Op 12 november 2018 verzocht de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland om een voorlopige machtiging Wet Bopz voor betrokkene, met een geneeskundige verklaring die aanvankelijk niet door de behandelend psychiater was ondertekend. De rechtbank verleende de machtiging op 3 december 2018. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking, stellende dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldeed vanwege het ontbreken van de handtekening van de psychiater die het onderzoek had verricht.
De Hoge Raad oordeelde op 24 mei 2019 dat het cassatiemiddel gegrond was en vernietigde de beschikking, waarna de zaak werd terugverwezen. Bij hernieuwd onderzoek bleek dat de geneeskundige verklaring wél was ondertekend door de psychiater, hoewel de handtekening wat vaag was. De rechtbank herstelde daarom op 2 augustus 2019 de beschikking van 3 december 2018 met terugwerkende kracht, waarmee de voorlopige machtiging opnieuw werd verleend.
Betrokkene stelde hiertegen opnieuw cassatie in, maar voerde geen inhoudelijk verweer. De Hoge Raad bevestigt dat het eerdere vormgebrek is hersteld en dat de rechtbank terecht de beschikking heeft hersteld. De procedure benadrukt het belang van een juiste ondertekening van geneeskundige verklaringen in Wet Bopz-procedures en bevestigt dat een beoordeling ex nunc moet plaatsvinden, ook als de vrijheidsbeneming inmiddels is geëindigd.