Conclusie
1.[eiseres 1] BV,
[eiser 2],
[eiser 3],
[eisers]en verweerster in cassatie als
VGZ.
1.Inleiding
de heupkliniek) zijn verricht. [1] De heupkliniek wordt geëxploiteerd door [de orthopedisch chirurg] (hierna:
[de orthopedisch chirurg]), die de operaties uitvoert in een ziekenhuis in België. Patiënten kunnen in Nederland terecht voor de intake en de nazorg.
[eiser 2]), eiser sub 3 (hierna:
[eiser 3]) en [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), die zijn beweerdelijke vordering op VGZ aan eiseres sub 1 heeft gecedeerd. De heupkliniek is, vanuit VGZ en haar verzekerden bezien, een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. VGZ heeft aan verzekerden vergoed wat zij ook vergoedt voor een behandeling bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland. Het directe materiële belang van het geschil beloopt in hoofdsom € 6.830,16. Het belang lijkt vooral er in te zitten dat de heupkliniek, naar eigen zeggen, het niet-vergoede deel van de kosten voor eigen rekening neemt. [2]
2.Feiten
3.Procesverloop
het hof).
het arrest). Ik vat de oordelen die in cassatie nog van belang zijn [12] samen.
4.Juridisch kader: grensoverschrijdende zorgverlening in het Unierecht
eerste invalshoekdaarbij is de coördinatie van nationale stelsels van sociale zekerheid. Een van de eerste EEG-verordeningen [15] voorzag al in coördinatieregels op dit onderwerp. [16] Thans gelden de Coördinatieverordening en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de Coördinatieverordening (hierna:
de Toepassingsverordening). [17]
tweede invalshoekis het ‘vrij verkeer van patiënten’. Juridisch aanknopingspunt is hier de medische dienst die wordt aangeboden door een zorgaanbieder in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de patiënt woont en verzekerd is. Op deze grensoverschrijdende dienstverlening is het vrij verkeer van diensten van toepassing. Sinds de jaren ’90 is er rechtspraak over het evenwicht tussen de vrijheid om grensoverschrijdende medische diensten aan te bieden en te ontvangen en de noodzaak de op nationaal of regionaal niveau georganiseerde zorgstelsels in stand te houden. Dit heeft geleid tot arresten van het HvJEU in, onder meer, de zaken
Kohll, [18] Decker, [19] Vanbraekel, [20] Smits en Peerbooms, [21] Müller-Fauré [22] en
Watts. [23] Het centrale thema in die uitspraken is steeds of een ziekenfonds of zorgverzekeraar gehouden was aan een verzekerde toestemming te verlenen voor een medische behandeling in een andere lidstaat, en in hoeverre dat orgaan de kosten van een dergelijke behandeling diende te vergoeden. Deze rechtspraak staat in de sleutel van art. 56 VWEU Pro (en haar voorloper art. 59 EG Pro).
rechthadden op vergoeding van de kosten van die behandelingen in ‘het buitenland’. Dat ging verder dan wat er in de onderhavige zaak aan de hand is, omdat hier de zorgverzekeraar (a) toestemming
heeftgegeven voor behandeling in België en (b) een gedeeltelijke vergoeding
heeftbetaald. Het geschil betreft ‘slechts’ het niet-gedekte deel van de behandelkosten.
Vanbraekel [25] vroeg een Belgische verzekerde toestemming voor het ondergaan van een operatie in Frankrijk. Dit verzoek werd door het bevoegde Belgische orgaan afgewezen. De verzekerde onderging niettemin de operatie en vorderde vergoeding van de kosten daarvan. De Belgische rechter kwam tot het oordeel dat de verzekerde wél recht had op vergoeding en dat de toestemming ten onrechte was geweigerd. De vergoeding onder Frans recht was evenwel lager dan de vergoeding onder Belgisch recht.
lageris dan de vergoeding volgens de wettelijke regeling van de lidstaat van aansluiting (in die zaak: België), dan dient het daartoe aangewezen orgaan een aanvullende vergoeding ten belope van dat verschil te betalen.
Smits en Peerbooms [26] was de vergoeding voor grensoverschrijdende ziekenhuiszorg onder het voormalige ziekenfondsstelsel aan de orde. Smits en Peerbooms ondergingen medische behandelingen in andere lidstaten en verzochten vergoeding van de kosten. Die verzoeken werden afgewezen omdat geen voorafgaande toestemming was gevraagd en, ook als toestemming wel was gevraagd, die niet behoefde te worden gegeven omdat adequate behandelingen bij gecontracteerde zorgaanbieders in Nederland mogelijk waren. De prejudiciële vragen gingen over de verenigbaarheid van een dergelijk toestemmingsvereiste met art. 56 VWEU Pro.
Müller-Fauré en Van Riet [27] lijken op die in
Smits en Peerbooms. Opnieuw ging het om de vraag of de wettelijke eis dat het ziekenfonds toestemming moet geven voor in een andere lidstaat verleende zorg door een persoon of een instelling waarmee het ziekenfonds geen overeenkomst heeft gesloten, verenigbaar is met art. 56 VWEU Pro. Het belangrijkste verschil met
Smits en Peerbooomsis dat het daar ging om zorg ziekenhuiszorg terwijl het in
Müller-Fauré(ook) ging om extramurale zorg. Bij het laatste valt te denken aan zorg in een artsenpraktijk of aan poliklinische zorg. In beide gevallen was sprake van geplande zorg waarvoor toestemming was vereist, die in het geval van Müller-Faure niet vooraf was gevraagd en in het geval van Van Riet) wel was gevraagd maar door het (toenmalige) ziekenfonds was geweigerd.
Smits en Peerbooms) dat het vereiste van voorafgaande toestemming een noodzakelijke en redelijke maatregel is. Voor extramurale zorg ligt dat anders. Het schrappen van de voorwaarde van voorafgaande toestemming beperkt weliswaar de mogelijkheden voor toezicht op de kosten van gezondheidszorg, maar dat dit ertoe zou leiden dat het financiële evenwicht ernstig zou worden aangetast, vermag het HvJEU niet in te zien. Het schrappen van het vereiste van voorafgaande toestemming brengt de wezenlijke kenmerken van het stelsel van toegang tot gezondheidszorg in Nederland niet in gevaar. [28]
de hoogtevan de vergoeding bepalen waarop recht bestaat bij behandelingen in een andere lidstaat, mits die berust op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria. [29]
Watts. [30] In
Wattsspeelde de vraag hoe hoog de vergoeding voor grensoverschrijdende zorg diende te zijn als die op grond van het recht van de lidstaat van behandeling niet volledig was. Watts – aangesloten bij de Britse National Health Service (NHS) – vroeg toestemming om een heupoperatie in Frankrijk te ondergaan. De NHS weigerde die te geven omdat de behandeling in Engeland kon worden ondergaan, zij het op een termijn van een paar maanden.
Smits en Peerboomsen
Müller-Fauré. Het door de NHS gehanteerde toestemmingsvereiste is in beginsel een belemmering van het vrije dienstenverkeer. Daaraan doet niet af dat in het NHS-stelsel verzekerden in Engeland ook toestemming moeten vragen – en de NHS toestemming mag weigeren – voor zorg bij particuliere klinieken in Engeland, net als voor zorg bij een zorgaanbieder in het buitenland. Voor de vraag of sprake is van een belemmering van het vrije dienstenverkeer moet worden vergeleken met de voorwaarden waaronder verstrekkingen door dit stelsel worden verleend in het kader van de ziekenhuisinfrastructuur die wél onder dit stelsel valt.
geheleverschil tussen de kosten van de ziekenhuisbehandeling in de verblijfstaat en de bijdrage van het orgaan van deze lidstaat volgens zijn wettelijke regeling, ook wanneer de kosten van deze behandeling hoger zijn dan die van een vergelijkbare behandeling in de bevoegde lidstaat. Anders zou de patiënt een hogere vergoeding krijgen dan in zijn nationale gezondheidsstelsel. [31]
art. 1ervan. Lid 2 legt vast dat deze richtlijn van toepassing is op verlening van gezondheidszorg door zowel publieke als private zorgverleners. De richtlijn erkent dat verschillende lidstaten verschillende nationale zorgstelsels hebben met verschillende mechanismen. [34] Lid 4 verduidelijkt onder meer dat niets in de richtlijn een lidstaat ertoe verplicht de kosten van op zijn grondgebied gevestigde zorgaanbieders terug te betalen indien die aanbieders niet aangesloten zijn bij het socialezekerheids- of gezondheidszorgstelsel van die lidstaat.
art. 7: (mijn onderstrepingen):
Onverminderd Verordening (EG) nr. 883/2004en behoudens de artikelen 8 en 9 waarborgt de lidstaat van aansluiting dat de kosten van de verzekerde die grensoverschrijdende gezondheidszorg heeft ontvangen, worden terugbetaald, indien de betrokken zorg deel uitmaakt van de prestaties waarop de verzekerde uit hoofde van de wetgeving van de lidstaat van aansluiting recht heeft.
terugbetaald of rechtstreeks betaald tot het bedrag dat door de lidstaat van aansluiting zou zijn ten laste genomen indien de gezondheidszorg op het grondgebied ervan zou zijn verleend; het ten laste genomen bedrag is echter niet hoger dan de feitelijke kosten van de ontvangen gezondheidszorg.
hogerliggen dan de kosten die terugbetaald zouden zijn als de gezondheidszorg op zijn grondgebied was verstrekt,
kande lidstaat van aansluiting besluiten om toch de volledige kosten terug te betalen.
transparant mechanismevoor de berekening van de door de lidstaat van aansluiting aan de verzekerde terug te betalen kosten van de grensoverschrijdende gezondheidszorg.
Dit mechanisme berust op objectieve, niet-discriminerende en vooraf bekende criteriadie worden toegepast op het relevante bestuurlijke niveau (lokaal, regionaal of nationaal).
de voorwaarden, de criteria om in aanmerking te komen en reglementaire en administratieve formaliteiten, ongeacht of die op lokaal, nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld, toepassen die hij zou toepassen indien de zorg op zijn grondgebied zou zijn verleend. (…). De uit hoofde van dit lid opgelegde
voorwaarden, behandelingscriteria en reglementaire en administratieve formaliteiten mogen echter niet discriminerend zijn of een belemmering vormen voor het vrije verkeer van patiënten, diensten of goederen, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is door eisen inzake planning waarmee wordt beoogd om een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandeling in de betrokken lidstaat te waarborgen of de wens de kosten in de hand te houden en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zo veel mogelijk te voorkomen.
terugbetalingsregeling voor grensoverschrijdende gezondheidszorgbeperken op grond van
dwingende redenen van algemeen belang, zoals eisen inzake planning waarmee wordt beoogd om een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandeling in de betrokken lidstaat te waarborgen of de wens de kosten in de hand te houden en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen.
Vanbraekel-arrest (zie 4.9) te herkennen. Het bedrag dat terugbetaald wordt mag niet hoger zijn dan de feitelijke kosten van de zorg die in de andere lidstaat ontvangen is. Voor de gevallen waarin die kosten hoger liggen dan het bedrag dat op grond van de hoofdregel wordt vergoed, kunnen de lidstaten besluiten een hogere vergoeding te betalen, maar zij zijn daartoe niet verplicht. Dus: de vergoeding in het land van aansluiting vormt het maximum.
Smits en Peerboomsen
Müller-Fauré. Zij zien niet op de eis van voorafgaande toestemming, want die komt apart aan bod in art. 8 (zie hierna).
art. 8van de Patiëntenrichtlijn is het mogelijk om een systeem van voorafgaande toestemming te handhaven voor de in dat artikel bedoelde gevallen. Op basis daarvan kunnen lidstaten de uit art. 7 voortvloeiende Pro rechten op terugbetaling van zorgkosten beperken. [39] Lid 1 luidt:
Múller-Fauré(zie 4.14). Uit lid 3 blijkt dat de voorafgaande toestemming wordt verleend overeenkomstig de voorwaarden van de Coördinatieverordening (zie hierna).
implementatievan de Patiëntenrichtlijn in nationale wetgeving is in Nederland beperkt gehouden omdat naar het oordeel van de regering de Zorgverzekeringswet (hierna:
Zvw) op het punt van de terugbetaling van de kosten van grensoverschrijdende zorg reeds de waarborgen bood die de Patiëntenrichtlijn voorschrijft. De regering ging ervan uit dat het niet volledig vergoeden van een behandeling in een andere lidstaat was toegestaan, zo lang aan het zogenoemde hinderpaalcriterium was voldaan, dat ligt besloten in art. 13 lid 1 Zvw Pro. [40] De wet bevat geen systeem van voorafgaande toestemming, maar staat wel zorgverzekeraars toe die voorwaarde te stellen.
Aan de Patiëntenrichtlijn wordt voldaan, aangezien de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders in een andere lidstaat gelijk is aan de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders in Nederland. Dat is het geval zowel voor de door de zorgverzekeraar zelf bepaalde vergoeding, als voor de vergoeding waarvan de zorgverzekeraar de hoogte heeft bepaald volgens de daarvoor geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot een aangewezen (deel)sector.
Dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders lager is dan de vergoeding die verzekerden met een restitutiepolis ontvangen, doet niets af aan conformiteit met de Patiëntenrichtlijn. Verzekeringnemers kunnen kiezen tussen een restitutiepolis en een natura- of combinatiepolis. Een restitutiepolis kent geen onderscheid tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde aanbieders in Nederland of daarbuiten. (…)”
verzekerde die naar een andere lidstaat reist met het oogmerk gedurende zijn verblijf verstrekkingen te ontvangen, daarvoor
toestemmingvan het
bevoegde orgaanvragen.
verstrekkingendie
voor rekening van het bevoegde orgaanworden verleend door het
orgaan van de verblijfplaats,
volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij krachtens die wetgeving verzekerd was. De toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling behoort tot de prestaties waarin de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene woont, voorziet,
endie behandeling hem, gelet op zijn gezondheidstoestand van dat moment en het te verwachten ziekteverloop, in laatstbedoelde lidstaat niet kan worden gegeven binnen een termijn die medisch verantwoord is.
Onverminderd Verordening (EG) nr. 883/2004”) en de verwijzing in art. 8 lid 3 naar Pro de Coördinatieverordening (zie 4.23) bevestigen dat.
WO/Kormányhivatalbetreft een Hongaars onderdaan die zonder voorafgaande toestemming een oogbehandeling liet uitvoeren in Duitsland, nadat in eigen land behandelingen ‘ondoeltreffend’ waren gebleken. Het Hongaarse verzekeringsorgaan weigerde enige vergoeding te betalen voor de in Duitsland ontvangen behandeling, omdat het een geval van geplande zorg betrof waarvoor geen toestemming was verleend.
