AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en redelijke termijn bij ontnemingszaak ram- en plofkraken
In deze ontnemingszaak is de betrokkene veroordeeld voor ram-, trek- en plofkraken waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op €53.326,-. De betrokkene stelde cassatie in tegen de hoogte van het ontnemingsbedrag en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het eerste middel richtte zich op de waardering van met beveiligingsinkt besmeurde bankbiljetten, die het hof ondanks het betoog van de betrokkene als wettig betaalmiddel heeft meegeteld in het ontnemingsbedrag. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet onbegrijpelijk is, mede omdat besmeurde biljetten volgens de Europese Centrale Bank nog steeds wettig betaalmiddel zijn en er geen bewijs is dat deze biljetten daadwerkelijk onbruikbaar zijn geworden.
Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte een redelijke termijn van twee jaar hanteerde in plaats van de voor gedetineerden geldende termijn van zestien maanden. De overschrijding wordt erkend en de Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met het oog op vermindering van het te betalen bedrag. De zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling van de gevolgen van de termijnoverschrijding.
Daarnaast bevat de conclusie een ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in de cassatiefase, waarbij wordt voorgesteld om ook in ontnemingszaken zonder parallelle strafzaak een termijn van twee jaar te hanteren, ongeacht detentie van de betrokkene.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn en bevestigt dat besmeurde bankbiljetten als wettig betaalmiddel meetellen.
Voetnoten
1.Intelligent banknote neutralisation system (IBNS).
2.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, 23 mei 2017, Ontnemingsdossier, ordner 1, p. 47.
3.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, 23 mei 2017, Ontnemingsdossier, ordner 1, p. 17.
6.Ik wijs er in dat verband op dat bij De Nederlandsche Bank (DNB) onder bepaalde condities vergoeding kan worden gevraagd voor beschadigde eurobankbiljetten. Zie https://www.dnb.nl/betalen/beschadigde-eurobiljetten-en-euromunten/. Dat besmeurde bankbiljetten waardeloos zijn geworden, spreekt dus allerminst voor zich.
7.Arrest hof, p. 4.
8.In ontnemingszaken: de betrokkene.
9.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578,
11.Arrest hof, p. 4.
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2021, parketnummer 21-000062-19, p. 7.
13.Vanaf 11 januari 2022 is de betrokkene overigens ‘extramuraal’ in detentie geweest.
14.Hoewel, behoudens de inzendtermijn, de duur van de redelijke termijn ten aanzien van de
17.Zie in dit verband ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 28 september 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN0001 (niet gepubliceerd). 18.Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2021, parketnummer 21-000062-19, p. 8.
19.In de cassatiefase lopen de zaken overigens niet meer parallel: het cassatieberoep in de strafzaak is ingetrokken. Ik kom op de (mogelijke) gevolgen hiervan terug bij mijn ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie.
20.Hetzelfde geldt overigens ook ten aanzien van de inzendtermijn van acht respectievelijk zes maanden. Zie (voetnoot 5 van) mijn conclusie van 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:129 voorafgaand aan HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:413. 21.Mijn conclusie voorafgaand aan HR 28 september 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN0001 (niet gepubliceerd). De Hoge Raad volgde dit betoog niet. 22.Ten tijde van de betekening in cassatie zat de betrokkene niet meer gedetineerd in een penitentiaire inrichting – de betrokkene is voor een deel extramuraal gedetineerd geweest. De aanzegging is op 8 juni 2022 op het huisadres van de betrokkene aan een huisgenoot uitgereikt. Blijkens de vaste praktijk in de cassatiefase is de wijze van betekening in dit kader doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of een termijn van zestien maanden of een termijn van twee jaren moet worden gehanteerd als redelijke termijn. Vanwege deze uitzonderlijke situatie is mijn ambtshalve opmerking (zie randnummers 31 en 32) voor het onderhavige geval niet van toepassing en dient, los van het aldaar betoogde, een redelijke termijn van twee jaren te worden gehanteerd.
23.Terugwijzing op de gronden als in HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:442, lijkt mij in dit geval niet nodig. Indien de Hoge Raad evenwel zou besluiten het bestreden arrest te casseren op de grond die als het tweede middel is voorgesteld en zou oordelen dat het hof tot uitdrukking dient te brengen tot welke vermindering de overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid, zal de Hoge Raad de zaak dienen te verwijzen of terug te wijzen en zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen.