ECLI:NL:PHR:2023:931

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
21/03184
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring voorhanden hebben harddrugs en vuurwapen ondanks betwisting wetenschap verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs (cocaïne en heroïne) en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. De drugs en het wapen werden op 6 maart 2018 in de woning van de verdachte aangetroffen, waarbij de cocaïne in een tajine in de keuken lag en het vuurwapen in de lade van een slaapkamer.

De verdachte stelde in cassatie dat zij niet wist van de aanwezigheid van de drugs en het wapen, en dat deze aan haar partner toebehoorden. Het hof oordeelde echter dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verboden middelen en het wapen, mede gelet op de vindplaats, de wijze van opbergen, haar verklaringen over huishoudelijke taken en inconsistenties in haar verklaringen.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de bewijsmiddelen en verklaringen voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd, en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is. Wel vernietigt de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, en vermindert deze naar de gebruikelijke maatstaf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, het arrest wordt vernietigd vanwege termijnoverschrijding voor de strafduur en de taakstraf wordt verminderd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03184
Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.De cassatieprocedure

1.1
De verdachte is bij arrest van 27 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs (art. 2 onder Pro C Opiumwet) en het voorhanden hebben van een wapen en munitie (art. 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
1.2
Het cassatieberoep is op 27 juli 2021 ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van beide feiten. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat de wetenschap dan wel bewustheid van de aanwezigheid van de voorwerpen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
1.3
Deze conclusie komt tot de slotsom dat het middel faalt. Ambtshalve wordt opgemerkt dat de uitspraak van het hof dient te worden vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
zij op 6 maart 2018 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- 27,7 gram van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en heroïne telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. zij op 6 maart 2018 te [plaats],
- een vuurwapen van categorie III sub 1, te weten een pistool (merk Industria Armi Galesi, model 9, kaliber 7.65mm) en
- munitie van categorie III, te weten 18 scherpe patronen (kaliber 7.65mm, merk S&B), voorhanden heeft gehad.”
2.2
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. A. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…)
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op maandag 6 maart 2018 ben ik samen met de collega’s van de recherche Almere West Poort de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] binnengetreden.
In de woning was op dat moment aanwezig een vrouw die aangaf te zijn: [verdachte] .
Ik zag in de keuken aan de rechterzijde twee kasten hangen tegen elkaar en over de gehele lengte van de keukenwand. Ik zag dat deze kasten zogenaamde Ikea kasten betrof met open vierkante vakken van dertig (30) centimeter breed en dertig (30) centimeter hoog. Ik zag dat elke kast zestien (16) vakken had. Ik zag dat de kasten op ongeveer vijftig (50) centimeter van de grond waren opgehangen. Ik zag dat in sommige vakken witte plastic bakken stonden van dertig (30) centimeter breed en dertig (30) centimeter hoog. Ik zag dat andere vakken in de kast open waren.
In de tweede kast trof ik in het eerste bovenste vak een tajine van aardewerk aan. Ik zag dat de tajine een diameter had van ongeveer vijfentwintig (25) centimeter. Ik zag dat de deksel op de tajine zat. Ik heb de tajine uit de kast gepakt. Ik heb de deksel van de tajine gepakt en zag dat in de bak een transparante plastic zak zat van ongeveer twintig (20) centimeter breed en twintig (20) centimeter lang. Ik zag dat in deze plastic zak een wit blok zat met daaromheen afgebrokkelde stukken witte brokjes en wit poeder. Ik herkende deze brok, brokjes en poeder ambtshalve als cocaïne. Na onderzoek bleken deze brokken cocaïne te zijn. In de tajine trof ik nog een kleine digitale weegschaal aan van ongeveer tien (10) centimeter breed en tien (10) centimeter lang. Verder trof ik in de tajine meerdere transparante plastic zakken aan.
B. Een geschrift, te weten de bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2018 als bijlage opgenomen foto’s (…) met als onderschrift:
Tajine waar het witte poeder in zat
Witte poeder in de tajine
2. A. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…)
als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Ik heb samen met collega’s een doorzoeking ter inbeslagname gedaan in de woning gelegen op perceel [a-straat 1] te [plaats]. De zoeking is gestart op 6 maart 2018.
Aan de linkerzijde van het appartement zijn twee slaapkamers gesitueerd. In slaapkamer 1 stond aan de rechterzijde een ladekast met drie laden. In de bovenste lade lagen herenboxershorts. Tussen de boxershorts lag een plastic tasje. In dit plastic tasje was iets verpakt in witkleurig papier. In dit zakje was de kolf van een vuurwapen zichtbaar. Dit vuurwapen is veiliggesteld alsmede 15 patronen.
In de keuken in de kast waar de tajine met het witte poeder is aangetroffen, lagen ook twee zakjes met daarin bruinkleurig poeder. In genoemde kast stond ook een sealapparaat.
B. Een geschrift, te weten de bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2018 als bijlage opgenomen foto’s (…) met als onderschrift:
Foto 13, kopie paspoort [betrokkene 1]
Foto 14, buitenlandse valuta.
Foto 15, lade met daarin het pistool
Foto 16, aangetroffen pistool
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal
Kennisgeving van inbeslagnemingd.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…) als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1], [plaats]
Datum: 7 maart 2018 te 00:14 uur
Goednummer: PL0900-2018017243-2153194
Object: munitie
Aantal: 15 stuks
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal
Kennisgeving van inbeslagnemingd.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…) als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1], [plaats]
Datum: 7 maart 2018 te 00:14 uur
Goednummer: PL0900-2018017243-2153173
Object: vuurwapen (pistool)
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal
Kennisgeving van inbeslagnemingd.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…) als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1], [plaats]
Datum: 7 maart 2018 te 00:14 uur
Goednummer: PL0900-2018017243-2153214
Object: verdovende middelen
Totale hoeveelheid: 27 gr
Kleur: Bruin
Bijzonderheden: Bruin poeder
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal
Kennisgeving van inbeslagnemingd.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…) als relaas van verbalisant [verbalisant 4]:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1], [plaats]
Datum: 7 maart 2018 te 00:14 uur
Goednummer: PL0900-2018017243-2153206
Object: verdovende middelen
Verpakking: zak plastic
Kleur: Wit
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen d.d. 8 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…)
als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:
Op 8 maart 2018 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.
Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die aan ons ter beschikking werd gesteld door Sporenbeheer van de Forensische Opsporing. De partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek op het adres [a-straat 1] te [plaats].
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: PL0900-2018017243-2153206
SIN: AAKR2179NL
Object: verdovende middelen (cocaïne)
Verpakking: zak plastic
Totale hoeveelheid: 296 gram
Kleur: Wit
Goednummer: PL0900-2018017243-2153214
SIN: AAKR2180NL
Object: verdovende middelen (heroïne)
Totale hoeveelheid: 27,7 gram
Kleur: Bruin
Door ons werd het volgende waargenomen en bevonden.
Betreft onderzoek aan SIN: AAKR2179NL
Komt uit: PL0900-2018017243-2153206
Netto hoeveelheid: 296 g
Omschrijving: wit poeder
Uitslag MMC Cocaïne-Crack
De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal
cocaïnebevat. Uit deze hoeveelheid stof werd een monster genomen, voorzien van het SIN: AALJ4519NL.
Betreft onderzoek aan SIN: AAKR2180NL
Komt uit: PL0900-2018017243-2153214
Netto hoeveelheid: 27,7 g
Omschrijving; bruin poeder
Uitslag MMC Heroïne test
De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal
heroïnebevat. Uit deze hoeveelheid stof werd een monster genomen, voorzien van het SIN: AALJ4516NL.
8. Een geschrift, te weten “Rapport Identificatie van veelvoorkomende drugs” van deskundige ing. C.M.M. Diever-Heezen van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt op 20 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…):
Onderzoeksmateriaal
Ontvangen van Forensische Opsporing Politie Eenheid Midden-Nederland
Datum ontvangst 13 maart 2018
Resultaten en conclusie
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie
Kenmerk
Omschrijving
Conclusie
AALJ4519NL
witte brokjes in een gripzakje
bevat cocaïne
AALJ4516NL
bruin poeder in een gripzakje
bevat heroïne
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 8 mei 2018 (…) voor zover inhoudende (…)
als relaas van verbalisant [verbalisant 7]:
Op 8 mei 2018 is in het kader van de Wet wapens en munitie een onderzoek ingesteld.
Omschrijving voorwerpen:
1. Goednummer: PL0900-2018017243-2153173
Wapen: vuurwapen, pistool
Categorie: III sub 1
Bovengenoemd wapen is een vuurwapen, pistool, merk Industrial Armi Galesi, model 9, kaliber 7.65mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro III onder l van de Wet wapens en munitie. Dit pistool is voorzien van een verwisselbaar patroonmagazijn.
2. Goednummers: PL0900-2018017243-2153173 en PL0900-2018172243-2153194
munitie: 18 scherpe patronen
Categorie: III
Bovengenoemde scherpe patronen: kaliber 7.65mm Br, merk S&B, zijn munitie bestemd of geschikt om door middel van een vuurwapen af te schieten.
Van deze patronen was 1 patroon afkomstig uit de kamer en 3 uit het patroonmagazijn van het hierboven omschreven vuurwapen.
10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 maart 2018 (…) voor zover inhoudende (…)
als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: U heeft verklaard dat u het huishouden doet. Klopt dat?
A: Ja.
V: Doet u dan ook de was?
A: Ik doe alles.
V: Waar bergt u de kleding dan op?
A: In mijn slaapkamer heb ik een kledingkast waar ik alle kleding opberg.
V: Wast en vouwt u ook het ondergoed op van [betrokkene 2]?
A: Ik gooi het gewoon in de laatjes.
V: Kookt u elke avond?
A: Ja.
A: Ik heb de tajine gekocht.
V: Waar stond de tajine?
A: In de middelste la van de keuken.
V: Er is een zoeking gedaan in je woning aan de [a-straat 1] te [plaats].
A: Ze hebben drugs gevonden. Ik was tijdens de zoeking aanwezig.
11. De
verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof op 13 juli 2021, zakelijk weergegeven:
Ik woon nu 6 jaar samen met mijn vriend [betrokkene 2]. Ik woon nog steeds op hetzelfde adres aan de [a-straat 1] in [plaats]. Ik huur de woning.”
2.3
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, nu verdachte niet afwist van de in de woning aangetroffen cocaïne, heroïne, het pistool en de munitie en haar partner heeft verklaard dat deze goederen aan hem toebehoorden.
Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de tajine ongeveer 2 maanden voor de doorzoeking heeft gekocht en er toen voor het laatst in heeft gekeken. Verdachte wist niet dat er cocaïne in de tajine zat. Verdachte heeft eveneens verklaard niets af te weten van de in de keuken aangetroffen heroïne. Volgens de raadsman staan keukenkastjes doorgaans vol met allerlei pakjes levensmiddelen en kruiden, waardoor je makkelijk langs individuele goederen kunt kijken. Daarnaast is niet uit het dossier gebleken waar de zakjes in het keukenkastje precies zijn aangetroffen (bijvoorbeeld in of uit het zicht).
Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het weekend voor haar aanhouding voor het laatst een was had gedaan en onderbroeken in de bewuste lade had gelegd, en dat er toen nog niets tussen de onderbroeken van haar man lag. Daarna heeft zij niet meer in de lade gekeken.
Oordeel van hof
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 6 maart 2018 is naar aanleiding van een binnengekomen MMA-melding de woning van verdachte en haar partner (en tevens medeverdachte) aan de [a-straat 1], te [plaats] doorzocht. In de (open) keuken werd in een van de vakken van een (open) keukenkast een tajine aangetroffen. In de tajine zat een transparante plastic bak, waar een eveneens transparante plastic zak met 296 gram cocaïne in zat. Naast de cocaïne zaten er tevens een kleine weegschaal en een aantal opgevouwen transparante plastic zakken in de tajine. Laatstgenoemde zakken staken zichtbaar onder het deksel van de tajine uit. In de kast in de keuken waar de tajine is aangetroffen, werden tevens twee zakjes met heroïne van in totaal 27,7 gram en een sealapparaat/vacumeerapparaat aangetroffen.
Voorts werden in de slaapkamer van verdachte en haar partner in de bovenste lade van een ladekast, tussen de herenboxershorts, een plastic tasje met daarin een doorgeladen vuurwapen alsmede patronen aangetroffen. De kolf van het vuurwapen was blijkens het daaromtrent opgemaakte ambtsedige proces-verbaal van bevindingen bij het aantreffen van het wapen in de lade, in dit plastic zakje zichtbaar. Het vuurwapen en de patronen zijn door de Forensische Opsporing onderzocht. Het vuurwapen is een wapen van categorie III, sub I en betreft een pistool, merk Industrial Armi Galesi, model 9, kaliber 7.65 mm. De patronen betreffen munitie van categorie III, te weten 18 scherpe patronen kaliber 7.65 mm, merk S&B.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij huurster was van de woning en daar samen met haar partner woonde. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij alles in het huishouden deed. Zo deed verdachte onder meer de was en borg zij deze was ook deels op in de ondergoedlade van haar partner. Tevens heeft verdachte verklaard dat zij vrijwel elke dag (thuis) kookte. De tajine is door verdachte aangeschaft.
Drugsbezit
Vooropgesteld moet worden dat voor de vraag of een verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, niet doorslaggevend is aan wie die drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.
Het hof is van oordeel dat daarvan sprake is. Het hof wil aannemen – zoals de rechtbank volgens het in het dossier gevoegde vonnis van de partner van verdachte heeft gedaan – dat de partner van verdachte een initiërende en bepalende rol heeft gehad met betrekking tot de drugs en het vuurwapen in de woning. Het kan, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, echter niet anders dan dat verdachte heeft geweten van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. Verdachte bewoonde de woning tezamen met haar partner en was juist degene die de keuken gebruikte en daar vrijwel dagelijks kookte. De stelling van verdachte dat zij voornoemde verdovende middelen niet heeft gezien en dat zij er niet van wist acht het hof – gelet op de plaats en wijze waarop deze zijn aangetroffen – onaannemelijk. Daar komt nog bij dat verdachte op punten wisselend heeft verklaard. Zo heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de afzuigkap – waarin tijdens de doorzoeking dichtgesealde pakken met geld, van in totaal € 51.400,75, werden aangetroffen – nooit gebruikte omdat deze kapot was en zij er nooit belang bij heeft gehad om deze te repareren. Tijdens het verhoor bij de politie heeft verdachte echter verklaard dat er ten tijde van het verhoor een monteur langs zou komen om de afzuigkap te repareren. Over het aangetroffen sealapparaat/vacumeerapparaat verklaarde zij tegenover de politie dat zij dit nog nooit had gezien en dat ze ook niet wist van wie het was, terwijl zij op de terechtzitting van het hof over dat apparaat vertelde dat zij het zelf regelmatig gebruikte om overgebleven voedsel houdbaar te verpakken. Deze onverklaarbare wijze van inconsistent verklaren maakt, dat aan de verklaringen van de verdachte weinig geloof kan worden gehecht. Het hof gelooft verdachte dan ook om die reden niet. Daar komt bij dat uit de wijze en plaats van bewaren van de heroïne en cocaïne voortvloeit dat weinig moeite is gedaan om verdachte van de aanwezigheid van de drugs onkundig te houden. Een andere conclusie dan dat er niets voor de verdachte verborgen hoefde te worden gehouden, omdat zij wel wist dat haar woning door haar partner voor opslag werd gebruikt, valt naar het oordeel van het hof moeilijk te trekken. Het hof houdt het ervoor dat zij in de gegeven situatie in algemene zin ervan op de hoogte was dat er handelsvoorraden heroïne en cocaïne in haar woning waren en dus niet in de zin dat zij precies wist welke hoeveelheden in de woning te vinden waren. Met betrekking tot de afzonderlijke hoeveelheden heeft verdachte tenminste voorwaardelijk opzet gehad. Zonder aanwijzingen voor het tegendeel, die ontbreken, kan op grond van het voorgaande ook worden vastgesteld dat verdachte geen bezwaar had tegen de aanwezigheid van de aangetroffen hoeveelheden drugs.