TS/Casa Naţională de Asigurări de Sănătateging het om een patiënt die voor kanker in Oostenrijk een behandeling had ondergaan die afweek van de behandeling die hem in Roemenië was geadviseerd. Voor die behandeling had hij geen toestemming ontvangen van het Roemeense verzekeringsorgaan omdat die alleen werd gegeven als een rapport was opgesteld door een arts uit het nationale publieke verzekeringsstelsel. Het HvJEU oordeelt dat deze eis aan de verzekerde niet kan worden tegengeworpen en dat het Roemeense orgaan dezelfde kosten moet vergoeden als wanneer het wel toestemming had gegeven. Het HvJEU baseert dit oordeel op een uitleg van art. 20 lid 2 van Pro de Coördinatieverordening “
in samenhang met art. 56 VWEU Pro.” [56] Art. 56 VWEU Pro wordt niet rechtstreeks toegepast, maar de genoemde bepaling uit de verordening dient wel te worden uitgelegd in het licht van (de rechtspraak over) die verdragsbepaling.
5.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1bestrijdt de verwerping van het beroep van [eisers] op de Coördinatieverordening.
Onderdeel 2richt zich tegen het oordeel dat art. 56 VWEU Pro en de Patiëntenrichtlijn niet verticaal tegen VGZ kunnen worden ingeroepen.
Onderdeel 3valt het oordeel aan dat door de implementatie van de Patiëntenrichtlijn geen beroep meer kan worden gedaan op art. 56 VWEU Pro, en voorts dat art. 56 VWEU Pro en de Patiëntenrichtlijn niet horizontaal tegen VGZ kunnen worden ingeroepen.
Onderdeel 4, tot slot, bestrijdt het oordeel dat een richtlijnconforme uitleg van art. 13 Zvw Pro er niet toe leidt dat de korting op de verleende vergoeding in strijd is met de Patiëntenrichtlijn en houdt verder voor dat de korting in strijd is met art. 56 VWEU Pro en het discriminatieverbod.
geplandeoperatie in een ziekenhuis waarvoor ze speciaal naar België zijn gereisd.
geen feitelijke hinderpaalheeft gevormd om de heupoperaties te ondergaan.
Partijen verschillen van mening overhoe deze brieven [lees: de brieven waarin VGZ toestemming geeft, zie hiervoor onder [2.1.3], A-G] van VGZ moeten worden uitgelegd en over
de vraag of deze brieven moeten worden uitgelegd als toestemming in de zin van artikel 20 van Pro de Coördinatieverordening(gelezen in samenhang met artikel 26 van Pro de Toestemmingsverordening), zoals [eisers] bepleit
óf als toestemming in de zin van artikel 9.3 van de toepasselijke polisvoorwaarden van VGZ,zoals zij bepleit.
de vraag of deze toestemming moet worden gelezen als toestemming in de zin van de Coördinatieverordening niet relevant. Het hof komt daarom ook niet toe aan de vraag of (het moeten vragen van) toestemming voor een medische behandeling in een andere lidstaat in strijd komt met artikel 56 VWEU Pro, of bepalingen van secundair Unierecht, zoals [eisers] heeft gesteld.
ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. Voor zover [eisers] heeft willen aanvoeren dat, als de toestemming moet worden gelezen als toestemming in de zin van de Coördinatieverordening, de door VGZ uitgekeerde bedragen hoger (namelijk gelijk aan de facturen van de kliniek) zouden zijn geweest, faalt deze argumentatie.
Artikel 20 lid 2 Co Proördinatieverordening bepaalt immers dat de verzekerdedie van het bevoegde orgaan (hof: van de verblijfplaats van de verzekerde) toestemming heeft gekregen om in een andere lidstaat een medische behandeling te ondergaan,
de vergoeding daarvoor ontvangt die hij gekregen zou hebben als ware hij verzekerd in die andere lidstaat.
Tussen partijen staat vast dat [eisers] in België een uitkering van € 0,- voor deze operatie zou hebben ontvangen, aangezien de kliniek niet was aangesloten bij het uitvoeringsorgaan van de Belgische ziektekostenverzekering.
voor zoverhet hof heeft geoordeeld dat van toestemming in de zin van de Coördinatieverordening slechts sprake kan zijn in een van de in art. 20 lid Pro 2 (tweede volzin) geschetste scenario’s waarin toestemming niet mag worden
geweigerd, dit oordeel onjuist is. Toestemming kan ook worden gegeven buiten de gevallen om waarin toestemming niet mag worden geweigerd. Uit een dergelijke vrijwillige toestemming ontstaan dezelfde uit art. 20 lid 2 voortvloeiende Pro verplichtingen.
voor zoverhet hof (impliciet) heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat de uitkering in België € 0,- zou zijn geweest omdat [eisers] dat in eerste aanleg gerechtelijk zouden hebben erkend in de zin van art. 154 Rv Pro, het hof miskent dat art. 154 Rv Pro een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning vereist. Daarvan is geen sprake.
Onderdeel 1.7bevat een daarop aansluitende motiveringsklacht.
volledigevergoeding van de kosten van die operatie als de heupoperatie wordt verricht door een zorgaanbieder die niet bij het uitvoeringsorgaan is aangesloten, zoals VGZ heeft gesteld en kennelijk ook het hof doorslaggevend heeft geacht. [67]
stelling (ii)geldt het volgende. Deze stelling is niet essentieel en ook niet relevant. Dat VGZ een zekere vergoeding heeft betaald betekent niet dat op grond van Belgisch recht aanspraak op vergoeding bestaat, laat staan op een vergoeding die hoger is dan wat VGZ al heeft betaald. Langs dezelfde lijn kan worden beredeneerd dat gedeeltelijke vergoeding van de kosten een indicatie is dat nu juist géén volledige vergoeding verschuldigd is krachtens Belgisch recht, maar een vergoeding krachtens Nederland recht, bijv. op grond van art. 7 lid 4 van Pro de Patiëntenrichtlijn (zoals hiervoor uiteengezet).
stellingen (iii)en
(iv)zie ik een zekere spanning. Deze stellingen waren in hoger beroep blijkens de vindplaatsen in de memorie van grieven onderdeel van één betoog, namelijk dat het er voor toepassing van art. 20 van Pro de Coördinatieverordening niet toe doet of [de orthopedisch chirurg] (dan wel de heupkliniek) geconventioneerd is. Dit betoog wordt in de procesinleiding echter uit elkaar getrokken, waardoor er een spanning lijkt te ontstaan tussen stelling (iii) en stelling (iv). Stelling (iii) houdt immers voor dat relevant is dat [de orthopedisch chirurg] een niet-geconventioneerde zorgaanbieder is en op die grond zelf het ereloon mag bepalen. Stelling (iv) echter houdt voor dat het er niet toe doet of [de orthopedisch chirurg] wel of niet geconventioneerd is omdat dit voor de toepassing van de Coördinatieverordening geen verschil maakt.
aangeslotenzijn bij het uitvoeringsorgaan van de Belgische ziektekostenverzekering. Uit de toelichting op stelling (iii) blijkt bovendien dat niet geconventioneerd zijn iets anders is dan niet aangesloten zijn. Niet geconventioneerd zijn betekent dat [de orthopedisch chirurg] zelf het ereloon bepaalt wat volgens [eisers] in de praktijk kan betekenen dat een patiënt minder vergoed krijgt van de ziekenfondsen dan de arts in rekening brengt. Daaruit blijkt al dat er een verschil kan bestaan tussen het bedrag dat verzekerden aan de behandelend zorgaanbieder moeten betalen en wat zij daarvan van de zorgverzekeraar terugkrijgen. Dat duidt erop dat de vraag hoeveel de patiënt vergoed krijgt in principe losstaat van de vraag of de zorgaanbieder al dan niet geconventioneerd is. Daarmee bestrijdt deze stelling dus niet de relevantie van al dan niet aangesloten zijn bij het uitvoeringsorgaan van de Belgische ziektekostenverzekering voor de hoogte van de vergoeding. Stelling (iii) is daarom niet essentieel. Als gezegd (zie 5.11) heb ik uit de stukken van [eisers] niet kunnen afleiden wat volgens hen in het Belgische stelsels precies de vergoeding is voor deze heuporaties zou zijn.
