een zodanige nabetaling als uw rechtbank [
bedoeld zal zijn: gerechtshof, A-G] in goede justitie mocht vermenen dat behoort, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 27 mei 2006, althans 17 oktober 2012, althans 23 juni 2016, dan wel 7 november 2016 tot aan die der algehele voldoening.
ten bedrage van € 200.405,10althans tot het doen van een zodanige nabetaling als uw rechtbank [
bedoeld zal zijn: gerechtshof, A-G] in goede justitie mocht vermenen dat behoort, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 13 mei 2008, althans vanaf 17 oktober 2012, althans vanaf 23 juni 2016, dan wel vanaf 7 november 2016 tot aan die der algehele voldoening.
Wat houdt partijen verdeeld?
Over de uitleg van die nabetalingsregeling, in het bijzonder over de vraag of de verplichting van de gemeente uit de nabetalingsregeling gaat lopen vanaf de datum van de koopovereenkomst of vanaf de datum van de transportakte, verschillen partijen van mening. Van die uitleg hangt [af] of de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] onder de reikwijdte van de nabetalingsregeling valt nu deze transactie plaatsvond in de periode mei/juni 2006 (…) en daarmee na het tekenen van de koopovereenkomst met [verweerster] op 28 juni 2005 en voor het totstandkomen van de transportakte op 10 juli 2007.
Uitleg nabetalingsregeling” uitvoerig ingegaan op de vraag of de verplichting van de gemeente uit de nabetalingsregeling gaat lopen vanaf de datum van de koopovereenkomst of vanaf de datum van de transportakte. Het hof heeft eerst de standpunten van partijen weergegeven:
Haviltex-maatstaf [11] tot uitgangspunt genomen en de uitleg van [verweerster] gevolgd. Het hof heeft overwogen dat de tekst van de nabetalingsclausule voor de verschillende lezingen van partijen ruimte laat, al is de tekst van de (latere) transportakte volgens het hof in overeenstemming met de lezing van de gemeente en niet in overeenstemming met de lezing van [verweerster] :
binnen 5 jaar na datum passering transportakte met andere eigenaren een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m². Hierin valt te lezen dat de verplichting geldt binnen een periode van datum totstandkoming koopovereenkomst tot 5 jaar na datum passering transportakte (lezing [verweerster] ), maar ook dat de verplichting geldt binnen een periode van 5 jaar, met start van deze periode na datum passering transportakte (lezing gemeente). In de transportakte zijn de woorden
na datum passering transportaktegewijzigd in
na heden. Daarmee sluit de letterlijke tekst van de transportakte aan bij de lezing van de gemeente en niet bij de lezing van [verweerster] .”
onbegrijpelijk en gekunsteld”. Het gegeven dat de tekst van de transportakte beter aansluit bij de lezing van de gemeente doet niet af aan wat [verweerster] op basis van de koopovereenkomst mocht verwachten. Het hof heeft als volgt overwogen en geoordeeld:
naar ik begrijp: in de transportakte, A-G] en dat wijziging van de woorden “datum passering transportakte” door “heden” op de datum passering transportakte op het eerste oog geen wijziging teweeg kan brengen.
een hoger bedrag(…)
dan € 6,--/m²” is ‘overeengekomen’ als bedoeld in de nabetalingsclausule (mede) moet worden beantwoord aan de hand van de waarde (in het vrije economisch verkeer) van de door de gemeente aan [betrokkene 1] geleverde gronden. Het hof heeft als volgt overwogen en geoordeeld:
lees: haar, A-G] voor soortgelijke gronden zouden ontvangen. Het gaat er daarom om wat die derden daadwerkelijk aan prijs per vierkante meter zouden ontvangen van de gemeente, niet slechts om wat er op papier staat. Dat [verweerster] heeft moeten uitgaan van een andere, beperktere, uitleg is daarmee door de gemeente onvoldoende onderbouwd gesteld.
nietis komen vast te staan dat de gemeente aan [betrokkene 1] meer heeft betaald dan € 6,00 per vierkante meter grond en overweegt hierover het volgende.
Het hof acht het evident dat eventuele beperkingen in de landbouwkundige kwaliteit van de betreffende percelen een waardedrukkend effect zullen hebben. Nu niet duidelijk is of de deskundigen de aanwezigheid van eventuele beperkingen in landbouwkundige kwaliteit hebben onderzocht en hebben verdisconteerd in hun taxatie, is het hof van oordeel dat de juistheid van hun waardering van de door de gemeente aan [betrokkene 1] geleverde grond vooralsnog niet is komen vast te staan.
dat de gemeente aan [betrokkene 1] voor de gronden meer heeft betaald dan € 6,00 per vierkante meter” en iedere verdere beslissing aangehouden.
[i]n het kader van de getuigenverhoren(…)
met name de vraag naar de landbouwkundige kwaliteit van de in het geding zijnde (door de gemeente aan [betrokkene 1] geleverde) percelen aan de orde[is]
gekomen.” En: “
Meer specifiek hebben de getuigenverhoren betrekking gehad op de vraag of er sprake is geweest van waarde drukkende effecten (gelegen in de hydrologische kwaliteit van die percelen en de aanwezigheid van een olieleiding) in het[lees: de, A-G]
door [betrokkene 1] van de gemeente gekochte percelen, zoals de gemeente heeft aangevoerd bij wijze van verweer en [verweerster] onder verwijzing naar het voorlopig deskundigenbericht van 7 september 2015 heeft betwist.”
(…) De grond die [betrokkene 1] geleverd kreeg van de gemeente was van betere kwaliteit dan de grond die [betrokkene 1] aan de gemeente leverde. Het perceel dat hij aan de gemeente leverde was natter en lager gelegen. Op beide percelen, (…), stond op 14 augustus van dit jaar, toen wij nog een keer naar het perceel zijn gaan kijken, maïs. (…)Bij de boringen op 14 augustus 2020 hebben wij niet heel veel verschil in bodemsamenstelling aangetroffen in de monsters die we hebben genomen van de percelen (…). Voor ons was het duidelijk dat ging om een zandgrond met een veen ondergrond. (…) Wij hebben gezien dat bij de boring op het perceel dat [betrokkene 1] aan de gemeente heeft geleverd het veen op circa 70 cm zat en op het perceel dat [betrokkene 1] van de gemeente geleverd heeft gekregen op circa 80 cm. (…)U vraagt mij op basis van welke informatie de commissie de landbouwkundige kwaliteit heeft vastgesteld. Ik antwoord u dat wij prijsreferentie onderzoek hebben gedaan, dat de percelen feitelijk onderzocht zijn en dat alle waarde bepalende factoren waarover ik al eerder heb verklaard bij de beoordeling worden betrokken. Ik kan nu niet meer zeggen of de commissie als peilmoment voor de bepaling van de waarde het jaar 2015 of de datum van de betreffende transacties heeft genomen. Ik bestrijd niet de conclusie van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] dat het bij de percelen waarover het in deze procedure gaat, percelen betreft met moerige podzolgrond. (…) Ik bestrijd niet dat moerige gronden doorgaans een ondiepe grondwaterstand hebben waardoor de worteldiepte van het te telen gewas wordt beperkt. Ik bestrijd wel dat die gronden dan té nat en té koud zijn om akker- en tuinbouwgewassen[te]
kunnen telen. Ik bestrijd ook dat een beperkte worteldiepte doorgaans betekent dat enkel gras kan worden geteeld. Als eerste wijs ik[er]
hier bij op dat op de percelen die [betrokkene 1] van de gemeente geleverd heeft gekregen toen wij gingen kijken met maïs bebouwd waren. Verder merk ik op dat mogelijke slechte ontwatering relatieve betekenis heeft. Je moet dat afzetten tegen de situatie bij andere percelen in een bepaald prijsgebied. Al die factoren, die ik al eerder heb genoemd, betrek je bij de waardebepaling.
