ECLI:NL:PHR:2023:757

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2023
Publicatiedatum
31 augustus 2023
Zaaknummer
23/02756
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROWvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid zorgmachtiging na herstel oproeping en hoorrecht betrokkene

In deze zaak betrof het een verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbanken Rotterdam en Den Haag behandelden het verzoek, waarbij de rechtbank Den Haag aanvankelijk een beschikking gaf zonder dat betrokkene adequaat was opgeroepen en gehoord, hetgeen door de Hoge Raad op 24 februari 2023 werd vernietigd.

Na terugwijzing heeft de rechtbank Den Haag het verzoek opnieuw behandeld, waarbij betrokkene op zijn verzoek telefonisch is gehoord, ondanks zijn afwezigheid bij de zitting. De rechtbank oordeelde dat betrokkene tijdig en deugdelijk was opgeroepen en dat de zorgmachtiging ex tunc moest worden beoordeeld, waarbij voldoende grond bestond voor verlening.

Het cassatieberoep klaagde dat de rechtbank niet had onderzocht of betrokkene op de oorspronkelijke datum bereid en in staat was zich te doen horen. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet vereist was, omdat betrokkene alsnog is gehoord na terugwijzing en de oproeping adequaat was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de zorgmachtiging rechtsgeldig bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging van 14 april 2023 blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02756
Zitting1 september 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Den Haag in de verwijzingsprocedure na HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316 (zaak 22/03342) [1] opnieuw een aansluitende zorgmachtiging tot en met 23 juni 2022 verleend. In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank heeft verzuimd te onderzoeken of betrokkene in de oorspronkelijke procedure niet bereid was om zich te doen horen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Op 19 mei 2022 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
1.2
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 mei 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar de rechtbank Den Haag verwezen.
1.3
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022, de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
1.4
Vervolgens heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 22 juni 2022 een zorgmachtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 22 juni 2023 en het meer of anders verzochte afgewezen.
1.5
Op het namens betrokkene ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij beschikking van 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, de hiervoor in 1.3 vermelde beschikking van de rechtbank Den Haag vernietigd en het geding naar die rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. [2] De Hoge Raad overwoog:
“3.3.3 Uit de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding valt niet op te maken dat betrokkene bekend was met de tijd en de plaats van de mondelinge behandeling. In aanmerking genomen dat de rechtbank niets heeft overwogen omtrent oproeping van betrokkene, moet het in cassatie ervoor worden gehouden dat betrokkene niet is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2022. Betrokkene was bij de mondelinge behandeling niet aanwezig en zijn advocaat heeft verklaard dat betrokkene in staat en bereid is gehoord te worden alsook dat hij bij de zitting aanwezig wilde zijn. Bij deze stand van zaken kan de enkele door de rechtbank genoemde omstandigheid dat de situatie voor betrokkene en zijn omgeving zeer zorgelijk is en de uiterste beslisdatum 9 juni 2022 is, niet rechtvaardigen dat een zorgmachtiging wordt verleend zonder dat betrokkene is opgeroepen en gehoord.
Dat geldt ook voor de overweging van de rechtbank dat het verzoek voor het overige zal worden aangehouden zodat betrokkene de gelegenheid krijgt om alsnog (door de rechtbank Rotterdam) te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging.
De hierop gerichte klacht slaagt dus.”
1.6
Na cassatie en terugwijzing heeft de rechtbank Den Haag het verzoek van de officier van justitie op 17 maart 2023 mondeling behandeld in het gerechtsgebouw, in aanwezigheid van de advocaat van betrokkene en de behandelend psychiater. Betrokkene was niet ter zitting aanwezig, maar is op zijn verzoek telefonisch door de rechtbank gehoord.