Belgisch rechtniet relevant is of de heupkliniek is aangesloten bij het uitvoeringsorgaan. Dát betoog is niet gevoerd. Voor zover in de stelling dat het voor toepassing van de Coördinatieverordening niet uitmaakt of de heupkliniek is aangesloten bij het uitvoeringsorgaan moet worden gelezen dat [eisers] bestrijden dat zij in België een uitkering van € 0,- zouden hebben ontvangen, kan dat evenmin worden gevolgd. Dit argument is in essentie een klacht dat het hof de Coördinatieverordening verkeerd heeft uitgelegd en voor toepassing van art. 20 een Pro vereiste relevant heeft geacht dat niet relevant is. Een daartoe strekkende rechtsklacht bevat het middel echter niet. Niet valt in te zien waarom het voor de begrijpelijkheid van het oordeel dat krachtens
Belgisch rechtde vergoeding € 0,- zou zijn geweest, nodig was dat het hof hierop respondeerde.
Evenmin is gebleken dat [eisers] ten aanzien van VGZ een beroep op de verticale werking van artikel 56 VWEU Pro toekomt. [eisers] heeft (onder verwijzing naar het Foster-arrest) gesteld dat de zorgverzekeraars moeten worden beschouwd als “
organisaties of lichamen, ongeacht hun rechtsvorm, die onder gezag of toezicht van de lidstaat staan of over bevoegdheden beschikken die afwijken van die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden”? Tevens heeft [eisers] naar het Farrell-arrest verwezen, waarin het HvJ EU bevestigt dat een organisatie waaraan een taak van algemeen belang is opgedragen en die daartoe over verdergaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die tussen particulieren gelden, zelfs als het een privaatrechtelijke organisatie is, bepalingen van een richtlijn (met rechtstreekse werking) kunnen worden tegengeworpen.
VGZ is een private onderneming die in concurrentie met andere (private) zorgverzekeraars haar diensten aanbiedt. Van diensten van algemeen belang is geen sprake en in ieder geval heeft VGZ voor de uitoefening van haar activiteiten zoals in dit geval aan de orde geen bijzondere bevoegdheden van de staat gekregen. Winst of verlies op haar ondernemingsactiviteiten komt voor eigen rekening en niet voor die van de lidstaat Nederland. Dat de wetgever regels stelt op basis waarvan VGZ (evenals andere zorgverzekeraars) opereert, zoals bijvoorbeeld de omvang van het te verzekeren basispakket van een zorgverzekering, maakt dat niet anders, althans leidt niet tot een situatie waarbij VGZ kan worden aangemerkt als een organisatie in de zin van het Foster- of Farrell-arrest.
Ook van verticale rechtstreekse werking is in dit geval daaróm geen sprake. Dit betekent dat artikel 56 VWEU Pro niet door [eisers] tegen VGZ kan worden ingeroepen.
Deze wet vormt aldus het nationale kader voor toetsing van dit geschil.
kunnen de bepalingen van de Patiëntenrichtlijn niet rechtstreeks een rol spelen in de relatie tussen VGZ en [eisers]. Het hof verwijst voor het gebrek aan verticale werking naar rechtsoverweging 3.19 van dit arrest: wat daar is geoordeeld over de gestelde verticale werking van een bepaling van een VwEU) verdragsbepaling geldt naar analogie ook voor de gestelde verticale werking van richtlijnbepalingen.
In een horizontale verhouding als hier aan de orde kunnen bepalingen van een richtlijn als deze evenmin worden ingeroepen, waarbij het hof in het midden laat of de bepalingen van deze richtlijn voldoen aan de eisen voor rechtstreekse werking.
Voorts geldt dat de Patiëntenrichtlijn niet aan toepassing van Zvw in de weg staat, aldus de Hoge Raad. Wel dient (artikel 13 van Pro) de Zvw te worden uitgelegd in het licht van doel en tekst van deze richtlijn.”
onderdeel 2.3miskent het hof, kort gezegd, dat (a) zorgverzekeraars kwalificeren als organisaties of lichamen die onder gezag of toezicht van de staat staan, althans uit dien hoofde over bevoegdheden beschikken die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden, [70] althans (b) aan zorgverzekeraars een taak van algemeen belang, althans de uitvoering van een dienst van openbaar belang, is opgedragen en daartoe onder toezicht van de overheid staan, althans daartoe over verdergaande bevoegdheden beschikken dan die welke voortvloeien uit de regels die tussen particulieren gelden, [71] zodat zij kwalificeren als overheidsinstantie jegens wie art. 56 VWEU Pro althans de Patiëntenrichtlijn kan worden ingeroepen.
hebbende verzekerden van VGZ toestemming verkregen om een heupoperatie te laten uitvoeren in België. VGZ
heeft, conform de Patiëntenrichtlijn, de vergoeding betaald die zij in dezelfde omstandigheden zou hebben betaald aan een (net als de heupkliniek)
niet-gecontracteerdezorgaanbieder in Nederland voor de betrokken verrichtingen. Dat een
gecontracteerdezorgaanbieder meer betaald krijgt acht ik niet relevant. Voor zover al gesproken zou kunnen worden van een belemmering van het vrij verkeer van diensten, acht ik die belemmering bovendien gerechtvaardigd om dezelfde reden als waarom het toepassen van een korting op de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg in Nederland gerechtvaardigd is: compensatie van kosten en het garanderen van de stabiliteit van het naturastelsel dat gebaseerd is op het afnemen van
gecontracteerdezorg. De maatregel is daarom ook proportioneel aan het daarmee nagestreefde doel.
algemene opmerkingen.
une émanation de l’état– kunnen bepalingen van Unierecht
verticaalworden ingeroepen.
