Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Cliënte heeft geen eigen woonruimte meer, verblijft vaak bij de daklozenopvang in [plaats] ( [verblijfplaats 1] ).” In de op 20 februari 2023 opgemaakte medische verklaring is bij de rubriek ‘Verblijfsadres (indien afwijkend van woonadres)’ “
[verblijfplaats 1]” en het [verblijfadres] ingevuld. In de bevindingen van de geneesheer-directeur van 27 februari 2023 is als woonadres van betrokkene [woonadres] genoemd. Het verzoekschrift van de officier van justitie van 1 maart 2023 vermeldt dat het Basisregistratie Personen(BRP)-adres van betrokkene [BRP-adres] is en dat zij verblijvende is op de [verblijfadres] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2vervolgt met een rechtsklacht voor zover de rechtbank heeft gemeend dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene een oproeping te doen toekomen en voorrang heeft gegeven aan de beteugeling van gevaar (vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335).
Onderdeel 3bouwt op de vorige klachten voort en klaagt over schending van art. 5 en Pro 6 EVRM.
moethoren tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is en dat de rechter zelf moet vaststellen, desnoods ter plekke, dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden. [8]