1.7
Bij beschikking van 14 april 2023 heeft de rechtbank een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend met een geldigheidsduur tot en met 23 juni 2022. De rechtbank stelde voorop dat, nu de zorgmachtiging is vervallen, zij het verzoek met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beschikking van 9 juni 2022 moet beoordelen (‘ex tunc’). Ook stelde de rechtbank voorop dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 24 februari 2023 heeft overwogen dat uit de beschikking van 9 juni 2022 niet viel op te maken dat betrokkene bekend was met de tijd en plaats van de mondelinge behandeling. De rechtbank vervolgde:
“(…) Op 31 mei 2022 is middels een verwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam onderhavig verzoek bij de rechtbank Den Haag binnengekomen. Reden voor het verwijzen van het verzoek was de opname van betrokkene bij [verblijfplaats] te [plaats 1] , dat is gevestigd binnen het arrondissement van de rechtbank Den Haag. In het geval van een reeds opgenomen betrokkene, is het gebruikelijk het verzoek op de desbetreffende locatie te behandelen. De zaak stond gepland om te worden opgeroepen voor een zogenoemde locatie zitting op 9 juni 2022. De rechtbank is op 7 juni 2023 [
lees: 2022; A-G] [is] geïnformeerd door [verblijfplaats] dat betrokkene op 4 juni 2023 [
lees: 2022; A-G] met ontslag is gegaan en ook op die datum de instelling heeft verlaten. Direct na deze mededeling van [verblijfplaats] heeft de rechtbank, met inachtneming van de naderende uiterste beslistermijn, te weten 9 juni 2023 [
lees: 2022, A-G], de locatie van de zitting verplaatst naar een zitting op het Paleis van Justitie. Op diezelfde dag, te weten 7 juni 2023 [
lees: 2022; A-G], is een (aangetekende) oproep verstuurd naar betrokkene op zijn bij de rechtbank bekende BRP-adres te [plaats 2] .
(…) Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene, zoals door hemzelf is verklaard, op de hoogte was van de datum, het tijdstip en de locatie van de terechtzitting. Betrokkene is door zijn sociaal-psychiatrisch verpleegkundige (die door de ter zitting aanwezige psychiater met naam en toenaam is genoemd) geïnformeerd en zijn moeder heeft aangeboden hem naar de zitting te begeleiden, Betrokkene heeft echter via zijn raadsman te kennen [
gegeven; toevoeging A-G] dat hij in Rotterdam wenst te worden gehoord in verband met de reisafstand en de daaraan verbonden kosten.
De wettelijke voorschriften omtrent de wijze en termijn van oproeping strekken ertoe dat de betrokkene in staat wordt gesteld de zitting bij te wonen en in persoon of via een procesvertegenwoordiger door de rechter te worden gehoord. Vast staat dat betrokkene op de hoogte was van de [van] datum, tijdstip en locatie van de terechtzitting en in de gelegenheid was om de zitting bij te wonen. De wens van betrokkene om in Rotterdam te worden gehoord is gehonoreerd, maar maakt niet dat het verlenen van de machtiging van twee weken onrechtmatig was. Het doel van de oproeping is bereikt, immers betrokkene is in de gelegenheid is gesteld de mondelinge behandeling bij te wonen en, vergezeld van zijn raadsvrouwe, daar het woord te voeren.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat betrokkene onder de hiervoor beschreven omstandigheden en spoedeisendheid deugdelijk is opgeroepen, mede in het licht van de korte beslistermijn die nog resteerde, de bekendheid van betrokkene met de datum en tijdstip van de zitting alsmede de ernstige risico’s op een herleving van het ernstig nadeel zoals is beschreven in de beschikking van 9 juni 2022 bij een overschrijding van deze beslistermijn.
Voorts concludeert de rechtbank dat op grond van de stukken en hetgeen ter zitting van 9 juni 2022 naar voren is gekomen - overeenkomstig de beoordeling van de beschikking van 9 juni 2022 - in voldoende mate vast is komen te staan dat ten tijde van de zitting sprake was van een psychische stoornis die leidde tot ernstig nadeel dat niet zonder voortzetting van de zorgmachtiging kon worden afgewend. (…)”
1.8
Namens betrokkene is tijdig [3] cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 14 april 2023. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. [4]