“(…) In dit specifieke geval konden we vaststellen dat de grond die aan de gemeente was geleverd lager was gelegen en natter was. De grond die gemeente aan [betrokkene 1] leverde lag hoger en rondom het perceel lagen sloten. De aan [betrokkene 1] geleverde gronden waren beter van kwaliteit dan de gronden die aan de gemeente waren geleverd. (…) Op dit moment staan er op het perceel dat aan de gemeente is geleverd aardappelen. Er heeft volgens mij ook maïs opgestaan en er zal ook sprake zijn geweest van grasteelt. Dat aan de gemeente geleverde perceel is geen goed perceel voor de teelt van andere producten. (…) Op het perceel dat aan [betrokkene 1] is geleverd, dat dus hoger ligt, staat maïs. Wat er ten tijde[n] van ons onderzoek in 2014 stond weet ik nu niet meer. Ik weet ook niet wat er op dat perceel in 2005/2006 heeft gestaan. (…) Op 14 augustus van dit jaar hebben wij boringen verricht op de percelen. Op het perceel dat aan [betrokkene 1] is geleverd troffen wij ongeveer 1 meter zwarte grond aan en minder veen houdend materiaal dan bij de boring op het perceel dat aan de gemeente is geleverd. De grond van het aan de gemeente geleverde perceel was minder homogeen, had meer kleurenverschil. Ik ben het niet mee eens met de opvatting van [betrokkene 5][ [betrokkene 5] , A-G]
dat de aan [betrokkene 1] geleverde gronden té nat en té koud zijn om akker- en tuinbouwgewassen op te kunnen telen. (…) Ik ben het ook niet eens met zijn stelling dat een beperkte worteldiepte betekent dat enkel gras kan worden geteeld. (…) Het hele gebied, waarin ook de percelen liggen waarover we het hebben, is wat [betrokkene 2] noemt moerige podzolgrond. Maar binnen het gebied zijn wel degelijk verschillen aan te treffen. Ik ben het daarom niet eens met wat hij schrijft als hij schrijft dat het aan [betrokkene 1] geleverde perceel een beperkte landbouwkundige kwaliteit heeft. (…) Dat aan [betrokkene 1] geleverde perceel was verhoudingsgewijs juist een beter perceel. (…) U vraagt mij wat een bezichtig in 2014/2015 betekent voor de beoordeling van de landbouwkundige kwaliteit van de percelen in 2005/2006. Ik antwoord u dat de kwaliteit van die grond niet door tijdsverloop verandert, tenzij er grote infrastructurele ingrepen worden gedaan. Ik heb in dit geval geen grote infrastructurele ingrepen gezien.””
“(…) U vraagt mij of ik iets kan zeggen over de landbouwkundige kwaliteit van de twee percelen van [betrokkene 1] waar het hier om gaat. De beide percelen waar we het over hebben zijn volgens mij gelijkwaardig. (…) Als ik het goed heb werd er de afgelopen jaren maïs op die percelen geteeld. Dat heb ik zelf geconstateerd. (...) Ik kom wel vaker in het gebied en dan zag ik maïs staan, maar ik weet nu niet meer zeker op welk perceel wel of niet maïs heeft gestaan. (…) U vertelt mij dat er in het dossier een verklaring zit waarin wordt gesteld dat de slechte hydrologische kwaliteit (…) een waarde drukkend effect heeft op de prijs. (…) In hydrologisch opzicht is in het algemeen grond die hoger ligt beter dan grond die lager ligt. In mijn beleving zijn die percelen niet in gebruik geweest als grasland. (…) U vraagt mij of ik kan uitsluiten of de percelen die aan [betrokkene 1] verkocht zijn door de gemeente in 2005/2006 gebruikt werden voor grasteelt. In mijn beleving heeft er op die percelen nooit gras gestaan. (…) ik denk dat de percelen links en rechts (…) gelijk van samenstelling en kwaliteit zijn. (…)” en “(…) de percelen van [betrokkene 1] deel uitmaken van de lager gelegen percelen van het gebied. Er zijn dus meer lager gelegen percelen. (…).”
“(…)U vraagt mij naar de kwaliteit van de beide percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht. (…) Op de bodemkaart uit 1968 was te zien dat er een schuine lijn liep door het perceel waar die olieleiding niet doorheen liep. De kwaliteitsaanduiding van de grond was HN21. Dat betekent dat de bodem podzolgrond betrof met lemig fijn zand. (…) Dat geldt dus ook voor de gronden die [betrokkene 1] aan de gemeente verkocht. De grond op het perceel dat de gemeente aan [betrokkene 1] leverde waarop de kaart die schuine lijn doorliep, was op het gedeelte rechts van de lijn minder van kwaliteit. Inmiddels is de bodemkaart in 2014 voor bepaalde veenachtige gronden herzien. Op de bodemkaart van 2014 zijn de beide percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht aangeduid als HN21. Die zelfde aanduiding heeft ook de grond die [betrokkene 1] aan de gemeente verkocht. Daarbij geldt één verschil: bij de aanduiding voor de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] verkocht staat de toevoeging ‘E’. Dat staat voor geëgaliseerd. (…) In ieder geval kan ik zeggen dat in 2012 op de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] verkocht maïs stond. Ik heb zelf vastgesteld dat die maïs van goede kwaliteit was. De maïs op de gronden die de gemeente aan [betrokkene 1] verkocht was misschien nog wel beter van kwaliteit dan de mais op de gronden die [betrokkene 1] aan de gemeente verkocht. (…) Op het punt van de hydrologische kwaliteit antwoord ik u, dat als die kwaliteit bij de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht al minder zou zijn, dat zou gelden voor het hele gebied ter plaatse[n]. Ik heb destijds in 2012 geconstateerd dat op percelen in dat gebied wat water stond. Dat is ook logisch bij gronden waar leem in zit. (…) U houdt mij voor dat bij de aanduiding HN21 op de bodemkaart ook een Romeinse zes staat (VI). (…) Dit is een hydrologische aanduiding. Die aanduiding geeft aan dat de gemiddelde grondwaterstand 40 tot 80 cm onder maaiveld is. Die hydrologische aanduiding geldt voor zowel het perceel dat [betrokkene 1] aan de gemeente heeft verkocht als de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht. (…) Ten tijde[n] van mijn taxatie in 2012 heb ik niet gezien dat er sprake was van wat wij noemen hulten en bulten met betrekking tot de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht. (…) Die percelen waren volgens mij al geëgaliseerd en dat er geëgaliseerd is, is later op de bodemkaart aangegeven. (…) U vraagt mij of de wijziging in 2014 van de bodemkaart relevant is voor de waarde van de bewuste percelen in 2006. Ik antwoord u dat dat niet het geval is. (…) Ik heb niet uitgezocht of de gronden die [betrokkene 1] van de gemeente kocht in 2005/2006 al waren geëgaliseerd. Ik heb niet kunnen vaststellen hoe de hydrologische kwaliteit van de bewuste gronden in 2006 was. Ik heb pas toen ik mijn taxatie deed in 2012 die kwaliteit onderzocht. Het is juist dat met de aanduiding HN21 bedoeld[lees: gedoeld, A-G]
wordt op humus podzolgrond. Dit soort grond is niet in het algemeen nat. Een boer kan op deze gronden heel goed gewassen verbouwen. (…) Ik kan mij niet voorstellen dat tussen 2005 en 2012 de hydrologische toestand van de percelen waar het in deze procedure om gaat is veranderd.”
verkocht” hoger is dan € 3,06 per m2 en dat de gemeente onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de concrete bepaling van het bedrag dat de gemeente meer heeft betaald dan de overeengekomen € 6,00 per m2, te weten € 1,34 per m2:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
binnen 5 jaar na datum passering transportakte van onderhavige overeenkomst” in de nabetalingsclausule meebrengt voor het aanvangsmoment van de referentieperiode. [17]
van belang is wat destijds de waarde in het vrije economisch verkeer was van de door de gemeente aan [betrokkene 1](…)
geleverde gronden” (rov. 3.5., slot, van het tussenarrest), wat was dan die waarde?
referentieperiode nabetalingsclausule”) heeft betrekking op beslispunt (i), onderdeel 2 (“
uitleg overeengekomen prijs”) op beslispunt (ii) en onderdeel 3 (“
de bewijswaardering”) op beslispunt (iii). Deze onderdelen bestaan uit meerdere subonderdelen die zijn onderscheiden met letters.
subonderdeel 1Aen bevat een overzicht van stellingen/uitingen die de gemeente heeft ingenomen (aangeduid als a) tot en met e)), die ik zo meteen zal bespreken. In randnummer 7. klaagt de gemeente dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan deze “
essentiële stellingen” van de gemeente. Daaraan verbindt de gemeente de gevolgtrekking dat het hof in rov. 3.3.3. en rov. 3.4. van het tussenarrest ofwel de
Haviltex-maatstaf onjuist heeft toegepast, dan wel zijn overwegingen (in) rov. 3.3.3. en 3.4. van het tussenarrest onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
Omdat beide partijen werden bijgestaan door professionals bij het opstellen van de overeenkomst en [verweerster] optrad als commerciële partij, moet de tekst van de overeenkomst en de transportakte veel gewicht in de schaal leggen bij de uitleg van de nabetalingsclausule. En de tekst is helder: de nabetalingsclausule vermeldt als begindatum de transportdatum.” Het hof heeft dit betoog wel degelijk betrokken in de motivering. Het hof heeft in rov. 3.4. vastgesteld “
dat zowel de gemeente als [verweerster] bij de totstandkoming van de overeenkomst werden bijgestaan door ter zake kundige personen”, terwijl het hof blijkens de tweede alinea van rov. 3.4. gewicht heeft toegekend aan de tekst van de nabetalingsclausule. Het hof heeft daar overwogen dat de nabetalingsclausule ruimte laat voor zowel de lezing van [verweerster] als voor de lezing van de gemeente. Het hof heeft de tekst van de nabetalingsclausule dus
niethelder geacht. Ik kan dat overigens volgen. Hoewel de tekst bij eerste lezing heel wel de indruk kan wekken dat de “
datum passering transportakte” volgens de tekst het aanvangsmoment van de referentieperiode is, staat dat er bij nadere beschouwing toch minder duidelijk. Woordelijk ziet de passage “
binnen 5 jaar na datum passering transportakte van onderhavige overeenkomst” in ieder geval op het
eindevan de referentieperiode, maar is zij ten aanzien van het aanvangsmoment inderdaad ambigu. Deze passage kán immers ook betekenen: vanaf nu tot vijf jaar na het passeren van de transportakte. Tegen deze achtergrond hoefde het hof niet – anders dan de gemeente in randnummer 7. van de procesinleiding betoogt – toe te lichten ten gunste van welke uitleg het hof van belang vindt “
dat zowel de gemeente als [verweerster] bij de totstandkoming van de overeenkomst werden bijgestaan door ter zake kundige personen”. De conclusie is dat het hof voldoende aandacht heeft besteed aan de stelling die de gemeente onder a) weergeeft.
Bij de uitleg speelt een rol hoe partijen zich na de totstandkoming of zelfs na afloop van de overeenkomst opstellen. In haar verzoekschrift voor een voorlopig deskundigenonderzoek van 25 oktober 2012 heeft [verweerster] de referentieperiode gespecificeerd in de periode tussen 10 juli 2007 (datum transportakte) en 21 juli 2012. [verweerster] erkende zodoende dat de referentieperiode inging op 10 juli 2007, namelijk op het moment dat de akte is verleden. Het feit dat eiseres hier in een later stadium op terug is gekomen, doet hier niets aan af, aldus de gemeente.” Naar ik begrijp doet de gemeente hiermee niet een beroep op een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in art. 154 lid 1 Rv Pro, [21] maar betoogt zij slechts dat het hof had moeten responderen op het betoog van de gemeente dat [verweerster] in het verzoekschrift zelf tot uitgangspunt nam dat de referentieperiode aanving op 10 juli 2007, de dag waarop de transportakte werd gepasseerd. Ik denk daar anders over. De gemeente neemt terecht tot uitgangspunt dat volgens de rechtspraak van Uw Raad omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, waaronder de opstelling van partijen, een rol kunnen spelen bij de uitleg van een overeenkomst. [22] Dat betekent echter nog niet dat elke stelling die in dat verband wordt ingenomen essentieel is. Wat in de tweede en derde zin van het hiervoor weergegeven citaat wordt vermeld, is niet ‘essentieel’. De crux in dat verband zit volgens mij in de laatste zin van dat citaat. Het hof heeft, anders dan de gemeente, kennelijk wél van belang geacht dat [verweerster] – in de loop van het voortschrijdende partijdebat – is teruggekomen van het in het verzoekschrift gekozen uitgangspunt dat de referentieperiode aanving op 10 juli 2007. [23] Aan wat [verweerster] in dat verzoekschrift naar voren heeft gebracht, heeft het hof dan ook weinig gewicht toegekend en dat kan ik goed volgen. [24] Een partij moet in beginsel voortschrijdend inzicht en daarmee de ruimte om een ander standpunt in te nemen worden gegund. [25] De begrenzing hiervan is voornamelijk gelegen in het leerstuk van rechtsverwerking, dat hier – mijns inziens terecht – niet aan de orde is gesteld.
[d]e rechtbank(…)
in de beschikking op het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor[heeft]
overwogen dat alleen de transactie met [betrokkene 6][een andere derde met wie de gemeente een transactie is aangegaan, A-G]
van belang is omdat die heeft plaatsgevonden na 10 juli 2007[de datum waarop de transportakte is gepasseerde, A-G].” Dit is geen essentiële stelling. Voor zover dat toelichting zou behoeven, wijs ik erop dat het hof geen noemenswaardige betekenis hoefde te hechten aan een voorlopige materiële beoordeling van de vordering van [verweerster] door de rechtbank in het kader van de verzoekschriftprocedure met betrekking tot een voorlopig deskundigenonderzoek. Meer woorden zal ik hieraan niet wijden.
datum passering transportakte” om (in ieder geval) het
eindevan de referentieperiode te bepalen (te weten vijf jaar na de “
datum passering transportakte”) geen grond is om aan te nemen dat daarmee ook de
aanvangvan de referentieperiode wordt bepaald, mede in het licht van wat het hof aanmerkt als de ratio van de nabetalingsclausule. In het kader van de motivering daarvan hoefde het hof niet in te gaan op het hiervoor weergegeven betoog.