Het hof acht gezien de initiërende rol van de partner van verdachte ten aanzien van de verdovende middelen niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met haar partner heeft gehandeld nu voor dat oordeel wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Het voorgaande leidt ertoe dat bewezen wordt geacht dat verdachte opzettelijk cocaïne en heroïne aanwezig heeft gehad in de door haar bewoonde woning en het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.
Gelet op de bewijsmiddelen en overeenkomstig het oordeel van de rechtbank acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in totaal 296 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Dit is meer dan door het Openbaar Ministerie ten laste is gelegd, waardoor het hof tot een bewezenverklaring komt van aanwezig hebben van ‘een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne’.
Wapenbezit
Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 Wet Pro wapens en munitie is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. Het gaat daarbij om een meerdere of mindere mate van bewustheid. Daarmee wordt bedoeld dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen dat een verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist van het doorgeladen wapen en de munitie die zijn gevonden in haar woning. Het hof acht deze verklaring onwaarschijnlijk en neemt daarbij in aanmerking dat de goederen zijn aangetroffen op een plaats in de woning die typisch toebehoort tot het privédomein van de bewoner: in de onderbroeklade van een kast in de slaapkamer van verdachte. Bij het aantreffen van het vuurwapen en de munitie tussen de onderbroeken in de lade was blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2018, in het zakje de kolf van het vuurwapen bovendien zichtbaar, hetgeen tevens te zien is op de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s 15 en 16 op pagina 27 van het dossier. Voorts heeft verdachte verklaard dat zij het huishouden deed en dat zij de onderbroeken van haar partner opborg in de ladekast. Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Nu verdachte (hoofd)bewoonster van de woning was, kon zij tevens de feitelijke macht over het wapen uitoefenen.
Het hof acht gezien de initiërende rol van de partner van verdachte ten aanzien van het wapen- en munitiebezit eveneens niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met haar partner heeft gehandeld nu voor dat oordeel wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Het voorgaande leidt ertoe dat bewezen wordt geacht dat verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad en het hof verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.”

3.Het middel

3.1
Het voorgestelde middel is gericht tegen de bewezenverklaring van beide feiten. De steller van het middel klaagt dat: “de bewezenverklaring van feit 1 (opzettelijk aanwezig hebben harddrugs) en feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen met munitie) niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, reden waarom de bewezenverklaring van feit 1 en 2 onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.” In de toelichting op het middel voert de steller aan dat noch uit de bewijsmiddelen noch uit de bewijsoverweging van het hof blijkt dat de verdachte “wetenschap in de zin van bewustheid heeft gehad ten aanzien van de aanwezigheid van de verdovende middelen en het wapen met munitie in haar woning.” De verdachte heeft altijd ten stelligste ontkend dat zij op de hoogte was van de verdovende middelen en het pistool en de munitie [AG
: hierna door mij gezamenlijk ook wel aangeduid als ‘wapentuig’] in haar woning en haar partner heeft consequent verklaard dat zijn partner, de verdachte, van niets afwist. Daarnaast waren de middelen verstopt en was de verdachte niet thuis op de dag van aantreffen van de goederen in de gezamenlijke woning van de verdachte en haar partner. De bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat de goederen pas op de dag van het aantreffen van de goederen in het huis van de verdachte terecht zijn gekomen en dat verdachte daarom niet op de hoogte kon zijn van de verboden goederen in haar huis, aldus de steller van het middel.
3.2
Hoewel de steller van het middel de klachten als één middel presenteert, lopen de juridische kaders voor de twee bewezenverklaarde feiten op belangrijke punten uiteen, met name ten aanzien van de vereisten voor het aanwezig hebben dan wel voorhanden hebben van de verboden goederen. Daarom zal ik de bewijsklachten hieronder per feit bespreken.