Marshall-arrest [73] waarin het ging om een bepaling in de (toenmalige) Richtlijn 76/207/EEG inzake gelijke behandeling mannen en vrouwen. Verweerder in die zaak was een overheidsinstelling op het terrein van de gezondheidszorg, die optrad als werkgever. Het HvJEU oordeelde dat wanneer iemand zich op (de directe werking van een bepaling van) een richtlijn kan beroepen, hij dit kan doen onverschillig de hoedanigheid waarin de staat handelt, als werkgever of als overheid. [74] Redengevend daarvoor is dat moet worden voorkomen dat de staat voordeel heeft van zijn miskenning van het Unierecht, bijvoorbeeld door de onjuiste of onvolledige omzetting van een richtlijn. [75]
Foster– waar [eisers] een beroep op doen – heeft het HvJEU een ruim begrip van ‘staat’ in de context van directe werking van een richtlijnbepaling aanvaard. Het HvJEU oordeelde dat justitiabelen op onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige – en dus rechtstreeks werkende – bepalingen van dezelfde richtlijn als in
Marshalleen beroep konden doen tegenover organisaties of lichamen die onder gezag of toezicht van de staat stonden of die over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikken dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden. Hieronder vallen ook privaatrechtelijke rechtspersonen die publieke functies uitoefenen, zoals in die zaak werd aangenomen voor British Gas Corporation. [76]
Farrellverduidelijkte het HvJEU dat de zojuist genoemde voorwaarden dat het betrokken lichaam, respectievelijk, onder gezag of toezicht staat van de staat en over bijzondere bevoegdheden beschikt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden, niet cumulatief gelden. Bijgevolg kunnen aan een entiteit of een lichaam waaraan een lidstaat een taak van algemeen belang heeft opgedragen, en die daartoe over bevoegdheden beschikt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden, zelfs indien die entiteit of dat lichaam privaatrechtelijk van aard is, de bepalingen van een richtlijn met rechtstreekse werking worden tegengeworpen. [77] Die zaak betrof de vordering van een particulier tegen het Motor Insurers Bureau of Ireland.
overheidsprerogatieven” zijn toegewezen en zij niet als overheidsorganen in deze zin kunnen worden beschouwd.
Farrell-arrest (een overheidsinstantie heeft aan een onderneming een taak van algemeen belang toevertrouwd) tot de conclusie voert dat VGZ, en de andere Nederlandse zorgverzekeraars, met de Staat moeten worden gelijk gesteld. Dat lijkt mij niet het geval.
basisverzekeringdiverse solidariteitselementen. De belangrijkste daarvan is de acceptatieplicht, waardoor risicoselectie en differentiatie van de nominale premie op basis van verzekerdenkenmerken zijn verboden. Bovendien stelt de overheid het te verzekeren ‘basispakket’ vast. Vanwege deze verplichtingen zijn zorgverzekeraars voor de uitvoering van de basisverzekering een ‘onderneming belast met een dienst van algemeen economisch belang’ als bedoeld in art. 106 lid 2 VWEU Pro (en art. 25b lid 1 Mededingingswet). Een en ander vormt echter geen grond om zorgverzekeraars voor de toetsing aan art. 56 VWEU Pro of de Patiëntenrichtlijn gelijk te stellen met de Staat (of meer algemeen: met overheden).
bevoegdhedendie verder gaan dan die welke voortvloeien uit regels die tussen particulieren gelden. De omstandigheden die het middel noemt (zie 5.29) wijzen daar ook niet op. Integendeel, de meeste van die omstandigheden behelzen juist een
beperkingvan de bevoegdheden van de zorgverzekeraar. Dat de overheid het basispakket vaststelt (art. 10-12 Zvw) en er een uniform en verplicht eigen risico bestaat (par. 3.4 Zvw) duidt niet op bevoegdheden van VGZ die verder gaan dan de bevoegdheden die voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden.
omdatdie het deels door de staat wordt gefinancierd. [81]
Pensions-Sicherungs-Verein VVaG(afgekort PSV). [82] PSV was door de betrokken lidstaat aangewezen als waarborgorgaan voor bedrijfspensioenen bij insolventie van werkgevers, en was onderworpen aan prudentieel toezicht. Voorts inde het bij werkgevers, krachtens publiekrecht, verplichte premies en kon het, zoals een overheidsorgaan, de voorwaarden voor gedwongen tenuitvoerlegging in het leven roepen door een bestuursrechtelijke handeling vast te leggen. PSV kon daarom met de staat worden gelijkgesteld. Het contrast met VGZ illustreert waarom VGZ niet is bekleed met bijzondere bevoegdheden. VGZ beschikt niet over bevoegdheden op basis van publiekrecht om premies te innen, en bestuursrechtelijke handelingen te verrichten. In Nederland is de verantwoordelijkheid voor het naleven van de verzekeringsplicht niet bij de zorgverzekeraars neergelegd maar bij het CAK (art. 9a e.v. Zvw), dat ook bevoegd is om bij betalingsachterstanden langs bestuursrechtelijke weg betaling van premies te vorderen van verzekerden (art. 18d e.v. Zvw).
onderdelen 2.4-2.6.
de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen betreffende het vrij dienstenverkeer van goederen, kapitaal en personen niet van toepassing zijn”. Tussen partijen is niet in geschil dat de heupoperaties met voor- en nazorg diensten in de zin van artikel 56 VWEU Pro zijn.
niet-publiekrechtelijke regelingen die op collectieve wijze de verrichting van diensten beogen te regelen”. Een uitbreiding van de horizontale directe werking ten aanzien van overeenkomsten of andere rechtsverhoudingen tussen particulieren, heeft het HvJ EU nog niet aanvaard. Gesteld noch gebleken is dat het in dit geval gaat om een niet-publiekrechtelijke regeling die op collectieve wijze de verrichting van dienst[en] beoogt te regelen. Daarom komt [eisers] geen rechtstreeks horizontaal beroep tegenover VGZ op artikel 56 VWEU Pro toe.
Mangold-arrest [83] zou volgen dat in horizontale verhoudingen bepalingen van nationaal recht die strijdig zijn met een richtlijn buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer dit wordt vereist uit hoofde van algemene beginselen, “
zoals art. 56 VWEU Pro”. Het middel wijst op arresten waarin het HvJEU oordeelde dat er grond was om met een richtlijn strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk was ter wille van eerbiediging van algemene beginselen van het Unierecht. In zoverre kan dus wel een beroep worden gedaan op (de horizontale werking van) art. 56 VWEU Pro, ook voor zover het recht waarop een beroep gedaan wordt is geharmoniseerd door de Patiëntenrichtlijn.
niet publiekrechtelijke regelingen die op collectieve wijze de verrichting van diensten beogen te regelen.” Zo heeft het HvJEU in het
Angonese-arrest [84] geaccepteerd dat het non-discriminatiebeginsel horizontale werking heeft in private rechtsrelaties waarin geen van partijen in staat is een bepaalde aangelegenheid collectief te regelen. In het
Viking-arrest [85] heeft het HvJEU overwogen dat toepassing van art. 49 VWEU Pro (vrijheid van vestiging) niet beperkt is tot “
quasi overheidslichamen of tot verenigingen die een regulerende functie uitoefenen en over quasi-wetgevende bevoegdheid beschikken.” In dat licht moet gelden dat art. 56 VWEU Pro jegens zorgverzekeraars inroepbaar is, voor zover zij uitvoering geven aan hun taken als zorgverzekeraar.
onderdelen 3.1-3.3lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In de kern gaat het om drie juridische vragen.