De gemeente heeft erop gewezen dat andere nabetalingsregelingen die in het kader van de aankoop van soortgelijke cultuurgrond zijn gesloten op dezelfde wijze zijn ingestoken als diegene met [verweerster] .” Hier kan ik kort over zijn. Deze ‘stelling’ is op zichzelf, zonder gegevens over hoe de nabetalingsclausule in het kader van die andere transacties is begrepen, evident geen essentiële stelling in verband met de vraag wat het aanvangsmoment van de referentieperiode is. Hooguit volgt uit deze uiting van de gemeente dat zij er belang bij heeft dat de nabetalingsperiode in verschillende transacties zo veel mogelijk op dezelfde manier wordt uitgelegd, maar daaruit volgt nog niet – zonder nadere gegevens –
hoedie clausule dan moet worden uitgelegd.
op het eerste oog geen wijziging teweeg kan brengen”. Voor zover het hof met die laatste zinsnede heeft bedoeld te overwegen dat een transportakte geen wijziging kan inhouden van de verbintenissen uit de koopovereenkomst die geen goederenrechtelijke werking hebben, gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft bedoeld te overwegen dat een wijziging van de tekst in de transportakte geen verduidelijking van de partijbedoeling van de koopovereenkomst kan inhouden, getuigt die overweging eveneens van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof het voorgaande niet heeft miskend, is de overweging van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk, althans valt zij niet te rijmen met de constatering dat de tekst van de koopovereenkomst een andere lezing toelaat dan de tekst van de transportakte, aldus de gemeente.
op het eerste oog” uit de hiervoor genoemde zinsnede getuigen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijke motivering. De onderhavige kwestie is een bodemprocedure; het gaat er dus niet om wat het hof op het eerste oog aannemelijk oordeelt en voor zover het hof dat niet heeft miskend, is de overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus de gemeente.
In de transportakte zijn de woordenna datum passering transportaktegewijzigd inna heden. Daarmee sluit de letterlijke tekst van de transportakte aan bij de lezing van de gemeente en niet bij de lezing van [verweerster] .” [27] Het hof heeft hiermee kennelijk slechts een omstandigheid willen aanstippen die meeweegt. In de procesinleiding is dit een eigen leven gaan leiden. Ik zal de verschillende klachten, die ik hiervoor heb opgesomd, kort bespreken.
dat de gemeente de lezing van [verweerster] onvoldoende heeft betwist” omdat, zo begrijp ik, de gemeente heeft gewezen op de tekst van de transportakte en deze aansluit bij de lezing van de gemeente en niet bij de lezing van [verweerster] . Het hof heeft “
miskend”, aldus de gemeente, dat het op de weg van [verweerster] lag om tegenbewijs te leveren “
tegen de inhoud van de transportakte”. Ik maak daarover drie opmerkingen.
[…] B.V./
[…] B.V. [29] heeft bedoeld te klagen dat het hof heeft miskend dat de transportakte dwingende bewijskracht als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv Pro heeft, zij die klacht niet voldoende kenbaar naar voren heeft gebracht. Overigens zou die klacht ook niet slagen omdat de dwingende bewijskracht van de transportakte zich evident niet uitstrekt tot de vraag hoe de eerder gesloten koopovereenkomst moet worden uitgelegd. De dwingende bewijskracht van een akte heeft betrekking, kort gezegd, op wat in die akte is verklaard, zo blijkt klip en klaar uit art. 157 lid 2 Rv Pro. [30] De transportakte heeft, waar het gaat om de uitleg van de koopovereenkomst, dus vrije bewijskracht en legt in zoverre, zo moet aan de gemeente worden toegegeven, zeker gewicht in de schaal.
betwist” mijns inziens heeft gekozen voor ongelukkige terminologie: het bepalen van de inhoud van een overeenkomst aan de hand van de
Haviltex-maatstaf – die uiteindelijk is gegrond op [31] (en wellicht zelfs een toepassing is van [32] ) de in art. 3:33 en Pro 3:35 BW tot uitdrukking gebrachte wilsvertrouwensleer – is méér dan het vaststellen van feiten en dus ook méér dan een kwestie van stellen en betwisten. De inhoud van een overeenkomst is naar mijn begrip in wezen een
rechtsgevolgdat is verbonden aan in aanmerking komende feiten en omstandigheden. Het zijn deze feiten en omstandigheden die gesteld en, indien nodig, bewezen kunnen worden, niet de ‘uitleg’ als zodanig. [33] De afweging van die feiten en omstandigheden – die wordt ‘gestuurd’ door de rechtens geldende uitlegmaatstaf – bepaalt de uitleg. Uit rov. 3.4. van het tussenarrest blijkt overduidelijk dat het hof een dergelijke afweging heeft gemaakt. Waar de gemeente tracht die afweging te converteren in een zuivere bewijskwestie kan dat geen succes hebben. Uit wat in rov. 3.4. van het tussenarrest – in het bijzonder in de op twee na laatste alinea, die hierna nog aan de orde zal komen – volgt, blijkt dat het hof aan de tekst van de transportakte geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Die afweging was voorbehouden aan het hof en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is de afweging die het hof heeft gemaakt mijns inziens niet.
tegen de inhoud van de transportakte”, nu het hof bij de uitleg van de nabetalingsclausule in de koopovereenkomst slechts beperkte betekenis heeft toegekend aan die inhoud.
op het eerste oog geen wijziging teweeg kan brengen” gaat niet op. Het hof heeft de tekst van de transportakte in de op twee na laatste alinea van rov. 3.4. van het tussenarrest meegewogen (maar te licht bevonden): “
Het feit dat de tekst van de transportakte aansluit bij de lezing van de gemeente maakt gezien het voorgaande naar het oordeel van het hof niet dat [verweerster] heeft moeten begrijpen dat de verplichting van de gemeente pas later zou ingaan. Daarbij neem[t] het hof in aanmerking dat niet is gesproken over de tekst van de nabetalingsclausule en dat wijziging van de woorden “datum passering transportakte” door “heden” op de datum passering transportakte op het eerste oog geen wijziging teweeg kan brengen.” Ik lees hierin niet, anders dan de gemeente tot uitgangspunt neemt, dat het hof heeft bedoeld te overwegen dat een transportakte geen wijziging kan inhouden van de verbintenissen uit de koopovereenkomst (die geen goederenrechtelijke werking hebben). De klacht mist in zoverre dus feitelijke grondslag. Overigens betoogt de gemeente in de procesinleiding niet dat zij in feitelijke instanties heeft aangevoerd dát de transportakte een wijziging inhoudt van de verbintenissen uit de koopovereenkomst en dat het hof daaraan voorbij is gegaan. De klacht kan in zoverre dus ook nergens toe leiden. Ook lees ik in rov. 3.4. van het tussenarrest niet dat het hof ervan is uitgegaan dat wijziging van de tekst van de transportakte geen verduidelijking van de partijbedoeling van de koopovereenkomst kan inhouden. De klacht mist ook in zoverre feitelijke grondslag. Ook voor het overige is er niets onbegrijpelijks aan de bewuste passage in rov. 3.4. van het tussenarrest, ook niet in verhouding tot de constatering dat de tekst van de koopovereenkomst een andere lezing toelaat dan de tekst van de transportakte (waarmee de gemeente volgens mij doelt op de tweede alinea van rov. 3.4. van het tussenarrest).
op het eerste oog” in de hiervoor aangehaalde passage. Deze klacht valt mijns inziens binnen de categorie ‘zoeken naar spijkers op laag water’. Zij faalt. Met “
op het eerste oog” heeft het hof, anders dan de gemeente betoogt, niet miskend dat het hier gaat om een bodemprocedure. Kennelijk heeft het hof met die woorden slechts bedoeld dat in beginsel, zonder nadere aanwijzingen, het enkele gegeven dat in de transportakte is gekozen voor de woorden “
binnen vijf (5) jaar na heden” (in plaats van, zoals in de koopovereenkomst, “
binnen 5 jaar na datum passering transportakte”) nog niet meebrengt dat alleen al daarom een andere betekenis moet toekomen aan de nabetalingsclausule in de koopovereenkomst. Die gedachtegang van het hof is overigens ook verre van onbegrijpelijk. Daar laat ik het bij voor wat betreft subonderdeel 1B.
subonderdeel 1C. Volgens de gemeente heeft het hof in de derde alinea van rov. 3.4. niet de ratio (van de nabetalingsclausule) beschreven zoals die door de gemeente is bepleit, waarbij de gemeente verwijst naar en citeert uit randnummer 70. van haar memorie van antwoord. Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, zijn partijen het dus niet met elkaar eens over de ratio van de clausule en had het hof die omstandigheid dus niet aan zijn beslissing ten grondslag mogen leggen, aldus de gemeente. Door dat wel te doen is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van de gemeente. In elk geval is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk waarom de ratio van de nabetalingsclausule meebrengt dat die nabetalingsclausule meteen na het sluiten van de koopovereenkomst ingaat, zo voegt de gemeente toe.
