Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Inleidende beschouwingen naar aanleiding van de prejudiciële vraag
van een tot bewoning bestemde onroerende zaak?Het zal duidelijk zijn dat de juiste lezing van dit element in de bepaling van art. 7:2 lid 1 BW Pro, zo niet beslissend dan toch in belangrijke mate bepalend is voor het antwoord op de door de rechtbank gestelde vraag.
bewoning bestemde onroerende zaak’ geworden. Een verschil in betekenis tussen beide formuleringen is echter niet bedoeld. In plaats daarvan heeft de wetgever de formulering van art. 7:2 lid 1 BW Pro gelijk willen trekken met die van art. 7.1.10A.1 volgens het destijds aanhangige wetsvoorstel 24449 met betrekking tot de koop van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken (naar aanleiding van Richtlijn nr. 94/47/EG). [12]
woningbestemde onroerende zaak. Wat in dit verband onder een woning moet worden verstaan, is in de parlementaire stukken uitdrukkelijk en min of meer uitvoerig aan de orde gekomen. Volgens die stukken is een woning een gebouw of een gedeelte daarvan dat woondoeleinden dient en is maatgevend de feitelijke situatie ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst. [13]
nietpassend, en behoort te worden herinnerd aan wat voor de kwalificatie van door de wet benoemde overeenkomsten steeds het uitgangspunt is, namelijk dat de overeengekomen rechten en verplichtingen voor die kwalificatie bepalend zijn.
Haviltex-maatstaf) tot de gevolgtrekking dat niettegenstaande de feitelijke situatie ten tijde van de koop de verkoper zich heeft verplicht tot het geven [22] van een woning(anders gezegd, hij is op grond van overeenkomst verplicht om aan de onroerende zaak de bestemming van woning te geven), en heeft dus de koper jegens de verkoper niet slechts aanspraak op de onroerende zaak zonder meer, maar op die zaak
tot bewoning bestemd,dan is art. 7:2 BW Pro mijns inziens wel degelijk van toepassing. In die zin ook Heyman en Bartels. [23]
Haviltex-maatstaf moet uitwijzen of in die zin de door partijen overeengekomen rechten en verplichtingen luiden. Heeft de verkoper zich verplicht tot het geven van een onbebouwde onroerende zaak, dan mist art. 7:2 BW Pro toepassing. Dat geldt ook als de verkoper weet dat de koper het voornemen heeft om de onroerende zaak met een woning te bebouwen en de publiekrechtelijke bestemming die bebouwing toelaat. En het geldt ook als de verkoper de onbebouwde onroerende zaak als bouwkavel heeft verkocht. Dit laatste heeft onder meer tot gevolg dat de onroerende zaak ten tijde van de aflevering de eigenschappen zal dienen te bezitten die voor een normaal gebruik als bouwkavel nodig zijn (art. 7:17 leden Pro 1 en 2 BW). Maar daarmee heeft de verkoper zich immers nog niet tot het geven van een woning verplicht. Object van de koop is niet een tot bewoning bestemde onroerende zaak in de zin van art. 7:2 BW Pro, maar een onbebouwde onroerende zaak die voor de bouw van een woning geschikt is. Dit ogenschijnlijk subtiele verschil is beslissend voor de vraag of het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 lid 1 BW Pro en de bedenktijd van lid 2 van dat artikel toepassing vinden. Intussen is het bedoelde verschil mijns inziens niet zo subtiel als misschien op het eerste gezicht zou kunnen worden gedacht. Niet alleen in juridische maar ook in economische zin is de overeengekomen prestatie wezenlijk anders. De koper van een bouwkavel heeft jegens de verkoper geen recht op levering van een woning, anders dan de koper in het door de minister bedoelde geval van de koop van een nog te realiseren woonappartement in een bedrijfspand, en eveneens anders dan het geval van een koopaannemingsovereenkomst of turnkeyovereenkomst. In plaats daarvan zal de koper van een bouwkavel een zodanige woning voor eigen rekening en risico tot stand moeten brengen.
Volgens de parlementaire geschiedenis is de ratio van het schriftelijkheidsvereiste dat de behoefte bestaat om consument-kopers bij de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak te beschermen tegen te snelle beslissingen onder druk. Met het stellen van een vormvoorschrift beoogt de wetgever eenduidigheid te bereiken over de vraag of en zo ja wanneer wilsovereenstemming bestaat, terwijl de koper een stuk in handen heeft om aan een door hem in te schakelen deskundige voor te leggen. Een zelfde beschermingsgedachte kan gevonden worden in artikel 7:766 BW Pro. Ingevolge het eerste lid geldt het schriftelijkheidsvereiste eveneens voor een overeenkomst van aanneming van werk met betrekking tot de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Uit het derde lid volgt dat, indien sprake is van een gesplitste koopovereenkomst met betrekking tot de koop van de grond en een overeenkomst van aanneming van werk met betrekking tot een te bouwen woning op die grond, het schriftelijkheidsvereiste van toepassing is op de koopovereenkomst én de aannemingsovereenkomst (zie ook Nadere MvA, Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, 23095, nr. 38a, p. 19 en 20). Het ligt naar het oordeel van de kantonrechter dan niet voor de hand, gelet op diezelfde beschermingsgedachte achter deze bepaling, dat de koopovereenkomst niet aan het schriftelijkheidsvereiste zou moeten voldoen, indien, zoals in het onderhavige geval, nog geen aannemingsovereenkomst is gesloten, maar door een makelaar de kavel die betrekking heeft op een te bouwen woning aan consumenten te koop wordt aangeboden.