Tedeschi-regel’: als een onderwerp uitputtend is geharmoniseerd in EU-wetgeving, vormt de harmonisatiemaatregel in kwestie het enige toetsingskader. Deze regel, genoemd naar het arrest in de zaak
Tedeschi/Denkavituit 1977, [86] is door de jaren heen steeds bevestigd. [87] Ook recent nog, bijvoorbeeld in het arrest
Bursa Românăvan 2 maart 2023: [88]
The Law of the European Unionstaat:
Tedeschi-principle, relevant specific secondary EU legislation must be applied before primary EU law. In practice therefore, it must first be assessed whether the Services Directive, or any other secondary law, applies to a given situation before applying the Treaty provisions on services or establishment.” [90]
Tedeschi-regel voorkomt dat ook na harmonisatie van wetgeving beroep kan worden gedaan op de rechtvaardigingsgronden genoemd in het VWEU of op de ongeschreven rechtvaardigingsgronden die zijn erkend in de ‘
rule ofreason’- rechtspraak. De tegenhanger daarvan is dat eventuele handelsbelemmeringen op grond van gemeenschappelijke normen als gerechtvaardigd moeten worden aangemerkt. De
Tedeschi-regel betekent dat in geval van uitputtende harmonisatie nationale regelingen niet meer getoetst worden aan primair Unierecht maar enkel aan de toepasselijke bepalingen van de harmonisatiemaatregel. De
Tedeschi-regel leidt er echter niet toe dat verdragsbepalingen geheel buiten beschouwing moeten blijven. De harmonisatiemaatregel moet namelijk in overeenstemming met het primaire recht worden uitgelegd en mag hiermee niet in strijd zijn. [91] Behalve ‘de verdragen’ (VEU, VWEU en Euratom) behoren ook de algemene rechtsbeginselen en het EU-Handvest van de grondrechten (hierna:
Handvest) tot het primaire Unierecht.
Veselības ministrijauit 2020 bevestigd dat de Patiëntenrichtlijn een codificatie vormt van de rechtspraak van het HvJEU over grensoverschrijdend patiëntenverkeer, waarna het nog slechts heeft getoetst aan de Patiëntenrichtlijn en niet aan art. 56 VWEU Pro. [92] [eisers] doen in deze zaak beroep op art. 7 lid 4 van Pro de Patiëntenrichtlijn, dat de codificatie vormt van het
Vanbraekel-arrest. Het onderwerp terugbetaling van kosten van grensoverschrijdende zorg, waar deze zaak over gaat, is in art. 7 van Pro de Patiëntenrichtlijn uitputtend geharmoniseerd. De
Tedeschi-regel brengt daarom mee dat in deze zaak aan art. 56 VWEU Pro niet moet en zelfs niet kan worden getoetst, zoals het hof met juistheid heeft geoordeeld. [93]
niet bevoegdis om op grond van een richtlijn aan particulieren verplichtingen op te leggen. Ik citeer het arrest
Smithuit 2018:
Mangold, waar het middel een beroep op doet, was Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep aan de orde. Inzet van die zaak was of sprake was van verboden leeftijdsdiscriminatie. Dit arrest uit 2005 heeft, net als het latere arrest
Kücükdeveci, [95] veel pennen in beweging gebracht, [96] onder andere omdat het verbod van horizontale werking van richtlijnbepalingen er door leek te worden omzeild. Het HvJEU heeft namelijk de problematiek naar het hogere niveau van algemene rechtsbeginselen getild, die wel horizontale werking kunnen hebben (net zoals bepalingen van het Handvest, waaronder art. 21) en waarop een werknemer zich tegenover zijn werkgever wél kan beroepen. Ook in de andere zaken waarnaar in de procesinleiding wordt verwezen, [97] is het beginsel van non-discriminatie aan de orde of gaat het om rechten die beschermd zijn op grond van het Handvest (zoals het door art. 31 lid 2 van Pro het Handvest gewaarborgde recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon).
Tedeschi-regel onverminderd van toepassing.
Tedeschi-regel toepassing mist zie ik niet, en is bij mijn weten in deze context niet aanvaard in de rechtspraak van het HvJEU. [99]
Mangold-arrest kan [eisers] daarom niet baten. Ik merk nog op dat de praktische betekenis van het ontbreken van horizontale werking van richtlijnbepalingen niet moet worden overschat omdat via het leerstuk van richtlijnconforme uitleg van het nationale recht in veel gevallen feitelijk hetzelfde resultaat kan worden bereikt.
onderdeel 3.3bestaat geen belang als onderdeel 3.2 faalt omdat toetsing aan art. 56 VWEU Pro dan überhaupt niet meer aan de orde is. Voor de volledigheid licht ik toe waarom onderdeel 3.3 ook op inhoudelijke gronden moet stranden.
Walrave, Bosman en Deliège), [101] vakbonden (
Viking), [102] maar ook voor een collectiviteit van ziekenhuizen (
Ferlini) [103] en bijvoorbeeld voor de Nederlandse Orde van Advocaten (
Wouters). [104] Dergelijke organisaties hebben verordenende of regelgevende bevoegdheden en zijn in zoverre gelijk te stellen aan publiekrechtelijke regelgevers. Gevolg is dat zij zowel zijn gebonden aan de verdragsverplichtingen voor overheden (de vrijverkeerregels) als aan de regels voor ondernemersverenigingen (de mededingingsregels). [eisers] stellen niet dat VGZ is aan te merken als een organisatie in de hier bedoelde zin. Het oordeel van het hof dienaangaande (in rov. 3.18) staat daarmee vast.
ITWF/Viking, naar mijn mening tevergeefs. In de rechtsoverwegingen waarnaar het middel verwijst beantwoordt het HvJEU de vraag of art. 49 VWEU Pro (vrijheid van vestiging) ingeroepen kan worden door een particuliere onderneming tegen een vakvereniging of verbond van vakverenigingen. Het HvJEU herhaalt, in iets andere bewoordingen, in punt 58 vaste rechtspraak waaraan ook het hof in de bestreden rechtsoverweging refereert, en past die vervolgens toe op de collectieve acties in die zaak: “60.
Zoals blijkt uit de punten 35 en 36 van dit arrest, hebben de collectieve acties van de FSU en de ITF de totstandkoming van een overeenkomst tot doel die op collectieve wijze de arbeid van de werknemers van Viking regelt, zijn deze twee vakverenigingen geen publiekrechtelijke entiteiten en oefenen zij de juridische autonomie uit, die hen onder meer door het nationale recht wordt toegekend.” Het HvJEU past aldus precies dié toets toe die eerder was toegepast ten aanzien van sportfederaties. Ik bespeur hier geen verruiming van de horizontale werking van art. 56 VWEU Pro.
Angoneseuit 2000. [105] Angonese was een perfect tweetalige Italiaan (DE/IT) die in Zuid-Tirol wilde werken bij een spaarbank, maar bij zijn sollicitatie niet het juiste – op grond van een collectieve regeling vereiste – attest van zijn tweetaligheid kon overleggen. In deze nogal specifieke feitelijke context met een collectief element, werd het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing verklaard op de private werkgever. Het HvJEU stelde vast dat ook particulieren onderworpen zijn aan het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit, in het bijzonder wanneer een groep of organisatie ‘
een zekere macht uitoefent over particulieren’ en in staat is hun voorwaarden op te leggen waardoor de uitoefening van de door de verdragen gewaarborgde vrijheden wordt bemoeilijkt. Uit het
Angonese-arrest volgt mijns inziens niet dat ten opzichte van particulieren ook het verbod van niet-discriminerende belemmeringen kan worden ingeroepen. [106]
Angonesehet geval was voor het vrij verkeer van werknemers en personen, is uitgemaakt dat art. 56 VWEU Pro horizontale werking heeft en dus een rechtstreekse bron van verplichtingen kan zijn voor particuliere partijen. Voor zover geen sprake is van een niet publiekrechtelijke regelingen die op collectieve wijze de verrichting van diensten beogen te regelen, kan art. 56 VWEU Pro hooguit, en naar analogie van het
Angonese-arrest, horizontale werking hebben als sprake is van een discriminatoire belemmering van het vrije dienstenverkeer. [107] Daar is in deze zaak evenwel geen sprake van.