Het hof acht(…)
van groot belang dat beide partijen het erover eens zijn dat de ratio van de bepaling is dat de gemeente bijbetaalt als ze met andere eigenaren in het plangebied een hoger bedrag overeenkomt dan met [verweerster].
Alleen de datum waarop deze verplichting van de gemeente ingaat houdt partijen verdeeld.” Over de ratio van de nabetalingsclausule heeft het hof dus niet méér overwogen dan dat deze inhoudt dat de gemeente bijbetaalt als ze met andere eigenaren (in het plangebied) een hoger bedrag overeenkomt dan met [verweerster] . Is de gemeente het daarmee dan echt niet eens? Randnummer 70. van haar memorie van antwoord wijst daar in ieder geval niet op. Daar heeft de gemeente het volgende geschreven:
het doel” van de “
nabetalingsregeling” erin is gelegen dat de gemeente bijbetaalt als ze met andere eigenaren in het plangebied een hoger bedrag overeenkomt dan met [verweerster] , zij het onder de veronderstelling dat de ontbindende voorwaarden van artikel 11 en Pro 15 van de koopovereenkomst niet worden ingeroepen. In zoverre faalt subonderdeel 1C dus wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.
van de nabetalingsclausule, maar veeleer met de ratio van de passage “
binnen 5 jaar na datum passering transportakte”. Op dat punt heeft het hof het betoog van de gemeente verworpen. Dat de gemeente na het sluiten van de koopovereenkomst transacties met anderen kon sluiten die niet onder de nabetalingsclausule zouden vallen slechts omdat de transportakte nog niet is gepasseerd, ligt niet voor de hand en heeft de gemeente ook onvoldoende toegelicht, aldus het hof in de derde alinea van rov. 3.4. van het tussenarrest:
het moment waarop de verplichting van de gemeente in de lezing van de gemeente zou ingaan naar voren had kunnen halen (van twee jaar na ondertekenen van de koopovereenkomst naar drie maanden na ondertekening).” Voorts heeft hof het argument van de gemeente dat de referentieperiode aanvangt op het moment van het passeren van de transportakte omdat, aldus de weergave van het hof in de vierde alinea van rov. 3.4. van het tussenarrest, “
bij de datum van totstandkoming van de koopovereenkomst onduidelijk is of dit de datum van ondertekening van de koopovereenkomst is, of de datum waarop wilsovereenstemming is ontstaan” verworpen als “
onbegrijpelijk en gekunsteld”. Volgens het hof geldt dat “
deze gestelde onduidelijkheid ook had kunnen worden weggenomen door aan te sluiten bij de datum van ondertekening van de koopovereenkomst in plaats van bij de datum van de transportakte.” Deze gedachtegang van het hof is geenszins onbegrijpelijk en voor zover de gemeente daarin iets anders leest mist die lezing feitelijke grondslag. Ook in zoverre faalt subonderdeel 1C.
subonderdeel 1D, dat eveneens is gericht tegen de hiervoor besproken passages uit de derde en vierde alinea’s uit rov. 3.4. van het tussenarrest (“
Waarom [verweerster](…)
van de transportakte.”). Volgens het subonderdeel is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat de gemeente in feitelijke instanties aandacht heeft gevraagd voor het karakter van de koopovereenkomst. In de koopovereenkomst waren niet alleen diverse ontbindende voorwaarden opgenomen, maar ook verschillende opschortende voorwaarden, waardoor de verbintenissen uit de koopovereenkomst een bepaalde tijd nog geen werking hadden en waardoor op de datum van ondertekening van de koopovereenkomst dus nog onzeker was of de verbintenissen uit de koopovereenkomst werking zouden gaan krijgen. Daardoor gaf de datum van de transportakte partijen meer zekerheid over de referentieperiode dan de datum van ondertekening van de koopovereenkomst, aldus de gemeente onder verwijzing naar randnummer 69. van de memorie van antwoord.
subonderdeel 1E, opgenomen in randnummer 14. van de procesinleiding, klaagt de gemeente dat het hof in de tweede en vierde alinea’s van rov. 3.4. van het tussenarrest is uitgegaan van een onjuiste maatstaf “
door slechts relevant te vinden” hoe [verweerster] de nabetalingsclausule moest begrijpen. Het gaat er immers om dat wordt vastgesteld welke zin partijen aan de bepaling mochten toekennen. Dat heeft het hof miskend door slechts relevant te achten hoe [verweerster] de nabetalingsclausule heeft mogen begrijpen, althans is de overweging van het hof onbegrijpelijk in het licht van alle onder randnummer 4. tot en met 11. van de procesinleiding genoemde omstandigheden, aldus de gemeente. Voor zover het hof is uitgegaan van een uitleg
contra proferentemheeft het hof miskend dat die regel niet van toepassing is, althans had het hof gemotiveerd moeten reageren op de bezwaren die de gemeente heeft aangevoerd tegen toepassing van die regel. Het gaat immers niet om de uitleg van een beding in algemene voorwaarden, de tekst van de overeenkomst en de transportakte is ook niet onduidelijk, en de regel is bedoeld om de zwakkere partij te beschermen, waarvan hier geen sprake is, aldus de gemeente.
contra proferentemheeft het hof niet gerept en daar heeft de gedachtegang van het hof naar mijn begrip ook niets mee van doen. Het hof heeft de onduidelijkheid van de nabetalingsclausule niet voor rekening gebracht van de gemeente omdat de koopovereenkomst door haar, of in haar opdracht, is opgesteld. Het hof is tot de uitleg gekomen waartoe het is gekomen omdat, kort gezegd, (i) de tekst van de nabetalingsclausule naar zijn oordeel verenigbaar is met de lezingen van beide partijen en (ii) de lezing van [verweerster] meer voor de hand ligt dan de lezing van de gemeente, op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht.
met andere eigenaren een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m2” als bedoeld in de nabetalingsclausule beslissend is welke waarde de prestatie van de gemeente aan die andere eigenaren heeft (volgens een achteraf gemaakte taxatie). De gemeente brengt in dit verband onder meer het volgende naar voren:
de prijs, aldus de gemeente (randnummer 26. van de procesinleiding).
een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m2” in de nabetalingsclausule.
een hoger bedrag(…)
dan € 6,--/m2” worden overeengekomen. Dat blijkt ook wel, want buiten kijf staat dat de gemeente en [betrokkene 1] bij het aangaan van de overeenkomst ervan zijn uitgegaan dat de door de gemeente aan [betrokkene 1] te leveren percelen grond een bepaalde waarde in euro’s vertegenwoordigden (namelijk € 3,06 per m2). [41] Zij zijn dus uitgegaan van een soort ‘rekenprijs’. Volgens mij zit daar dus niet het manco in rov. 3.5. van het tussenarrest.
