Conclusie
Upper Brook (I)respectievelijk
PIAM.
1.Inleiding en samenvatting
management feedan nog verschuldigd is.
investment manager. Voor het vermogensbeheer ontving zij een
management fee. Medio 2014 is PIAM als bestuurder van Upper Brook (I) ontslagen en vervangen. Daartoe had deze staatsinvesteringsmaatschappij als enig aandeelhouder van het fonds besloten. Vervolgens is door het nieuwe bestuur getracht PIAM ook als
investment managerweg te sturen door beëindiging van de vermogensbeheersovereenkomst tussen het fonds en PIAM. Desondanks is het beheer door PIAM voortgezet.
redemption request. De vermogensbeheersovereenkomst is daarom nog van kracht en de
management feeis nog steeds verschuldigd.
2.Feiten en procesverloop
PAM) belegde als vermogensbeheerder voor internationale beleggers met behulp van een door haar ontwikkeld beleggingsmodel. PAM kwam op enig moment in handen van Old Mutual Plc.
[betrokkene 1]) een van de bestuurders.
LIA) en Libya Africa Investment Portfolio (hierna:
LAIP). Daarnaast was de Libyan Foreign Bank (hierna:
LFB) een staatsinvesteringsmaatschappij. Deze organisaties, tezamen aan te duiden als de
staatsinvesteerders, beschikten over vermogen dat zij onderbrachten bij buitenlandse financiële instellingen voor belegging en beheer. Met de staatsinvesteerders hebben PAM en/of PIAM vanaf 2006 onderhandeld over het in beheer geven van vermogen.
fund director) en vermogensbeheerder (
investment manager). De structuur is vermeld in een
Information Memorandum, dat aan de staatsinvesteerders is verstrekt. Het
Information Memorandumbevat een uitvoerige uiteenzetting van onder meer de structuur, de beleggingsdoelstellingen, de beleggingsstrategie, het beleggingsbeleid, de betrokken organen van de beleggingsmaatschappijen, en de risico’s.
LAIPeen voorstel gedaan voor beheer van een vermogen van USD 100.000.000. LAIP heeft dit voorstel aanvaard. Het bedrag is ingebracht in Palladyne Global
Balanced Portfolio Fund Ltd., dat is opgericht op 9 november 2006 (hierna:
B-Fund).
LFBvoor beheer van een vermogen van USD 200.000.000. LFB heeft dit voorstel aanvaard. Het bedrag is ingebracht in Palladyne Global
Advanced Portfolio Fund Ltd., dat is opgericht op 19 april 2007 (hierna:
A-Fund).
LIAvoor beheer van een vermogen van USD 300.000.000. Het voorstel luidt onder meer:
Palladyne Global Diversified Portfolio Fund
Diversified Portfolio Fund Ltd., dat is opgericht op 30 oktober 2007 (hierna:
D-Fund).
Net Asset Valueovereengekomen.
de fondsen) benoemd tot bestuurder. De inleg heeft plaatsgevonden door inschrijving en betaling op de aandelen van de fondsen. Hiervoor zijn inschrijvingsovereenkomsten gesloten (
Subscription Agreements) tussen de desbetreffende staatsinvesteerder en de fondsen, vertegenwoordigd door PIAM. In deze overeenkomsten is verwezen naar het
Information Memorandum.
Investment Management Agreement, hierna:
IMA) gesloten tussen de fondsen en PIAM, waarin PIAM wordt aangeduid als ‘Palladyne’. De IMA’s luiden onder meer:
1. Definitions
2.Instruction/Authorisation
3.Mode of Management
4.Management
Master Services Agreementgesloten. Als doel van de overeenkomst is in de considerans vermeld:
Custodian Agreement) gesloten met de Amerikaanse State Street Bank and Trust Company (hierna:
SSB). De tegoeden die de fondsen aanhielden bij Fortis Bank, zijn overgeboekt naar de rekening(en) die PIAM aanhield bij SSB.
Palint) opgericht. De statuten van Palint luiden onder meer:
The Multi Market Custody Agreement) gesloten met Deutsche Bank (hierna:
DB). In 2013 zijn de tegoeden van de fondsen die werden aangehouden op de rekeningen van PIAM bij SSB, grotendeels overgeboekt naar de rekeningen die Palint aanhield bij DB.
FIOD) een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar PIAM en [betrokkene 1] .
only provide pure safekeeping and holding of the assets”.
[betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) zitting hadden, het voorstel aangenomen om [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]) en [betrokkene 5] (hierna:
[betrokkene 5]) te benoemen tot bestuurders van D-fund, “
with the consideration that they are required to adopt certain resolutions required by the Authority’s [A-G: LIA’s] lawyer in order to liquidate this Portfolio”.