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel klaagt dat de rechtbank weliswaar heeft onderzocht of de oproeping van betrokkene voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2022 volgens de wet heeft plaatsgevonden, maar heeft verzuimd om ook te onderzoeken of betrokkene toen niet in staat of bereid was zich te doen horen dan wel haar oordeel op dit punt niet naar behoren heeft gemotiveerd.
2.2
De Wvggz noch haar voorganger, de Wet Bopz (oud), bevat voorschriften voor het geding na cassatie en verwijzing. Ten aanzien van de omvang van de beoordeling na cassatie en verwijzing in Wvggz-zaken heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1701, als volgt overwogen:
“Uit de rechtspraak van de Hoge Raad onder de Wet Bopz (oud) volgt dat ingeval na cassatie en verwijzing opnieuw moet worden beslist over de verlening van een machtiging op een tijdstip dat binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging valt, de rechtbank haar beslissing dient te nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die beslissing voordoen (beoordeling ‘ex nunc’). Indien echter ten tijde van de beoordeling na cassatie en terugwijzing de bij de vernietigde beslissing gegeven machtiging inmiddels is vervallen, moet de rechtbank beoordelen of op het tijdstip dat de vernietigde beslissing werd gegeven voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte machtiging (beoordeling ‘ex tunc’). Deze rechtspraak geldt ook onder de Wvggz.” [5]
2.3
Indien procedurele gebreken tot vernietiging van de oorspronkelijke beslissing hebben geleid dan staat de ex tunc-beoordeling volgens mij niet eraan in de weg dat deze gebreken in de procedure na cassatie en terugwijzing kunnen worden hersteld. [6] De Hoge Raad spreekt immers van een beoordeling of ten tijde van het geven van de vernietigde beslissing voor het verlenen van de zorgmachtiging
voldoende grondbestond, waarmee hij blijkbaar doelt op de materiële criteria voor verplichte zorg, zoals het bestaan van een psychische stoornis, ernstig nadeel en causaal verband daartussen.
2.4
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, in cassatie terecht onbestreden, tot uitgangspunt genomen dat het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging ex tunc moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 9 juni 2022 en daadwerkelijk bekend was met de tijd en plaats daarvan en beide vragen bevestigend beantwoord.
2.5
De rechtbank heeft verder tijdens de op 17 maart 2023 gehouden mondelinge behandeling betrokkene (op zijn verzoek: telefonisch) alsnog gehoord, zoals blijkt uit de bestreden beschikking en het proces-verbaal. [7] Bij die stand van zaken klaagt het middel volgens mij tevergeefs dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling van 9 juni 2022 niet in staat of bereid was zich te doen horen.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:316, NJ 2023/187 m.nt. J. Legemaate, JGz 2023/22 m.nt. M.A.J.M. van Sprundel-Jansen.
2.Bij dezelfde beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 (hiervoor in 1.4 vermeld) vernietigd maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de machtiging geldt tot en met 22 juni 2023. De Hoge Raad heeft de zaak zelf afgedaan door te bepalen dat de machtiging geldt tot en met 9 juni 2023.
3.De procesinleiding in cassatie is op 14 juli 2023 ingediend in het webportaal van de Hoge Raad.
4.Na herstel van de aanvankelijke kennisgeving aan de verkeerde Officier van Justitie is namens de Officier van Justitie te Rotterdam meegedeeld dat geen verweer wordt gevoerd.
5.HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1701, NJ 2022/371, rov. 3.2, onder verwijzing naar HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202 (NJ 2019/460 m.nt. J. Legemaate, JGz 2022/33 m.nt. W.J.A.M. Dijkers), rov. 3.1.2-3.1.3.
6.Een enigszins vergelijkbaar geval, onder de Wet Bopz (oud), was aan de orde in de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2020:43) voor HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:384 (afgedaan met art. 81 lid 1 RO Pro) betreffende het herstel na cassatie en terugwijzing vanwege een tekortkoming in de ondertekening van de geneeskundige verklaring.
7.Het proces-verbaal van 17 maart 2023 vermeldt op p. 2 dat de rechtbank na schorsing en hervatting van de behandeling betrokkene telefonisch in de gelegenheid heeft gesteld “