Deckeren
Kohllvan 28 april 1998 - zijn destijds aanleiding geweest voor een advies van een interdepartementale werkgroep waarin de mogelijke gevolgen van die rechtspraak in kaart zijn gebracht, zowel voor het toen door de (regionale) ziekenfondsen uitgevoerde naturastelsel als voor wat toen ‘particuliere verzekeringen’ heetten, die werden aangeboden door particuliere ziektekostenverzekeraars en in beginsel waren gebaseerd op een restitutiestelsel. In het kader van dit ambtelijk advies is de vraag van de horizontale werking van (toen) art. 59 EG Pro aan de orde geweest, maar niet expliciet beantwoord. [108] Er werd nog wel op gewezen dat particuliere zorgverzekeraars zich kunnen beroepen op de rechtvaardigingsgronden die het Hof heeft geformuleerd voor beperkingen van het dienstenverkeer. [109]
vergoeding van de kosten voor medische hulp in het buitenland is uitgesloten, tenzij de noodzakelijke hulp in Nederland niet geboden kan worden.” Met een beroep op die contractuele bepaling had VGZ geweigerd de kosten te vergoeden van een medische behandeling in Duitsland, waarvoor zij geen toestemming had verleend. Genoemd hof overweegt dat de bepalingen over het vrij verkeer van diensten van toepassing zijn en dat het toestemmingsvereiste daaraan moet worden getoetst. Ik citeer (mijn onderstreping):
een zekere macht uitoefent over andere particulierenen in staat is hun voorwaarden op te leggen waardoor de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, waaronder het beginsel van vrij verkeer van diensten, wordt bemoeilijkt.
Angonese-arrest toegepast op het vrije dienstenverkeer (zonder expliciet naar dat arrest te verwijzen). Dat is niet zo verwonderlijk omdat de gelaakte polisvoorwaarde van VGZ in die zaak een discriminerend karakter had. In de Arnhemse zaken, zowel het kort geding in 2015 als de onderhavige bodemprocedure, geldt een toestemmingsvereiste conform de Europese regelgeving, is er toestemming verleend en is een vergoeding betaald (die een groot deel van de kosten dekt) die bovendien gelijk is aan de kosten die zouden zijn vergoed als de zorg bij een niet-gecontracteerde zorg in Nederland was betrokken Het geschil draait hier enkel om het gedeelte van de kosten dat door VGZ niet vergoed is (zie 2.1.5).
74 Aan de in artikel 7 van Pro richtlijn 2011/24 bedoelde terugbetaling kan dus een dubbele beperking worden gesteld. Ten eerste wordt het bedrag van de terugbetaling berekend op basis van de tarieven die gelden voor de gezondheidszorg in de lidstaat van aansluiting. Ten tweede kan het bedrag van deze terugbetaling niet hoger zijn dan de feitelijke kosten van de ontvangen gezondheidszorg ingeval de kosten van de in de ontvangende lidstaat verleende gezondheidszorg lager zijn dan de kosten van de gezondheidszorg die in de lidstaat van aansluiting wordt verleend.
gecontracteerdezorg in Nederland de vergelijkingsmaatstaf moet zijn en niet het (lagere) tarief voor niet-gecontracteerde zorg. Art. 7 leden Pro 1 en 4 van de Patiëntenrichtlijn verzetten zich ertegen dat als zorg bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in een andere lidstaat wordt afgenomen, de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg op grond van art. 13 Zvw Pro wordt gekort. De Patiëntenrichtlijn verlangt dat een vergelijking wordt gemaakt met de kosten die zouden worden vergoed bij afname van de zorg in het nationale vergoedingssysteem. Het Nederlandse stelsel neemt tot uitgangspunt dat zorg bij een gecontracteerde zorgaanbieder wordt afgenomen. De juiste vergelijking is dan ook die met de kosten bij afname van zorg bij een gecontracteerde zorgaanbieder. Daarvoor is niet van belang dat de verzekerde een naturapolis heeft, nu enkel bij die polisvorm voor de vergoeding relevant is of de verzekerde de zorg afneemt bij een gecontracteerde of een niet-gecontracteerde zorgaanbieder.
op grond van het Unierechtniet toch
gecontracteerdeNederlandse zorgaanbieders de vergelijkingsmaatstaf dienen te zijn, omdat een naturaverzekering en daarom gecontracteerde zorg in Nederland de regel is.
indirecte discriminatieomdat er nauwelijks buitenlandse zorgaanbieders zijn die met Nederlandse zorgverzekeraars hebben gecontracteerd zodat het niet volledig vergoeden van de behandelingskosten buitenlandse zorgaanbieders naar verhouding meer raakt. Of er zou op zijn minst sprake zijn van een
belemmeringvan het vrije dienstenverkeer, die niet kan worden gerechtvaardigd.
gecontracteerdezorg als uitgangspunt moeten worden genomen, en niet de kosten van
niet-gecontracteerdezorg teneinde te voorkomen dat de korting discriminerende of belemmerende effecten heeft.
gecontracteerdezorg. De brief van de Commissie is niet openbaar. Voor zover ik heb kunnen nagaan is op deze ingebrekestelling, die de wijze van omzetting van de Patiëntenrichtlijn betreft, geen met redenen omkleed advies gevolgd. [121]
discriminerende maatregelis mijns inziens geen sprake. Het onderscheidend criterium is het al dan niet gecontracteerd zijn, niet de locatie waar de zorgaanbieders zijn gevestigd. Het gaat om gelijke gevallen (niet-gecontracteerde buitenlandse zorgaanbieders en niet-gecontracteerde Nederlandse zorgaanbieders) die gelijk worden behandeld omdat op de vergoeding exact dezelfde korting wordt toegepast.
gecontracteerdezorgaanbieders zie ik evenmin. Deze twee categorieën van zorgaanbieders bevinden zich niet in een vergelijkbare situatie. Gecontracteerde zorgaanbieders hebben immers te maken met overeengekomen kwantitatieve beperkingen en kwalitatieve eisen; niet-gecontracteerde zorgaanbieders zijn daar niet aan gebonden. Dat geldt gelijkelijk voor zowel buitenlandse als voor Nederlandse niet-gecontracteerde zorgaanbieders.
een verboden belemmering van het vrij verkeer van dienstenis mijns inziens evenmin sprake. Ik gaf dat reeds kort aan in 5.32. Hierna onderscheid ik vier redenen waarop ik mijn oordeel baseer.
eerste redenis dat de gelijke behandeling met Nederlandse niet-gecontracteerde zorgaanbieders verenigbaar is met de Patiëntenrichtlijn en met de rechtspraak van het HvJEU over het vrij verkeer van patiënten.
verschillende niveausvan vergoeding, mits de toegepaste criteria transparant en non-discriminatoir zijn. Ik verwijs verder naar het arrest
Müller-Fauré, waarin het HvJEU bepaalde dat lidstaten gehouden zijn de kosten van grensoverschrijdende zorg te vergoeden, maar daarbij zelf
de hoogtekunnen bepalen van de vergoeding voor behandelingen in een andere lidstaat, mits die vergoeding berust op objectieve, niet-discriminerende en transparante criteria (zie 4.17).