3.3
Alvorens daartoe over te gaan, is het van belang op te merken dat het aan de rechter is die over de feiten oordeelt en het tenlastegelegde bewezen acht, om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zal een oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat. [1] De uitleg van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Enkel wanneer die uitleg onbegrijpelijk is, zal de Hoge Raad ingrijpen. [2]
Feit 1: het opzettelijk voorhanden hebben van verdovende middelen, art. 2 onder Pro C Opiumwet
3.4
Voor het bewijs van het bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, art. 2 onder Pro C Opiumwet, is niet noodzakelijk dat de gevonden verdovende middelen aan de verdachte toebehoren, noch dat zij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien daarvan heeft. [3] Voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. [4] Van aanwezig hebben in de zin van art. 2 onder Pro C Opiumwet is echter niet zonder meer sprake indien slechts kan worden vastgesteld dat verdachte (samen met anderen) in een woning verbleef en toegang had tot de keuken (waar de cocaïne in een doos werd aangetroffen). [5] Ook de enkele vaststelling dat een verdachte gedurende lange tijd (hoofd)bewoner is van een woning en toegang heeft tot alle ruimten in die woning, is niet zonder meer voldoende voor de vereiste bewustheid voor het aanwezig hebben van harddrugs. [6] Het uitgangspunt dat een hoofdbewoner weet welke voorwerpen er in huis aanwezig zijn, mag wel worden gebruikt bij de beoordeling of iemand wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen. [7] Daarnaast mag de feitenrechter het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte betrekken bij het bewijs. [8]
3.5
In onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft geweten van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. De cocaïne en de heroïne zijn in de keuken gevonden en de verdachte heeft zelf verklaard dat zij bijna elke dag (thuis) kookt. Bovendien acht het hof de verklaring van de verdachte, dat zij de verdovende middelen in de keuken niet heeft gezien, onaannemelijk. De reden daarvoor is allereerst gelegen in de plaats waar en wijze waarop de cocaïne en heroïne zijn aangetroffen. De verdovende middelen lagen immers niet goed verborgen. Het hof heeft vastgesteld dat dat de plastic zakken, waarvan één zak gevuld met cocaïne, zichtbaar onder het deksel van de tajine uitstaken en dat in de kast waar ook de tajine stond, twee zakjes met heroïne en een sealapparaat zijn aangetroffen. Daarnaast neemt het hof mee dat de verdachte wisselend heeft verklaard over haar gebruik van het aangetroffen sealapparaat en de kapotte afzuigkap. [9] Het hof concludeert dat het gebrek aan een goede verstopplek niet anders kan zijn ingegeven dan door het feit dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van handelsvoorraden heroïne en cocaïne en hier ook geen bezwaar tegen had. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van deze handelsvoorraden in haar woning.
3.6
Gelet op het hierboven weergegeven juridisch kader, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd. Het verweer van de verdediging, dat de verdachte van niets wist en de partner van de verdachte verantwoordelijk was, is door het hof uitgebreid weerlegd. Het hof heeft immers de ontkennende verklaringen van de verdachte als onaannemelijk beschouwd. Dat het hof de verklaring van de partner van de verdachte niet heeft opgenomen als bewijsmiddel en geen waarde heeft gehecht aan deze verklaring, is onderdeel van de vrije bewijswaardering van de feitenrechter. Uit de wijze waarop de heroïne en cocaïne zijn aangetroffen heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat verdachte de verdovende middelen voorhanden heeft gehad.
3.7
Het middel faalt ten aanzien van feit 1.
Feit 2: voorhanden hebben van wapentuig, art. 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie
3.8
In zijn arrest van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,
NJ2020/251, m.nt. H.J.B. Sackers, heeft de Hoge Raad voor het “voorhanden hebben” van een wapen en/of van munitie het volgende beoordelingskader geformuleerd:
“2.4 Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).”
