Conclusie
advocaat: M.J. van Basten Batenburg
1.Inleiding en samenvatting
Xella-voorstel’ van Werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding heeft mogen afwijzen.
2.Feiten
3.Procesverloop
Xella-beslissing van de Hoge Raad vloeit voort dat de werkgever alleen gehouden in te stemmen met een beëindigingsvoorstel van zijn werknemer wanneer is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro 3 aanhef en sub b BW (rov. 4.2 en 4.3). De kantonrechter is van oordeel dat op het moment dat Werknemer op 7 juni 2019 ROC verzocht akkoord te gaan met het beëindigingsvoorstel geen sprake was van een slapend dienstverband in die zin dat aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3 aanhef en sub b BW werd voldaan (rov. 4.7). Van handelen in strijd met goed werkgeverschap is dus geen sprake geweest (rov. 4.9). Hiervoor acht de kantonrechter het volgende van belang:
Kolom-beschikking, geen sprake is (rov. 4.8). [5]
Xella-beslissing (rov. 3.2) en dat er in dit verband twee discussiepunten tussen partijen bestaan. Ten eerste de vraag of er sprake is van een slapend dienstverband, dus of voldaan is aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW. Hierbij strijden partijen over de vraag of herplaatsing van Werknemer in een andere, passende functie, al dan niet met behulp van scholing, binnen een redelijke termijn mogelijk was of in de rede lag (rov. 3.3). Ten tweede bestaat discussie over de vraag of, als wel van een slapend dienstverband wordt uitgegaan, er een gerechtvaardigd belang aan de zijde van ROC was dat maakt dat er toch geen gehoudenheid voor ROC bestond om het beëindigingsvoorstel van Werknemer te aanvaarden. Dat belang zou zijn het door de Hoge Raad in de
Xella-beslissing als voorbeeld genoemde geval van reële re-integratiemogelijkheden. De kantonrechter is aan een afzonderlijke beoordeling op dit punt niet toegekomen (rov. 3.4).
Xella-beslissing en dat daar waar voor herplaatsing een aantal maatstaven geldt op grond van de Ontslagregeling, er voor de vraag naar het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden geen vastomlijnd beoordelingskader is gegeven. Het hof gaat er echter wel vanuit dat de reële re-integratiemogelijkheden een ander, ruimer begrip betreft dan de mogelijkheid tot herplaatsing in een passende functie. Anders gezegd: voor het oordeel dat herplaatsing in een passende functie mogelijk was in de zin van art. 7:669 lid 1 BW Pro (en het dienstverband dus niet wegens langdurige arbeidsongeschiktheid kan worden beëindigd) ligt de lat hoger dan voor het oordeel dat er reële re-integratiemogelijkheden aanwezig zijn of waren (die maken dat er een gerechtvaardigd belang is aan de zijde van de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst) (rov. 3.5).
4.Juridisch kader
Xella-beslissing heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, als uitgangspunt geldt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW Pro, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding (hierna: een
Xella-voorstel). De vergoeding behoeft niet meer te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. [7]
Xella-voorstel, zij het dat dit (alleen) geldt voor voorstellen gedaan op of na 20 juli 2018. [8] Eerder, in 2021, had de Hoge Raad al geoordeeld dat een werkgever die een
Xella-voorstel van een werknemer slechts bereid is te aanvaarden op voorwaarde dat de werknemer hem finale kwijting verleent voor mogelijke andere aanspraken, niet handelt als een goed werkgever. [9]
Xella-voorstel is niet absoluut. In de
Xella-beslissing heeft de Hoge Raad namelijk ook een uitzondering aanvaard:
Xella-voorstel heeft geformuleerd, namelijk dat dit uitgangspunt geldt als aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en Pro lid 3, aanhef en onder b, BW, (‘een voldragen b- grond’) is voldaan, en de wijze waarop de Hoge Raad vervolgens de uitzondering heeft geformuleerd, namelijk dat op dit
uitgangspunteen uitzondering moet worden aanvaard als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, kan m.i. niet anders worden uitgelegd dan dat de vraag naar de uitzondering pas aan de orde komt als sprake is van een voldragen b-grond.
Xella-voorstel doet. De verplichting voor de werkgever om in te stemmen met een
Xella-voorstel ontstaat namelijk pas als de werknemer een
Xella-voorstel doet. [12] Op dát moment moet dus beoordeeld worden of er een gerechtvaardigd belang is van de werkgever bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. [13]
Xella-voorstel doet en nadat sprake is van een voldragen b-grond, zit er – in de woorden van Wits – licht tussen een voldragen b-grond en reële re-integratiemogelijkheden. [14]
Kolom-beschikking. [19] Omdat een eventueel recht op een gedeeltelijke transitievergoeding in deze zaak in cassatie niet speelt, laat ik dit punt verder onbesproken.
Xella-beslissing. Zoals gezegd, is in de literatuur opgemerkt dat de Hoge Raad deze uitzonderingsmogelijkheid niet nader heeft uitgewerkt (zie onder 4.8). In de literatuur zijn enkele voorbeelden genoemd van situaties, soms gebaseerd op de feitenrechtspraak na
Xella, waarin al dan niet reële re-integratiemogelijkheden aanwezig zouden zijn.
Xella-voorstel weliswaar open maar restrictief geformuleerd. Wanneer een re-integratie reëel is, zal afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Kan ten minste 65% (omgekeerde WIA-toets) van de loonwaarde worden gerealiseerd, dan is dit misschien een reële mogelijkheid tot re-integratie. Maar ook bij een WGA-uitkering is reële re-integratie (op termijn) denkbaar, zo schrijft hij. [30]
hoefthet alsnog aanbieden van een reële re-integratiefunctie als reactie op een beëindigingsvoorstel van de werknemer geen truc te zijn om onder het betalen van de transitievergoeding uit te komen. [33]
Xella-beslissing. Uit het beperkte aantal gepubliceerde uitspraken van de feitenrechters over reële re-integratiemogelijkheden komt bij mij niet het beeld naar voren dat de feitenrechters worstelen met het begrip. Uit die uitspraken blijkt m.i. dat de feitenrechters terughoudend zijn met het aannemen van het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden. Veelal wordt het beroep op de aanwezigheid van reële re-integratiemogelijkheden afgewezen, omdat het onvoldoende door de werkgever was onderbouwd. [35] Voorbeelden van omstandigheden die in het concrete geval geen reële re-integratiemogelijkheden opleveren zijn de omstandigheid dat de werknemer reeds een IVA-uitkering ontving [36] of dat in theorie bij andere werkgevers nog re-integratiemogelijkheden waren [37] .
Xella-voorstel aan de werkgever doet. Of op dat moment sprake is van
reëlemogelijkheden tot re-integratie, dient te worden beoordeeld op basis van de door de werkgever gestelde, en zo nodig te bewijzen, feiten en omstandigheden. Nu het hier gaat om een uitzondering op het uitgangspunt dat moet worden ingestemd met het
Xella-voorstel zal de rechter niet te snel mogen beslissen dat reële re-integratiemogelijkheden bestaan. Er bestaat m.i. geen aanleiding om hiervoor een nader afgebakend kader te definiëren.
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Xella-norm. Geklaagd wordt dat het hof een onjuiste, want te ruime maatstaf heeft aangelegd door aan te nemen dat sprake is van ‘reële re-integratiemogelijkheden’ in de zin van voornoemde uitzondering. Het hof heeft namelijk ten onrechte geen peilmoment gehanteerd in zijn overwegingen, betrekking hebbend op de vraag wanneer sprake is van het ‘gerechtvaardigd belang’. Dat had het hof, aldus de klacht, nadrukkelijk wel moeten doen.
Xella-beslissing heeft overwogen.
Xella-voorstel door Werknemer is gedaan: 7 juni 2019. Uit het partijdebat blijkt bovendien dat dit ook het peilmoment is waarvan partijen zijn uitgegaan. Dat het hof de datum van 7 juni 2019 niet expliciet heeft genoemd in zijn overwegingen maakt, gelet op het partijdebat, het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Dit laat zich als volgt toelichten.
stelt het ROC dat zij ten tijde van het verzoek van [Werknemer] op 7 juni 2019 een gerechtvaardigd belang had bij voortzetting van de arbeidsverhouding. Het ROC voert hiertoe het volgende aan.