Veselības ministrija, [122] dat dateert van na de totstandkoming van de Patiëntenrichtlijn, bevestigde het HvJEU dat aan de terugbetalingsverplichting van art. 7 van Pro de Patiëntenrichtlijn een dubbele beperking kan worden gesteld. Ten eerste wordt het bedrag van de terugbetaling berekend op basis van “
de tarieven die gelden voor de gezondheidszorg in de lidstaat van aansluiting”. Ten tweede kan het bedrag van deze terugbetaling niet hoger zijn dan de feitelijke kosten van de ontvangen gezondheidszorg ingeval de kosten van de in de andere lidstaat verleende gezondheidszorg lager zijn dan de kosten van de gezondheidszorg in de lidstaat van aansluiting. Kennelijk gelden er volgens het HvJEU geen andere beperkingen. De toepassing van art. 7 van Pro de Patiëntenrichtlijn kan er volgens het HvJEU bovendien niet toe leiden dat de lidstaat van aansluiting wordt blootgesteld aan een extra financiële last in het geval van grensoverschrijdende zorg. Het HvJEU specificeert niet op welke tarieven wordt gedoeld met de verwijzing naar de tarieven die gelden voor de gezondheidszorg in de lidstaat van aansluiting. Ik meen dat hieruit kan worden afgeleid dat dit, bij het afnemen van zorg bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in een andere lidstaat, hetzelfde tarief dient te zijn als zou zijn vergoed bij het afnemen van zorg van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder in de lidstaat van aansluiting, althans dat de Patiëntenrichtlijn een dergelijk vergoedingsniveau toelaat. Anders zou de lidstaat van aansluiting immers wél worden blootgesteld aan een extra financiële last.
niet-gecontracteerdezorgaanbieder uit een andere lidstaat volledig door de Nederlandse zorgverzekeraar moet worden vergoed, in de zin dat de kosten integraal worden gedekt en de patiënt niets zelf hoeft te betalen, dan heeft deze zorgaanbieder het beste van twee werelden. Het gevolg is concurrentievervalsing, zowel ten opzichte van gecontracteerde zorgaanbieders (die contractueel gebonden zijn aan beperkingen) als ten opzichte van Nederlandse niet-gecontracteerde zorgaanbieders (die als gevolg van de korting een lagere vergoeding ontvangen). Het gevolg van deze verschillen in behandeling laat zich raden. De Nederlandse patiënt krijgt een oneigenlijke prikkel om zich buiten Nederland te laten behandelen voor planbare zorg. Bovendien zullen Nederlandse niet-gecontracteerde zorgaanbieders niet nalaten te betogen dat als buitenlandse niet- gecontracteerde verzekeraars hetzelfde vergoed krijgen als Nederlandse gecontracteerde aanbieders, dat ook voor hen moet gelden. Het behoeft nauwelijks betoog dat het wettelijk stelsel, waarin voor naturaverzekerden zorgverlening door gecontracteerde partijen de regel is, daarmee ernstig onder druk zal komen te staan.
Verzekerden met een naturapolis hebben aanspraak op zorg te verlenen door zorgaanbieders die daartoe door de zorgverzekeraar zijn gecontracteerd en in het geval men niet-gecontracteerde zorg inroept, op een door de zorgverzekeraar vast te stellen redelijke vergoeding. De vergoeding is gelijk, ongeacht of deze in Nederland of elders in Europa wordt ingeroepen.” [124]
Immers, in het geval de verzekerde heeft gekozen voor een naturaverzekering, zal de vergoeding voor zorg genoten bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland op grond van de modelovereenkomst even hoog zijn als bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland.
In zijn artikel lijkt prof. mr. J.W. van de Gronden uit te gaan van een interpretatie van de richtlijn waarbij de vergoeding van zorg genoten bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland gelijk moet zijn aan de vergoeding van zorg bij een gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland. Deze interpretatie deel ik niet.
Zij vindt naar mijn mening noch steun in artikel 7 van Pro de richtlijn, noch in overweging (4) bij de richtlijn, waarin staat dat implementatie van de richtlijn er niet toe mag leiden dat verzekerden worden aangemoedigd om zich in het buitenland te laten behandelen. Daar zou immers sprake van zijn indien de vergoeding van zorg bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland hoger zou zijn dan bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder in Nederland.
Inherent aan de keuze is, dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg in het buitenland voor een naturapolishouder niet gelijk is aan de vergoeding die zorgverzekeraar betaalt aan een door hem (wel) gecontracteerde zorgaanbieder binnen Nederland. Binnen de gekozen polis is de vergoeding gelijk, ongeacht de plaats waar de niet-gecontracteerde zorg wordt ingeroepen, in binnen of buitenland. Hiermee is voldaan aan artikel 7, vierde lid van de Richtlijn.”
CZ/Momentum,
Achmea/Conductoreen recent het arrest in de collectieve actie van
Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze, naar mijn mening evenzeer geldt voor grensoverschrijdende situaties.
Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze [129]
Onderdeel 4.5klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in het licht van een viertal essentiële stellingen waaruit volgens [eisers] volgt dat Nederlandse zorgverzekeraars niet of nauwelijks met buitenlandse zorgaanbieders contracteren, en dat afname van grensoverschrijdende zorg voor Nederlandse verzekerden dus niet aantrekkelijk is, hetgeen belemmerend en/of discriminerend is voor buitenlandse zorgaanbieders. Deze stellingen behoefden een respons, aldus de klacht.
Onderdeel 4.6klaagt dat,
voor zoverhet hof zou hebben aangenomen dat art. 13 Zvw Pro zich niet leent voor de door [eisers] voorgestane richtlijnconforme uitleg, dat oordeel ook onjuist althans onbegrijpelijk is. De slotzinsnede van art. 13 lid 1 Zvw Pro dat de verzekerde bij niet-gecontracteerde zorg “
recht heeft op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding voor de voor deze zorg of dienst gemaakte kosten” laat zich zo uitleggen dat de door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding gelijk dient te zijn aan de vergoeding die geldt voor gecontracteerde zorg of de vergoeding die naar objectieve maatstaven zou zijn betaald als de buitenlandse zorgaanbieder in Nederland gevestigd zou zijn geweest. Die uitleg leidt niet tot een
contra legem-uitleg van art. 13 lid 1 Zvw Pro.
Onderdeel 4.7, tot slot, klaagt over het oordeel uit de eerste paragraaf van rov. 3.26 van het bestreden arrest. Dit is onjuist, dan wel onbegrijpelijk, omdat slechts bij een naturapolis kosten niet volledig worden vergoed wanneer de zorg wordt afgenomen bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Bij een restitutiepolis worden steeds alle kosten vergoed. De strijd met de Patiëntenrichtlijn ontstaat dus alleen bij naturapolissen. Bovendien komt het recht op behandeling bij afname van gecontracteerde zorg ook bij een naturapolis materieel gezien neer op een volledige vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraar, nu de verzekerde in dat geval niet zelf hoeft bij te dragen.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
contra legem. Het middel klaagt dat
voor zoverin rov. 3.23-3.26 een verwerping van dit
contra legem-verweer moet worden gelezen, dat oordeel onjuist, dan wel onbegrijpelijk is.