een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m2” in de nabetalingsclausule zo heeft uitgelegd dat het niet erom gaat welke prijs in een transactie tussen de gemeente en een andere eigenaar werd gehanteerd, maar welke
waarde(dat wil zeggen “
waarde in het vrije economisch verkeer”) de prestatie van de gemeente in het kader van die transactie daadwerkelijk had (naar ik begrijp: ten tijde van het aangaan van die transactie), op basis van een achteraf gemaakte taxatie. Die uitleg is mijns inziens inderdaad onbegrijpelijk.
de waardevan de prestatie van de gemeente aan die andere eigenaar correspondeert met meer dan € 6 per m2. Het “
overeenkomen” van een “
bedrag” suggereert juist dat het gaat om de prijs, waarmee ik mede bedoel: de ‘rekenprijs’. Het onderscheid tussen ‘waarde’ en ‘prijs’ is van belang. Waar het gaat om een zuivere koopovereenkomst is dat onderscheid een subtiliteit: een euro is een euro waard, althans naar marktwaarde. [42] Waar het daarentegen gaat om een overeenkomst die gedeeltelijk een ruilovereenkomst is, zoals de overeenkomst tussen de gemeente en [betrokkene 1] , is het onderscheid tussen enerzijds de rekenprijs die partijen tot uitgangspunt nemen en anderzijds de waarde van de geleverde prestatie wezenlijk. De rekenprijs is (in beginsel) duidelijk. Het is het bedrag waarmee partijen kennelijk tevreden waren op basis van de informatie waarover zij bij het aangaan van de transactie beschikten. [43] De ‘waarde’ is daarentegen geenszins een eenvoudig vast te stellen gegeven, zeker niet achteraf, zelfs niet indien aan waarde een objectieve betekenis zoals ‘marktwaarde’ wordt gegeven, zoals de gemeente heeft benadrukt. In randnummer 26. van de procesinleiding haalt zij randnummer 109. van haar memorie van antwoord aan, waarin zij heeft betoogd dat “
in deze zaak – tot op zekere hoogte – appels met peren[worden]
vergeleken. Een prijs gebaseerd op de concrete omstandigheden van het geval en echte onderhandelingen gebaseerd op objectieve actuele gegevens, wordt vergeleken met getaxeerde marktwaarden die jaren na dato zijn geschat en waarbij tot op zekere hoogte geabstraheerd is van de concrete omstandigheden van het geval.” [44] Het hof heeft zich hiervan in rov. 3.5. mijns inziens onvoldoende rekenschap gegeven. Hoewel het hof in rov. 3.5. niet kort van stof is geweest, wordt mij op basis van die rechtsoverweging niet duidelijk waarom het hof ondanks de tekst van de nabetalingsclausule en ondanks wat de gemeente naar voren heeft gebracht over het onderscheid tussen (reken)prijs en waarde heen stapt.
het zonder meer duidelijk is dat het [verweerster] en de gemeente bij het sluiten van de overeenkomst met de gemeente er om ging dat [verweerster] net zoveel voor de aan de gemeente verkochte cultuurgrond zouontvangenals derden na hem[lees: haar, A-G]
voor soortgelijke gronden zoudenontvangen” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G). En: “
Het gaat er daarom om wat die derden daadwerkelijk aan prijs per vierkante meter zoudenontvangenvan de gemeente, niet slechts om wat er op papier staat” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Dat heeft het hof ook in het vervolg van rov. 3.5. tot uitgangspunt genomen. Het pijnpunt is hier het woord “
ontvangen”. Dat is, zoals de gemeente terecht heeft betoogd, toch niet hetzelfde als “
overeenkomen” en uit niets blijkt dat de gemeente het ermee eens is dat het erom ging wat andere eigenaren “
ontvangen”, zodat het onbegrijpelijk is dat het hof geeft overwogen dat het “
zonder meer duidelijk is” dat het partijen daarom ging.
een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m2”. Als hiervoor inderdaad moet worden gelezen ‘een prestatie levert met een waarde hoger dan € 6,00 m2’, dan liggen waarderingsdiscussies – die, zo leert de ervaring, zeker niet altijd eenvoudig zijn – al snel op de loer, met alle kosten van dien. Wat de gemeente met een andere eigenaar is overeengekomen is relatief eenvoudig vast te stellen, wat de waarde was van haar prestatie aan die andere eigenaar niet, althans niet waar het een ruil betreft. Deze praktische implicaties van de uitleg van het hof zijn niet alleen van belang voor de onderhavige kwestie maar ook voor gelijksoortige gevallen.
structureelanders wordt uitgelegd. [45] Dat een dergelijk geval van misbruik zich hier voordoet, heeft het hof in het tussenarrest overigens niet overwogen of geïmpliceerd [46] en het partijdebat gaf daartoe – als ik het goed zie – ook geen aanleiding. [47]
met andere eigenaren een hoger bedrag overeenkomt dan € 6,--/m2” géén rol speelt welke waarde de prestatie van de gemeente aan die andere eigenaren heeft (volgens een achteraf gemaakte taxatie). De prijs die de gemeente en de andere eigenaar zijn overeengekomen of, bij een ruiltransactie, tot uitgangspunt hebben genomen als rekenprijs, is beslissend. [48] Daarmee ontvalt de grondslag aan de vorderingen van [verweerster] . Buiten kijf staat immers dat tussen de gemeente en [betrokkene 1] per saldo een bedrag van € 6 per m2 is overeengekomen volgens de rekenprijs in samenhang met de prijs die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft betaald voor de door die laatste geleverde percelen (rov. 3.5. (vierde en vijfde gedachtestreepje) van het tussenarrest). Gelet hierop geeft de nabetalingsclausule [verweerster] geen aanspraak op nabetaling in verband met de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] . In dat licht zie ik dan ook geen ruimte meer voor toewijzing van de op de nabetalingsclausule gegronde vordering van [verweerster] met betrekking tot de transactie tussen de gemeente en [betrokkene 1] . Ik geef Uw Raad daarom in overweging de zaak op de voet van art. 420 in Pro verbinding met 421 Rv zelf af te doen door de vorderingen van [verweerster] , voor zover onderworpen aan het cassatieberoep, af te wijzen. Dat zou ook betekenen dat het cassatieberoep in de zaak 22/03225 tussen [verweerster] en de gemeente, dat betrekking heeft op de wettelijke (handels)rente over de nabetalingsverbintenis, moet worden verworpen, waartoe ik in mijn conclusie van heden in die zaak concludeer, en dat de hierna in randnummer 3.64 nader te bespreken terugbetalingsvordering van de gemeente toewijsbaar is.
