ECLI:NL:PHR:2023:703

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juli 2023
Publicatiedatum
28 juli 2023
Zaaknummer
23/02054
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:2 WvggzArt. 7:6 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 5:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van machtiging voortzetting crisismaatregel bij medische verklaring van niet-onafhankelijke psychiater

In deze zaak gaat het om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een herbeoordeling en instemming van een onafhankelijke psychiater met een medische verklaring van een niet-onafhankelijke psychiater voldoende is voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

De feiten betreffen een crisismaatregel die op 20 februari 2023 is genomen op basis van een medische verklaring van een psychiater die niet voldeed aan de onafhankelijkheidseis. Op dezelfde dag heeft een onafhankelijke psychiater de betrokkene onderzocht en zonder voorbehoud ingestemd met de medische verklaring. De rechtbank verleende vervolgens een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel.

De betrokkene stelde in cassatie dat de brief van de onafhankelijke psychiater niet voldeed aan de eisen van een medische verklaring zoals bedoeld in de Wvggz en dat dit een schending van het EVRM betekende. De Hoge Raad overwoog dat bij de beoordeling van de voortzetting van de crisismaatregel de actuele situatie leidend is en dat een nieuwe medische verklaring in beginsel niet vereist is. De Hoge Raad achtte de herbeoordeling en instemming van de onafhankelijke psychiater voldoende, omdat deze daarmee de inhoud van de medische verklaring voor zijn rekening neemt.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat de klachten van de betrokkene falen en dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel rechtmatig is verleend op basis van de herbeoordeling door de onafhankelijke psychiater.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel op basis van de herbeoordeling door de onafhankelijke psychiater.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02054
Zitting28 juli 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding

In deze zaak op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) is een crisismaatregel genomen op basis van een medische verklaring die is opgesteld door een psychiater die niet voldeed aan de onafhankelijkheidseis. Op dezelfde dag, na het nemen van de crisismaatregel, heeft een onafhankelijke psychiater in een door hem ondertekende brief verklaard dat hij de betrokkene heeft onderzocht en zonder voorbehouden instemt met de medische verklaring. In cassatie gaat het om de vraag of de rechtbank heeft kunnen oordelen dat de herbeoordeling en instemming van de onafhankelijk psychiater voldoende is om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank Overijssel op 21 februari 2023, heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de crisismaatregel die op 20 februari 2023 om 11:39 uur ten aanzien van betrokkene is genomen. Met de uitvoering van de maatregel is belast [A].
2.2
Tot de bij het verzoekschrift overgelegde stukken behoort een medische verklaring van [psychiater 1] , die betrokkene op 20 februari 2023 om 10:30 uur heeft onderzocht. Ook is overgelegd een e-mail van Mediant aan het Openbaar Ministerie die op 20 februari 2023 om 13:59 uur is verstuurd en waarin is vermeld:
“Vanmorgen is er door [psychiater 1] een CM uitgeschreven. Zij was echter niet onafhankelijk en daarom is cliënt vanmiddag gezien en beoordeeld door [psychiater 2] , psychiater. In de bijlage treft u de herbeoordeling.”
2.3
Bij het verzoekschrift is verder overgelegd een door [psychiater 2] ondertekende brief aan de officier van justitie van 20 februari 2023, met de volgende inhoud:

Verklaring (her)beoordeling door psychiater
(…)
Datum onderzoek: 20-02-2023
Naam psychiater herbeoordeling: [psychiater 2]
Ik heb cliënt onderzocht en kennis genomen van de oorspronkelijke medische verklaring en stem zonder voorbehouden in met de inhoud ervan.”
2.4
Op dinsdag 24 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens deze zitting gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een verpleegkundig specialist. De advocaat heeft aangevoerd:
“Een psychiater heeft de medische verklaring opgesteld. Ik heb in de stukken gezien dat zij in deze casus niet een onafhankelijke psychiater is. Er heeft vervolgens een herbeoordeling plaatsgevonden door [psychiater 2] , diezelfde middag, die instemt met deze medische verklaring. Ik denk dat hier het wettelijk probleem zit, in die zin dat de herbeoordeling niet heeft geleid tot een nieuwe medische verklaring en dan is het naar mijn mening onvoldoende hoe het nu op papier is gezet. [psychiater 2] stemt enkel in met de medische verklaring zoals deze is opgesteld door een niet onafhankelijke psychiater. Dit betekent dat wat mij betreft het verzoek dient te worden afgewezen. Mocht u vinden dat deze herbeoordeling, waarbij de onafhankelijke psychiater instemt met de medische verklaring, wel voldoende is, dan is wel voldaan aan de criteria voor het verzoek.” [1]
2.5
Bij op 24 februari 2023 mondeling gegeven beschikking, waarvan de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 28 februari 2023, heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 17 maart 2023, voor diverse vormen van verplichte zorg. De rechtbank overwoog:
“De herbeoordeling door de onafhankelijke psychiater [ [psychiater 2] ] heeft niet tot een nieuwe medische verklaring geleid, maar tot een instemming van de huidige medische verklaring d.d. 20 februari 2023. De advocaat stelt dat deze instemming onvoldoende is om tot toewijzing van het verzoek te kunnen leiden. De rechtbank acht de herbeoordeling en instemming van de onafhankelijk psychiater [ [psychiater 2] ] voldoende om tot een toewijzing te kunnen leiden.”
2.6
Namens betrokkene is tijdig [2] beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel omvat twee onderdelen. Onderdeel 1 richt een rechtsklacht tegen het oordeel dat de herbeoordeling en instemming van de onafhankelijk [psychiater 2] met de medische verklaring van [psychiater 1] voldoende is om de verzochte machtiging te verlenen. Onderdeel 2 bouwt hierop voort en klaagt over schending van art. 5 en Pro 6 EVRM.
3.2
Onderdeel 1betoogt (onder a) dat de brief van [psychiater 2] rechtens ontoereikend is om te kunnen kwalificeren als een medische verklaring als bedoeld in art. 7:1 lid 3 onder Pro a Wvggz waarin deze zelf, volgens het standaardformulier/model en met redenen omkleed en ondertekend, “
zijn bevindingen vermeldt inzake de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, de noodzakelijk geachte vormen van verplichte zorg, en of de situatie bedoeld in het eerste lid zich voordoet”. Het onderdeel betoogt verder (onder b) dat de brief van [psychiater 2] niet kan gelden als een ondertekening door een onafhankelijk psychiater van de medische verklaring van [psychiater 1] . Volgens het onderdeel is het enkele bericht van onafhankelijk [psychiater 2] dat deze instemt met de medische verklaring van niet-onafhankelijk [psychiater 1] rechtens ontoereikend, net zoals in HR 10 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1232 is geoordeeld ten aanzien van een geval waarin een geneesheer-directeur heeft verklaard dat de medische verklaring afkomstig was van een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
3.3
Onderdeel 2betoogt dat om de in onderdeel 1 aangevoerde redenen de rechtbank niet heeft geoordeeld “
in accordance with a procedure prescribed by law” als bedoeld in art. 5 EVRM Pro, en heeft beslist met schending van het in art. 6 lid 1 EVRM Pro neergelegde beginsel van “
equality of arms”. Als de onafhankelijke psychiater in het kader van het medisch onderzoek zelf geen medische verklaring heeft opgesteld en ondertekend, is niet voldaan is aan alle vereisten voor een ‘
objective medical expertise’ onder art. 5 lid 1 onder Pro e EVRM. Dat in het kader van het medisch onderzoek door een onafhankelijk psychiater niet aan de wettelijke eisen is voldaan, leidt tot een schending van het door art. 6 lid 1 EVRM Pro gewaarborgde beginsel van “
equality of arms”, aldus het onderdeel.
3.4
Ik schets eerst kort het juridisch kader voor de bespreking van deze klachten.