De re-integratie- werkzaamheden waren voor en vanaf 7 juni 2019 aanwezig en beschikbaar.Als [Werknemer] had meegewerkt had hij zelfs vanaf september 2018 of anders vanaf oktober 2019 structureel werkzaam kunnen zijn in passende werkzaamheden.
Toen [Werknemer] het ROC op 7 juni 2019 verzocht de arbeidsverhouding te beëindigen was het ROC dus al bezig met (de voorbereidingen voor) de re-integratie van [Werknemer] en dit was [Werknemer] ook bekend.”
Xella-voorstel door een werknemer wordt gedaan, ook de peildatum voor de beoordeling van de vraag of de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst (indien de werkgever zich op het bestaan van een dergelijk belang beroept). In deze zaak is dat dus 7 juni 2019. Uit het hiervoor geschetste partijdebat in hoger beroep is dat ook de datum waar partijen vanuit gingen. Dat het hof in het bestreden arrest niet expliciet heeft opgeschreven dat het beroep van ROC op het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden moest worden beoordeeld met als peildatum 7 juni 2019, maakt het oordeel van het niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Dat het hof uit is gegaan van de datum van 7 juni 2019 ligt m.i. ook besloten in rov. 3.13 van het bestreden arrest. Daarin overweegt het hof dat het niet zo is dat ROC pas naar aanleiding van het beëindigingsvoorstel werkzaamheden voor Werknemer bij elkaar heeft gezocht.
Xella-norm door het hof op 7 juni 2019 is vastgesteld, deze datum onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het hof had moeten uitgaan van de datum van 7 maart 2019, de datum waarop het dienstverband van Werknemer slapend is geworden.
Xella-voorstel, is het moment waarop het voorstel wordt gedaan ook het moment waarop het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden moet worden beoordeeld. Voorafgaand aan het
Xella-voorstel is er immers nog geen verplichting voor de werkgever om het dienstverband te beëindigen. Hierdoor kan de vraag naar een gerechtvaardigd belang bij instandhouding alleen maar aan de orde komen nadat de werknemer om beëindiging heeft verzocht (zie ook onder 4.4-4.6).
reëlere-integratiemogelijkheden, besloten ligt dat naar de actuele situatie, op het moment van het
Xella-voorstel gekeken wordt. Een eventuele veranderde gezondheidstoestand van werknemer kan dan meebrengen dat juist wel of juist geen reële re-integratiemogelijkheden aanwezig zijn. Het creëren van een functie voor de werknemer nadat hij een
Xella-voorstel heeft gedaan, kan ook meewegen in de beoordeling van de vraag of de re-integratiemogelijkheden
reëelzijn. Zo zal een dergelijke reële mogelijkheid in de regel niet snel bestaan als de werkgever ‘opeens’ met een functie komt terwijl de werkgever zich daarvoor niet of nauwelijks heeft ingespannen om de werknemer te re-integreren. Dat de actuele situatie op het moment van het
Xella-voorstel moet worden bekeken, betekent dus niet dat nimmer feiten en omstandigheden van voor of na de datum van het
Xella-voorstel van belang kunnen zijn. Met name de omstandigheden van vóór de datum van het
Xella-voorstel kunnen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of op het moment van het
Xella-voorstel
reëlemogelijkheden tot re-integratie bestaan. Zoals gezegd, zal een reële mogelijkheid tot re-integratie in de regel niet snel bestaan als de werkgever na een
Xella-voorstel ‘opeens’ een passende functie aanbiedt, terwijl de werkgever zich eerder niet of nauwelijks had ingespannen om de werknemer te re-integreren. Een dergelijke omstandigheid van voor de datum van het
Xella-voorstel is dus van belang bij beantwoording van de vraag of de re-integratiemogelijkheden op het moment van het
Xella-voorstel
reëelzijn. Ook feiten en omstandigheden van na het
Xella-voorstel kunnen, in een voorkomend geval, meespelen bij beantwoording van de vraag of op het moment van het
Xella-voorstel de re-integratiemogelijkheden reëel waren. Zie hiervoor ook de bespreking van subonderdeel1.6 hierna.
Xella-norm door het hof op 7 juni 2019 is vastgesteld, die datum onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het hof in zijn overwegingen feiten en omstandigheden heeft meegewogen die dateren van vóór en na die datum terwijl enkel de situatie op de peildatum relevant is voor de vraag of sprake is van reële re-integratiemogelijkheden.