De gemeente voert aan dat uit de getuigenverklaringen blijkt dat de gronden die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd onderhevig waren aan beperkingen en dat die hebben geleid tot een waarde drukkend effect. Uit de verklaringen volgt daarom dat per saldo niet meer is betaald dan € 6,00 p/m2.” In rov. 6.5. van het eindarrest is vervolgens aan te treffen dat “
[h]et hof(…)
tot het oordeel[is]
gekomen dat [verweerster] aan de haar gegeven bewijsopdracht heeft voldaan” en dat het hof daartoe overweegt als in rov. 6.6. volgt. Het hof heeft in het eindarrest dus eenduidig tot uitgangspunt genomen dat [verweerster] de bewijslast had van de stelling dat de gemeente aan [betrokkene 1] voor de gronden meer heeft betaald dan € 6,00 per m2 en dat [verweerster] daarvan in het tussenarrest bewijs werd opgedragen. Daaraan doet niet af dat het hof in de laatste alinea van rov. 6.7. heeft overwogen dat het geen grond ziet “
[v]oor het aannemen van een waarde drukkend effect op grond van de landbouwkundige kwaliteit” en in rov. 6.11. dat het “
[o]p grond van het voorgaande van oordeel[is]
, dat niet is komen vast te staan dat sprake was van waarde drukkende effecten die de deskundigen bij de waardering van de percelen hadden moeten verdisconteren in hun rapport bij de waardebepaling.” Daarmee heeft hof klaarblijkelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat het uit wat in de bewijslevering naar voren is gekomen, anders dan de gemeente, niet afleidt dat de gronden die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd onderhevig waren aan beperkingen en dat die hebben geleid tot een waardedrukkend effect.
de enkele stelling dat” en “
het enkele feit dat”, niet meebrengen dat de bevindingen van de deskundigen “
van onwaarde” zouden zijn. De gemeente verwijst daarbij naar de eerste en laatste alinea van rov. 6.7. Het hof heeft in rov. 6.7. en in rov. 6.8. genegeerd dat de gemeente veel meer omstandigheden heeft aangevoerd die, zeker in onderling verband beschouwd, meebrengen dat geen, althans slechts beperkte, waarde kan worden gehecht aan de verklaringen van de deskundigen. Uit de motivering van het hof valt niet op te maken waarom het hof aan die omstandigheden, in onderling verband beschouwd, voorbij gaat. Daarmee is de beslissing van het hof om de stellingen te verwerpen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus de gemeente. Voor zover het hof uit de stellingen van de gemeente heeft begrepen dat de gemeente slechts een beroep heeft gedaan op de omstandigheden b) en d), is die lezing van de stellingen van de gemeente onbegrijpelijk. Het hof had de hiervoor onder a) tot en met g) genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang moeten bezien en vervolgens moeten beoordelen of de getuigenverklaringen van de deskundigen wel (zonder enige terughoudendheid) kunnen worden gebruikt. Dat heeft het hof niet gedaan en dat moet na cassatie alsnog gebeuren, aldus de gemeente.
Eén deskundige is ter plaatse geweest zónder de partijen uit te nodigen”. In randnummers 5., 6. en 7. zijn geen gevolgtrekkingen te vinden met betrekking tot het feit dat één deskundige aanwezig is geweest, doch slechts gevolgtrekkingen met betrekking tot het feit dat partijen niet zijn uitgenodigd. [57] Daar is ook niet te vinden dat zeven jaar na dato niet meer goed is vast te stellen waarop de deskundige tijdens de bezichtiging heeft gelet. Aan het eind van randnummer 8., dat ogenschijnlijk nog steeds betrekking heeft op het niet uitnodigen van partijen, is de volgende passage te vinden: “
Doordat slechts één deskundige zónder aanwezigheid van partijen de percelen in 2014 heeft bezocht, is achteraf – en al helemaal niet meer zeven jaar na dato – niet meer goed vast te stellen waarop de deskundige tijdens de bezichtiging heeft gelet.”
“[S]lechts één deskundige” en “
al helemaal niet meer zeven jaar na dato” zijn dus niet meer dan terloopse frases. Het verbaast helemaal niet dat het hof daar slechts in beperkte mate zelfstandige betekenis aan heeft toegekend. Overigens heeft het hof in de laatste alinea van rov. 6.7. overwogen dat “
het enkele feit dat niet alle deskundigen die hebben meegewerkt destijds de bewuste percelen hebben bezocht, niet betekent dat aan hun verklaringen en deskundig oordeel geen waarde kan worden gehecht.” Het hof heeft dus wel degelijk in de afweging betrokken dat slechts één van de gerechtelijk deskundigen in 2014 de percelen heeft bezocht.
[d]e enkele stelling dat de deskundigen er belang bij zouden kunnen hebben dat hun eerder oordeel wordt bevestigd” onvoldoende is, betekent niet dat het hof over het hoofd heeft gezien dat de gemeente nog meer heeft aangevoerd. Het betekent slechts dat het hof de desbetreffende omstandigheid, kennelijk ook in samenhang met andere omstandigheden, van onvoldoende gewicht heeft geacht.
landbouwkundige kwaliteit van de in het geding zijnde (door de gemeente aan [betrokkene 1] geleverde) percelen” en specifiek de “
hydrologische kwaliteit van de percelen” vergelijkbare verklaringen hebben afgelegd, zoals aangehaald in rov. 6.7. Zo wordt verklaard over de bodemsamenstelling op basis van de boringen in 2020, waarvoor volgens de deskundigen geldt dat de percelen en die [betrokkene 1] aan de gemeente heeft geleverd en de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd (waarvan de waarde ter discussie staat) niet wezenlijk verschillen, zij het dat de grond van de eerste percelen een minder homogene samenstelling heeft dan die van de laatste, terwijl de laatstgenoemde percelen minder nat zijn dan de eerste. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit wat de deskundigen hebben verklaard, afgeleid dat het tijdsverloop van 2014 tot 2020 in beginsel niet van wezenlijk belang is bij het bepalen van de landbouwkundige kwaliteit van de percelen, wat één van de deskundigen, [deskundige 1] , blijkens rov. 6.7. ook heeft verklaard: “
Ik antwoord u dat de kwaliteit van die grond niet door tijdsverloop verandert, tenzij er grote infrastructurele ingrepen worden gedaan. Ik heb in dit geval geen grote infrastructurele ingrepen gezien.” Tegen die achtergrond hoefde het hof niet meer aandacht te besteden aan de als f) aangeduide stelling dan het gelet op het voorgaande impliciet heeft gedaan.
Opvallend is overigens dat de deskundigen zeer selectief verklaren over de resultaten van die boringen in 2020. Voor wat betreft de vergelijking tussen de resultaten op de percelen van [betrokkene 1] met het perceel van de gemeente volstaat [deskundige 2] met de opmerking dat “wij niet heel veel verschil in bodemsamenstelling [hebben] aangetroffen” en [deskundige 1] laat het bij “minder homogeen en meer kleurverschil”. Ik moet bekennen dat ik niet weet wat de gemeente hiermee heeft bedoeld. Ik sluit niet uit dat het hof dat ook niet heeft geweten. In randnummers 16. tot en met 20. tref ik over ‘selectief verklaren’ in de hiervoor door mij daaraan toegekende betekenis niets aan. De gemeente heeft in de procesinleiding in ieder geval niet voldoende kenbaar naar voren gebracht wat het hof daarin had moeten lezen en waarom.
subonderdeel 3Cheeft het hof ten onrechte niet bij zijn oordeel betrokken de stelling van de gemeente dat uit de verklaringen van de gerechtelijk deskundigen blijkt dat zij in 2014 geen boringen en metingen hebben verricht én dat zij in 2014 geen onderzoek hebben gedaan naar de samenstelling en kwaliteit van het gewas. In het licht van die stellingen is volgens de gemeente bovendien onbegrijpelijk hoe het hof dan uit de getuigenverklaringen toch afleidt dat het onderzoek in 2020 hen niet tot een ander oordeel heeft gebracht. De deskundigen hebben immers in 2014 geen boringen en metingen gedaan om de landbouwkundige kwaliteit vast te stellen. Voor zover in de overweging van het hof (aan het slot van rov. 6.7. van het eindarrest) besloten ligt dat hij niet op de hiervoor genoemde bezwaren van de gemeente hoefde in te gaan bij de motivering van de bewijswaardering, getuigt die overweging van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof dan is uitgegaan van een te lichte motiveringsplicht, aldus de gemeente.
samenstelling van de grond van de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd beter[is]
dan de gronden die [betrokkene 1] aan de gemeente heeft geleverd”, aldus de gemeente, zonder in te gaan op de stellingen uit randnummers 17. en 18. van de antwoordmemorie na enquête, waaruit blijkt dat de gerechtelijk deskundigen bij die constatering ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de ligging van de omliggende percelen, zo betoogt de gemeente.