3.5
Bij de beoordeling van een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel dient de rechter niet de rechtmatigheid van de crisismaatregel, maar alleen de rechtmatigheid van de voortzetting van de verplichte zorg te onderzoeken. [3] Dit betekent dat een gebrek in de crisismaatregel op zich niet in de weg staat aan het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. [4] Verder geldt dat de rechter bij deze beoordeling steeds dient uit te gaan van de actuele situatie ten tijde van zijn beslissing (beoordeling ‘ex nunc’). [5]
3.6
Art. 7:1 lid 3 aanhef Pro en onder a Wvggz bepaalt dat de burgemeester niet eerder de crisismaatregel neemt dan nadat hij ervoor zorg heeft gedragen dat een psychiater, indien van toepassing volgens het vastgestelde model, in een medische verklaring zijn bevindingen vermeldt inzake de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, de noodzakelijk geachte vormen van verplichte zorg, en of de situatie bedoeld in het eerste lid van deze bepaling zich voordoet (kort gezegd: onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, een ernstig vermoeden dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit nadeel veroorzaakt, de crisismaatregel kan dit nadeel wegnemen, een zorgmachtiging kan niet worden afgewacht). De burgemeester zendt de medische verklaring en een afschrift van zijn beslissing toe aan onder anderen de officier van justitie (art. 7:2 lid 2 Wvggz Pro). Wanneer de officier van justitie na ontvangst van deze documenten van oordeel is dat de grondslag voor een crisismaatregel aanwezig is, dient hij een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel in bij de rechtbank. De officier van justitie voegt onder meer de medische verklaring bij zijn verzoekschrift (art. 7:7 Wvggz Pro). Voor het verlenen van deze machtiging hoeft in beginsel geen nieuwe medische verklaring te worden opgemaakt.
3.7
In art. 7:1 lid 6 Wvggz Pro is voorzien in de mogelijkheid dat bij ministeriële regeling een model voor een medische verklaring ten behoeve van een crisismaatregel wordt vastgesteld. Tot dusver is een dergelijke regeling niet tot stand gekomen. [6] In de praktijk wordt gebruik gemaakt van modelverklaringen die door de betrokken beroepsorganisaties zijn opgesteld. [7] Doorgaans wordt de medische verklaring via een beveiligde elektronische verbinding (het Khonraad-systeem, opvolger van het voorheen gebruikte systeem Bopz-online) ingevuld en aan de burgemeester aangeboden. Ten aanzien van onder de Wet Bopz bij ministeriële regeling vastgestelde modellen voor geneeskundige verklaringen was het vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het gebruik van een ander dan het voorgeschreven model niet aan het verlenen van de machtiging in de weg hoeft te staan, mits de rechter vaststelt dat de overgelegde verklaring de gegevens bevat die nodig zijn voor het verlenen van de verzochte machtiging. [8] Het ligt volgens mij voor de hand dat deze lijn onder de Wvggz wordt voortgezet, daargelaten dat tot dusver geen modellen voor medische verklaringen bij ministeriële regeling zijn vastgesteld. [9]
3.8
Art. 5:7 Wvggz Pro bevat een aantal voorwaarden waaraan de psychiater die de medische verklaring opstelt moet voldoen. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. [10] Een van de voorwaarden is dat de psychiater minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene (art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz, vaak samengevat als ‘onafhankelijke psychiater’). De bewoordingen van de bepaling en de strekking daarvan bieden geen ruimte voor een belangenafweging of een medische verklaring als grondslag voor de verzochte machtiging kan worden aanvaard indien de termijn van één jaar niet in acht is genomen. [11]
3.9
Deze voorwaarden stroken met de rechtspraak van het EHRM dat voor vrijheidsbeneming op grond van een geestesstoornis als bedoeld in art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM is vereist dat in een “
objective medical expertise” wordt vastgesteld dat sprake is van een “
true mental disorder”. [12] In het Varbanov-arrest heeft het EHRM deze vereisten nader uitgewerkt:
“The Court considers that no deprivation of liberty of a person considered to be of unsound mind may be deemed in conformity with Article 5 § 1 (e) of the Convention if it has been ordered without seeking the opinion of a medical expert. (…) It may be acceptable, in urgent cases or where a person is arrested because of his violent behaviour, that such an opinion be obtained immediately after the arrest. In all other cases a prior consultation is necessary.” [13]
3.1
De Hoge Raad heeft verder uitgemaakt dat een medische verklaring die is opgesteld ten behoeve van een verzoek tot verlening van een machtiging in het kader van de Wvggz moet worden ondertekend door de onafhankelijke psychiater die deze verklaring heeft opgesteld. De Hoge Raad overwoog dat aldus voor een ieder duidelijk is dat de onafhankelijke psychiater de inhoud van de medische verklaring voor zijn rekening neemt. [14]