Xella-voorstel nimmer van belang kunnen zijn voor de beoordeling of op het moment van het
Xella-voorstel reële re-integratiemogelijkheden aanwezig zijn c.q. waren. Dit is een onjuist uitgangspunt, zie onder 5.17 hiervoor. Nu de klacht bovendien geen specifieke omstandigheden of feiten noemt van voor of na het
Xella-voorstel die het hof niet in zijn beoordeling had mogen betrekken, faalt de klacht.
Xella-norm’ van de Hoge Raad omdat zij dateren van na de rechtens juiste peildatum.
Xella-voorstel reële re-integratiemogelijkheden voor Werknemer bestonden. Het oordeel van het UWV uit 2020 en de mededelingen van de bedrijfsarts van juli 2019 vormen in feite een bevestiging (achteraf) dat de door ROC in oktober 2019 aangeboden werkzaamheden (welke aanbieding volgde op de aankondiging van ROC in mei 2019 dat zij de mogelijkheden tot werkhervatting zou onderzoeken) passend waren voor wat betreft de belastbaarheid van Werknemer. Dat het deskundigenoordeel van het UWV de belastbaarheid van Werknemer op een andere (latere) datum dan op de datum van het
Xella-voorstel heeft beoordeeld, is in dit geval bovendien niet van doorslaggevend belang, omdat uit niets blijkt dat de belastbaarheid van Werknemer vanaf het moment van de WIA-beschikking is veranderd (verslechterd). Tegen deze achtergrond kon het hof het UWV-deskundigenoordeel en het bericht van de bedrijfsarts in zijn beoordeling betrekken. Dat geldt ook voor de onder (iii) genoemde brieven van Werknemer. Bovendien geldt dat deze brieven enkel genoemd zijn om tot uitdrukking te brengen dat het deskundigenoordeel van het UWV uit 2020 op initiatief van Werknemer was uitgebracht (de brief van 8 december 2019) en dat Werknemer daaraan voorafgaand had meegedeeld dat hij de aangeboden werkzaamheden niet passend acht (de brief van 8 november 2019, zie onder 2.14 hiervoor). Overigens heeft het hof in de nadere motivering van zijn oordeel dat het aangeboden werk een reële re-integratiemogelijkheid is en een gerechtvaardigd belang oplevert voor ROC, geen (doorslaggevend) belang toegekend aan deze brieven (zie rov. 3.11 tot en met 3.15 van het bestreden arrest).
Aanpak en volgorde beoordeling’), in cassatie onbestreden, vooropgesteld dat de vraag of herplaatsing in een passende functie als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW Pro mogelijk een andere is dan de vraag of er sprake is van een reële re-integratiemogelijkheden als bedoeld in de
Xella-beslissing. Daarna heeft het hof in rov. 3.6 overwogen waarom het aanleiding ziet eerst de vraag naar het bestaan van reële re-integratiemogelijkheden te bespreken:
Xella-beslissing. Deze twee begrippen kunnen niet worden gezien als identiek aan elkaar en geklaagd wordt dat het hof dit niet voor ogen heeft gehad.
Xella-beslissing volgt immers dat het moet gaan om een gerechtvaardigd belang (in dit geval reële re-integratiemogelijkheden) op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden. Het hof benoemt dit ook in rov. 3.7, waarna het hof in rov. 3.8 opsomt welke feiten en omstandigheden het van belang acht. Daarna motiveert het hof in rov. 3.11-3.15 onder het kopje ‘
Aangeboden werk is reële re-integratiemogelijkheid en levert gerechtvaardigd belang op’ waarom het hof in dit geval van oordeel is dat sprake van een reële re-integratiemogelijkheid. Van een niet voldoende controleerbare beslissing is dan ook geen sprake.
Xella-beslissing het de werkgever is die niet slechts de volgens haar aanwezige reële re-integratiemogelijkheden van de werknemer moet stellen, maar tevens dat daarvan sprake is op de rechtens juiste peildatum en het hof in zijn overwegingen over het voldaan zijn aan die stelplicht niets vermeldt.
Xella-voorstel. Zie onder 5.11 hiervoor.
Xella-norm moeten afwijzen. Door dat niet te doen, is de beslissing onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd en onbegrijpelijk.