Upper Brook (I) Limited. De besluiten zijn op 11 juli 2014 aan PIAM meegedeeld door Upper Brook (I).
Grand Courtvan de Kaaimaneilanden in een procedure tussen PIAM enerzijds en de fondsen, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] anderzijds onder meer beslist, kort gezegd, dat de besluiten die LIA op 8 juli 2014 als aandeelhouder van Upper Brook (I) nam tot het ontslag van PIAM en de benoeming van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] als bestuurders niet in strijd waren met het sanctierecht dat jegens Libië gold.
Court of Appealvan de Kaaimaneilanden de uitspraak van 30 januari 2019 van de Grand Court bevestigd. Een verzoek van PIAM om toestemming voor het instellen van beroep tegen de uitspraak van de
Court of Appealvan de Kaaimaneilanden van 30 januari 2019 is na advies van de
Privy Councilop 16 december 2020 afgewezen.
vonnis) heeft de rechtbank Amsterdam de volgende beslissingen gegeven:
in conventie
in het incident tot voeging:
bestreden arrest) de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, het vonnis vernietigd en – opnieuw rechtdoende – de vorderingen van Upper Brook (I) afgewezen en de vorderingen van PIAM voor het merendeel toegewezen. Ook is het incidenteel hoger beroep van Upper Brook (I) afgewezen. Het hof heeft hiertoe – samengevat – als volgt overwogen:
Information Memorandumdat vooraf aan de staatsinvesteerders is verstrekt, blijkt dat het vermogensbeheer in hoofdzaak als volgt zou worden ingericht. PIAM maakte gebruik van fondsen die vennootschappen waren naar het recht van de Kaaimaneilanden en fungeerden als een ‘
open-ended investment company’. PIAM was een van de bestuurders en tevens de
investment managervan de fondsen en had recht op een
Investment Manager Fee, te berekenen over de
Net Asset Valuevan de aandelen. De fondsen konden aandelen uitgeven en terugnemen, en stonden open voor ten hoogste 15 investeerders. De deelnemende investeerders konden door het indienen van een
redemption requesthun aandelen teruggeven tegen een
redemption price, gelijk aan de actuele
Net Asset Valuevan hun aandelen. (rov. 5.9)
Information Memorandum. De staatsinvesteerders hebben de aanbiedingen aanvaard. (rov. 5.10)
Subscription Agreements). In deze overeenkomsten is verwezen naar het
Information Memorandum. De relatie tussen de fondsen en PIAM als vermogensbeheerder is vastgelegd in de IMA’s. (rov. 5.11)
Subscription Agreementsof de IMA’s afwijkende bedoelingen hadden of konden hebben, ligt niet in de rede en is ook niet toegelicht. (rov. 5.13)
open-endedfondsstructuur is verder dat de deelnemers hun deelname eenvoudig en te allen tijde kunnen beëindigen door zich terug te trekken uit het fonds. Daartoe volstaat een
redemption request.
Redemptionhoudt in dat de deelnemers hun aandeel in het vermogen van het fonds terugontvangen tegen de actuele waarde, onder teruggaaf van hun aandelen in het fonds. Dit is de wijze waarop het vermogensbeheer eindigt. (rov. 5.15)
redemption. Het opzeggen van de IMA op grond van art. 8 van Pro de IMA was dus niet rechtsgeldig en zonder effect. (rov. 5.19)
cash, en dat niet (steeds) is voldaan aan bepaalde verplichtingen ten aanzien van rapportage, controle en/of
governance. (rov. 5.33)
assetallocatie dan genoemd in het
Information Memorandumals een tekortkoming moet worden aangemerkt. In het licht van de financiële crisis in de periode 2008-2013 is verder niet (voldoende) toegelicht waarom het een zorgvuldig handelend vermogensbeheerder is te verwijten dat ten tijde van die crisis ongeveer de helft van het vermogen als
cashis aangehouden. Verder geldt dat uit hetgeen Upper Brook (I) aanvoert over verplichtingen ten aanzien van rapportage, controle en/of
governanceniet de conclusie kan worden getrokken dat PIAM dergelijke verplichtingen jegens Upper Brook (I) als haar beleggingsvehikel had en heeft geschonden. Zelfs als dit wél zo zou zijn, is het aangevoerde geenszins van voldoende gewicht om daaraan het oordeel te verbinden dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming die PIAM jegens Upper Brook (I) die verplicht tot schadevergoeding of ontbinding van de IMA rechtvaardigt. (rov. 5.34-5.36)
feeverschuldigd gebleven. De
feeis niet afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden die of het aantal
tradesdat in een bepaalde periode plaatsvindt. Dat de fee verschuldigd is gebleven, is ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid of om andere redenen. Indien LIA als staatsinvesteerder wil ontkomen aan de verschuldigdheid van de
fee, zal zij op de juiste, overeengekomen wijze het vermogensbeheer moeten doen eindigen, dat is door het terugnemen van haar vermogen uit het fonds via het indienen van een
redemption request. Er is geen deugdelijke reden naar voren gebracht waarom LIA dit niet doet of kan doen. (rov. 5.47-5.50)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelklaagt over de oordelen over de beëindiging van de vermogensbeheersovereenkomst en over de andere gestelde tekortkomingen, althans ander onrechtmatig handelen van PIAM. Upper Brook (I) betoogt onder meer dat de zaak, in strijd met art. 24 Rv Pro, niet is onderzocht en beslist op hetgeen PIAM aan haar verweer en vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Verder voert Upper Brook (I) motiveringsklachten aan. Het
tweede onderdeelziet op het oordeel over de
management fee. In het licht van de stellingen van Upper Brook (I) had het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, mogen oordelen dat de verschuldigdheid of hoogte van de management fee niet onaanvaardbaar was. Het
derde onderdeelbevat een voortbouwklacht.