3.11
In een aantal beschikkingen van de Hoge Raad is de vraag aan de orde gekomen of aan een medische verklaring klevende gebreken zijn hersteld. [15] Zo is in HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, geoordeeld dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, de verklaring kan actualiseren als zij niet meer actueel is en dat dit ook kan tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet volgens de Hoge Raad zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. [16] In HR 10 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1232 en HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:62, is geoordeeld dat het ontbreken van de handtekening van de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld niet kan worden geheeld door schriftelijk respectievelijk mondeling ter zitting gedane uitlatingen van de geneesheer-directeur dat de verklaring authentiek is en dat de rapporterend psychiater onafhankelijk is. [17]
3.12
Onder de Wet Bopz is in HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, in een geval waarin de inbewaringstelling was gelast op basis van een geneeskundige verklaring van een arts die geen psychiater was, overwogen dat “
de rechter (…) een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. [18] Hieruit volgde dat de geneeskundige verklaring die niet voldoet aan de op grond van art. 5 EVRM Pro te stellen eisen, in het kader van een verzoek tot verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, kon worden aangevuld of vervangen door een nieuwe verklaring. [19]
3.13
Ten aanzien van de ingevolge art. 16 lid 1 Wet Pro Bopz (oud) vereiste ondertekening van de geneeskundige verklaring door de geneesheer-directeur heeft de Hoge Raad in een zestal beschikkingen van 1 juli 1994 geoordeeld dat daarmee niet kan worden gelijkgesteld de ondertekening door de geneesheer-directeur van een geschrift dat de verklaring begeleidt en ernaar verwijst. Het bedoelde geschrift was een ‘verzoek om voortzetting verblijf’ dat vermeldde dat daarbij werd overgelegd ‘een met redenen omklede geneeskundige verklaring’. De Hoge Raad overwoog dat aan de verklaring de eis moet worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend “
ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring”. [20]
3.14
Naar mijn mening is in dit geval op grond van de brief van [psychiater 2] van 20 februari 2023 in samenhang met de door [psychiater 1] opgestelde medische verklaring voldaan aan de voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel vereiste medische verklaring van een onafhankelijke psychiater. Ik licht dit toe.
3.15
In cassatie onbestreden is de vaststelling van de rechtbank dat [psychiater 2] een onafhankelijke psychiater is. In de door hem ondertekende brief van 20 februari 2023 schrijft [psychiater 2] dat hij betrokkene op die datum heeft onderzocht en dat hij zonder voorbehouden instemt met de medische verklaring. Uit dit een en ander blijkt volgens mij dat [psychiater 2] de inhoud van de medische verklaring voor zijn rekening neemt. In dit opzicht verschilt de brief van de ‘geschriften’ waarop de hiervoor in 3.13 genoemde beschikkingen van de Hoge Raad van 1 juli 1994 betrekking hadden. Verder wijs ik erop dat in HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, in cassatie tevergeefs werd geklaagd over het ontbreken van een geneeskundige verklaring van een onafhankelijke psychiater waarbij de Hoge Raad in aanmerking nam dat de rechtbank de verlening van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling mede had gebaseerd op een telefonisch ter zitting afgelegde verklaring van een niet-behandelend psychiater dat hij de betrokkene dezelfde dag had onderzocht en dat hij de eerder door een arts-assistent opgestelde geneeskundige verklaring onderschreef. [21] Steun voor de door mij verdedigde opvatting meen ik ook te vinden in de annotatie van Dijkers bij HR 26 september 2008 (hiervoor in 3.12 besproken), waarin hij over de mogelijkheid tot aanvulling van een geneeskundige verklaring voorafgaand aan het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft opgemerkt:
“Onder omstandigheden kan de psychiater die na de IBS onderzoek verricht, de bevindingen van de niet-psychiater die de art. 21-verklaring voorafgaande aan de last opstelde “overnemen” door dit in een clausule op of bij die verklaring te vermelden. De psychiater moet er zich daarbij rekenschap van geven dat als hij zich geheel conformeert aan de bevindingen van de eerste arts, hij ook voor elk onderdeel daarvan (mede)verantwoordelijk wordt.” [22]
3.16
Op het voorgaande stuiten de klachten van het middel af.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3.
2.De procesinleiding in cassatie is op 24 mei 2023 ingediend in het webportaal van de Hoge Raad.