3.9
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat zij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
3.1
De vaststelling dat de verdachte feitelijk over het wapentuig kon beschikken, brengt niet automatisch mee dat de verdachte zich ook van de aanwezigheid van de voorwerpen bewust is geweest. [10] De vraag naar die bewustheid hangt, bij een ontkennende of zwijgende verdachte, sterk af van de omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van die vraag kan betekenis worden toegekend aan de plaats waar de voorwerpen zijn aangetroffen (schuur, berging, woonkamer, slaapkamer, keuken, kantoor, bedrijfspand, etc.), de wijze waarop deze zijn opgeborgen (in het zicht, in een plastic zak, in een koffer, in een kast, in/achter kleding, achter een plint of wand, etc.) en de vraag wie feitelijk toegang tot de voorwerpen had (een- of meerpersoonshuishouden, gemeenschappelijke berging of kantoorruimte, flexwerkplek, etc.). Bij een ontkennende verdachte kan ook betekenis worden toegekend aan de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over het aangetroffen wapentuig. [11] Naarmate de verklaring meer onderbouwd is, zal de rechter in zijn bewijsmotiveringen uitgebreider moeten motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden hij de verklaring van de verdachte niet aannemelijk acht. [12]
3.11
Mijn ambtgenoot Keulen heeft zich in verschillende conclusies op het standpunt gesteld dat het bij de beoordeling van de toereikendheid van de bewijsconstructie inzake het voorhanden hebben van wapentuig bij een ontkennende verdachte in feite aankomt op twee factoren: (i) de vindplaats van de voorwerpen en (ii) de mate waarin een ‘alternatieve bezitter’ in beeld is. [13] Ik vind dat een juiste en kernachtige samenvatting van hetgeen ik hiervoor onder randnr. 3.10 heb beschreven en bovenal een praktische handreiking voor de feitenrechtspraak.
3.12
Ten aanzien van feit 2 oordeelt het hof in deze zaak dat de verklaring van de verdachte dat zij niets wist van het wapentuig onaannemelijk is, omdat de goederen zijn aangetroffen in de kledingkast op de slaapkamer die verdachte met haar partner deelt. Deze plek is bij uitstek privé. Daarnaast was de kolf van het vuurwapen zichtbaar bij het openen van de lade en heeft de verdachte verklaard dat alleen zij de was doet en de boxershorts van haar partner opbergt in de lade waar het wapentuig is aangetroffen. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapentuig en dat zij feitelijke macht over het wapen kon uitoefenen, als (mede) hoofdbewoonster van de woning.
3.13
Indachtig het in randnrs. 3.8 – 3.12 weergegeven juridisch kader, heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld en toereikend gemotiveerd waarom de verdachte het wapentuig voorhanden heeft gehad. Uit de vaststellingen over de vindplaats van het wapentuig, de slechts voor de verdachte en haar partner toegankelijke kledingkast en de onaannemelijke verklaring van de verdachte, kon het hof afleiden dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapentuig. [14] Evenals bij feit 1, staat het het hof vrij om ook bij feit 2 de verklaring van de partner van de verdachte niet te bezigen voor het bewijs. Ook weerlegt het hof het verweer dat de verdachte niets wist van het wapentuig. Door de inconsistente verklaringen van de verdachte, hecht het hof geen waarde aan haar ontkennende verklaring, waardoor de vindplaats van het wapentuig zwaar meeweegt in de bewijsbeslissing. Het oordeel van het hof dat de verdachte het wapentuig voorhanden heeft gehad, is daarom niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
3.14
Ook de klacht ten aanzien van feit 2 faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf van de door het hof opgelegde taakstraf moet leiden.
4.3
Deze conclusie sterkt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
2.Zie bijvoorbeeld HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,
3.HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985,
4.HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312,
5.HR 14 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1437, rov. 2.5.
6.HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459, rov. 2.3.
7.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.3 en de daarbij horende conclusie van AG Vegter, randnrs. 4 – 11.
8.HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733,
9.In de afzuigkap is tevens een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen. De verdachte is door het hof echter vrijgesproken van witwassen van dat bedrag en de vrijspraak staat ook niet ter discussie in cassatie.
10.Zie bijvoorbeeld HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3192, rov. 2.4.1 en 2.4.2.
11.HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169,
12.Zie voor een mooi en redelijk actueel overzicht van het motiveren van bewezenverklaringen van het voorhanden hebben van wapens de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:757, randnrs. 12-19.
13.Zie diens conclusies voorafgaand aan HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474,
14.In dit verband kan ook gewezen worden op HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474,