Over de hydrologische kwaliteit van de percelen verklaart [betrokkene 3] dat beide percelen volgens hem gelijkwaardig zijn. [betrokkene 5] en [betrokkene 2] verklaren goed onderbouwd dat de door de gemeente geleverde percelen net als de aan de gemeente geleverde percelen natte gronden zijn.” In rov. 6.7. (p. 6) van het eindarrest heeft het hof stilgestaan bij de discussie over de hydrologische kwaliteit van de percelen. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat “
beide getuigen/deskundigen(…)
in de kern[verklaren]
dat de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd geen beperkte landbouwkundige hydrologische kwaliteit hebben die de lage prijs die [betrokkene 1] aan de gemeente moest betalen zou kunnen verklaren.” Het is dus niet zo, anders dan de gemeente in subonderdeel 3D betoogt, dat het hof slechts heeft overwogen dat de “
samenstelling van de grond van de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd beter[is]
dan de gronden die [betrokkene 1] aan de gemeente heeft geleverd.”
onjuiste betekenis” van het begrip ‘landbouwkundige beperkingen’. Op pagina 6 van het eindarrest overweegt het hof dat er volgens de deskundigen akker- en tuinbouwgewassen kunnen worden geteeld waardoor geen sprake is van een beperkte landbouwkundige hydrologische kwaliteit. Op pagina 7 geeft het hof toe dat zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 2] hebben verklaard dat de percelen minder geschikt zijn om daarop akkerbouwgewassen te verbouwen dan andere in het gebied gelegen percelen, maar dat de percelen alleen geschikt zijn voor grasland en niet voor de verbouw van akkerbouwgewassen hebben zij niet verklaard, aldus het hof. Het hof is, zo betoogt de gemeente, dus uitgegaan van een zwart/wit-benadering van het begrip ‘beperkte landbouwkundige kwaliteit’ (gronden zijn ofwel slechts geschikt voor grasland ofwel ook geschikt voor akkerbouw), terwijl de landbouwkundige kwaliteit van gronden niet zo zwart/wit is en de kwaliteit van de grond dus ook kan meebrengen dat de percelen zodanig nat zijn dat akkerbouw niet onmogelijk is, maar wel met beperkingen gepaard gaat, zowel in kwaliteit van de gewassen (minder diepe wortels) als in kwantiteit van de gewassen (omdat de grond pas later in het jaar kan worden bewerkt dan drogere grond). Dat is dus ook de situatie van de gronden die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd, aldus de gemeente. [58] Door in rov. 6.7. van het eindarrest slechts te beoordelen of uit de getuigenverklaringen blijkt of de gronden alleen geschikt waren voor grasland of dat er ook maïs (of andere akkerbouw) plaatsvond, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans vormt rov. 6.7. van het eindarrest geen begrijpelijke motivering van de verwerping van de stelling van de gemeente dat de gerechtelijk deskundigen geen rekening hebben gehouden met de beperkte landbouwkundige kwaliteiten van de percelen. Het hof is om die reden ook zonder begrijpelijke motivering voorbijgegaan aan de citaten uit de verschillende verklaringen die de gemeente in randnummer 22. van de antwoordmemorie na enquête heeft opgenomen; uit al die citaten blijkt dat het wel degelijk om lager gelegen, natte gronden gaat die minder geschikt zijn voor landbouw, aldus de gemeente.
juistebetekenis heeft gehecht, maar slechts of de betekenis die het hof aan dat begrip heeft gegeven
begrijpelijkis.
Weliswaar geven beide getuigen aan dat zij vinden dat de percelen minder geschikt zijn om daarop akkerbouwgewassen te verbouwen dan andere in het gebied gelegen percelen, maar dat de percelen alleen geschikt zijn voor grasland en niet voor de verbouw van akkerbouwgewassen hebben zij niet verklaard.” En in de laatste alinea van rov. 6.7.: “
Concluderend is het hof van oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen niet is komen vast te staan dat de door de gemeente aan [betrokkene 1] geleverde percelen van zodanig mindere kwaliteit waren, dat akkerbouw op die percelen niet of niet goed mogelijk was. Voor het aannemen van een waarde drukkend effect op grond van de landbouwkundige kwaliteit ziet het hof dan ook geen grond.” Deze motivering is mijns inziens niet toereikend, mede gelet op wat de gemeente naar voren heeft gebracht over de natheid van de desbetreffende percelen en de invloed daarvan op hun waarde. Het is immers ook buiten de gevallen waarin “
akkerbouw op die percelen niet of niet goed mogelijk was” denkbaar dat de percelen minder productief zijn dan andere percelen. In zoverre slaagt subonderdeel 3E. Het behoeft voor het overige geen bespreking.
subonderdeel 3F, opgenomen in randnummers 43. en 44. van de procesinleiding. Het subonderdeel klaagt over de volgende overweging van het hof in rov. 6.7. van het eindarrest: “
Het hof constateert dat de getuige [betrokkene 4] de percelen in 2006 niet heeft bezichtigd. Wel heeft hij in 2012 de percelen bezichtigd en is hij in 2020 nog drie keer door het gebied gereden. Daarbij geeft hij aan dat in zijn visie de hydrologische toestand van de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft geleverd tussen 2006 en 2012 niet is veranderd. De percelen zijn volgens de getuige niet te nat en er kunnen goed gewassen op worden verbouwd.” Volgens de gemeente is het onbegrijpelijk hoe het hof op basis van het citaat van de getuige tot deze slotsom komt. De verklaringen van [betrokkene 4] over de hydrologische toestand zien op dit type grond in het algemeen en op percelen in het gebied. Zie het citaat in rov. 6.7: “
Ik heb destijds in 2012 geconstateerd dat op de percelen in dat gebied wat water stond” en “
Het is juist dat met de aanduiding HN 21 bedoeld[lees: gedoeld, A-G]
wordt op humus podzolgrond. Dit soort grond is niet in het algemeen nat.” De gemeente heeft hier in haar antwoordmemorie na enquête ook op gewezen (zie randnummer 22.). De conclusie die het hof heeft verbonden aan het citaat uit de getuigenverklaring is dus, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, aldus de gemeente.
Op het punt van de hydrologische kwaliteit antwoord ik u dat als die kwaliteit bij de percelen die de gemeente aan [betrokkene 1] heeft verkocht al minder zou zijn, dat zou gelden voor het hele gebied ter plaatse[n].” Het hof heeft de verklaring van [betrokkene 4] mede gelet op deze passage kennelijk zo begrepen dat voor percelen in het hele gebied, waaronder de litigieuze percelen, niet geldt dat zij “
in het algemeen” nat zijn. Daarvoor kan steun worden gevonden in de laatste deel van het door het hof aangehaalde deel van de verklaring: “
Dit soort grond is niet in het algemeen nat. Een boer kan op deze gronden heel goed gewassen verbouwen. (...) Ik kan mij niet voorstellen dat tussen 2005 en 2012de hydrologische toestand van de percelen waar het in deze procedure om gaat is veranderd” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G).