3.HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1314, NJ 2020/311, JGz 2020/77 m.nt. J.J. de Jong, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 27-28 (in dezelfde zin p. 80-81). Zie ook C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg: Wet verplichte ggz & Wet forensische zorg, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.3.2.
4.Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de crisismaatregel heeft de wetgever in art. 7:6 Wvggz Pro de mogelijkheid van beroep bij de rechtbank in het leven geroepen. Daarnaast kan bij een niet conform de wet genomen crisismaatregel om schadevergoeding op grond van art. 10:12 Wvggz Pro worden verzocht.
5.HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017, NJ 2020/348 m.nt. J. Legemaate, JGZ 2020/46 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, rov. 3.3.2. Zie onder de Wet Bopz: HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, NJ 2017/49, rov. 3.5.3.
6.Dat geldt overigens ook voor de in art. 5:8 lid 2 Wvggz Pro voorziene mogelijkheid om een model-medische verklaring ten behoeve van een zorgmachtiging bij ministeriële regeling vast te stellen.
7.Te raadplegen via dwangindezorg.nl/documenten, en daar aangeduid als ‘7 1 lid 3 medische verklaring CM definitief’).
8.Zie o.m. HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1603, NJ 1995/324 m.nt. J. de Boer. Zie nader W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar, art. 5 Wet Pro Bopz, aant. 3.1.2, C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg: Wet verplichte ggz & Wet forensische zorg, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.5.1.3.
9.In dezelfde zin C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg: Wet verplichte ggz & Wet forensische zorg, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.5.1.3, waarbij overigens - volgens mij vooralsnog onjuist - is vermeld dat door de minister ook nu weer een model-verklaring is vastgesteld.
10.HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.1.2, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 24, p. 26-27.
11.HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.1.2.
12.EHRM 24 oktober 1979, no. 6301/73, NJ 1980/114 (Winterwerp/Nederland), punt 39. Zie ook de Guide on Article 5 of the European Convention on Human Rights (versie 31 augustus 2022), nr. 117.
13.EHRM 5 oktober 2000, no. 31365/96, BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers (Varbanov/Bulgarije), punt 47. Zie ook de Guide on Article 5 of the European Convention on Human Rights (versie 31 augustus 2022), nr. 118.
14.HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143, NJ 2021/344 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3. Zie ook HR 10 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1232, RvdW 2021/874, JGz 2021/77, rov. 3.2, en HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:62, RvdW 2022/146, JGz 2022/9 m.nt. J.F. Groen, rov. 3.2.
15.Zie wat betreft de Wet Bopz ook de conclusie (onder 3.8) voor HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191.
16.HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, NJ 2021/245 m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/62 m.nt. R.B.M. Keurentjes, rov. 3.5.
17.HR 10 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1232, RvdW 2021/874, JGz 2021/77 m.nt. redactie, en HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:62, RvdW 2022/146, JGz 2022/9 m.nt. J.F. Groen. Zie ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143, NJ 2021/344 m.nt. J. Legemaate.
18.HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607 m.nt. J. Legemaate, BJ 2008/58 m.nt. W. Dijkers, rov. 4.3. Zie ook HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, NJ 2017/49, rov. 3.5.1-3.5.3.
19.Zie daarover ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar, art. 21 Wet Pro Bopz (Publicatiedatum 9 december 2016).
20.HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1417, NJ 1994/715, HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1418, NJ 1994/716, HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1419, NJ 1994/717, HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1420, NJ 1994/718, HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1423, NJ 1994/721, en HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1425, NJ 1994/723 m.nt. J. de Boer. In HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3536, BJ 2007/34 m.nt. W. Dijkers, NJ 2007/311, is geoordeeld dat, bij het ontbreken van ondertekening van de geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz (oud), onvoldoende is dat de geneesheer-directeur een bijgevoegd behandelingsplan wel heeft ondertekend, tijdens de zitting aanwezig was en een mondelinge toelichting gaf. Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Wet Bopz, art. 5 Wet Pro Bopz, aant. 3.1.3.1.
21.Zie HR 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:33, NJ 2017/49, rov. 3.2.1 en 3.5.3.
22.BJ 2008/58. In vrijwel dezelfde bewoordingen heeft Dijkers de opmerking herhaald in SDU Commentaar art. 21 Wet Pro Bopz (publicatiedatum 9 december 2016), aant. 4 (onder ‘Inhoud van de aanvullende verklaring’).