beschikking). [8] Die beschikking is gewezen op dezelfde datum als het bestreden arrest, door dezelfde combinatie raadsheren. De mondelinge behandeling werd samen gehouden met die van de onderhavige zaak.
Arrest in andere zaken tussen partijen
Ook in die zaken doet het hof vandaag uitspraak (hierna: het arrest).
feeten laste van het bewaarde vermogen heeft gebracht, door het gebruik van de aan PIAM verleende volmacht.
feevoor het vermogensbeheer door PIAM was overeengekomen met de staatsinvesteerders en was niet afhankelijk van prestaties van PIAM, maar van de omvang van het vermogen.
Op grond van de overeenkomsten die aan het vermogensbeheer door PIAM ten grondslag lagen, konden de staatsinvesteerders het vermogensbeheer, en daarmee de verschuldigdheid van defee, beëindigen door eenredemption request.Voor Palint als bewaarder en voor haar bestuurders was een en ander een gegeven.
Het optreden van de staatsinvesteerders en door hun toedoen van de fondsen jegens PIAM, zonder het vermogensbeheer op de overeengekomen wijze te doen eindigen, bracht niet mee dat de bestuurders te maken kregen met belangen die onverenigbaar waren met het belang van Palint als bewaarder van het vermogen.Het vermogen werd en blijft bewaard ten behoeve van de ‘economisch gerechtigden’ en de
feewerd uitbetaald die met de staatsinvesteerders is overeengekomen. Dat Palint het standpunt van PIAM over de wijze waarop het vermogensbeheer en de daarvoor verschuldigde fee behoorde te eindigen, deelde, ligt voor de hand, gegeven hetgeen daarover met de staatsinvesteerders is overeengekomen. Dit bracht niet mee dat de bestuurders belangen kregen die onverenigbaar waren met het belang van Palint als bewaarder van het vermogen binnen het vermogensbeheer. Ook niet toen de staatsinvesteerders of fondsen meenden hun eisen kracht te moeten bijzetten door de bestuurders een claim wegens bestuurdersaansprakelijkheid voor te houden. Als waar is dat het (uitbetalen van het) salaris van de bestuurders afhankelijk is van de financiële positie van PIAM, wordt dit niet anders. Overigens is die afhankelijkheid onvoldoende toegelicht, in aanmerking genomen dat de bestuurders werkzaam zijn voor Palint en niet voor PIAM.
het laten uitbetalen van de voor het vermogensbeheer aan PIAM verschuldigdefee.”
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.”
feejegens Upper Brook (I). Verder wordt beslist dat Upper Brook (I) de aangewezen weg voor beëindiging (het doen van een
redemption request) niet heeft gevolgd (rov. 5.17-5.18, zie ook rov. 5.19). Eén en ander draagt mede het oordeel dat de bestuurders van Palint geen verwijt kan worden gemaakt dat zij geen maatregelen hebben genomen om PIAM te beletten de aan haar verschuldigde
feete laten uitbetalen (rov. 5.15, en ook rov. 5.20). Als het vermogensbeheer immers wél zou zijn geëindigd, dan was de
feein beginsel niet verschuldigd geweest. Dit oordeel (‘geen verwijt’) ligt mede ten grondslag aan de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank (rov. 5.26 en dictum onder 6.1).
fee(rov. 5.6 van het bestreden arrest). In dat kader is van essentieel belang hoe de IMA kan worden beëindigd (volgens het hof in de beschikking is de aangewezen weg een
redemption request) en of dat ook op die wijze is geschied (neen, aldus het hof in de beschikking).
Dit heeft tot gevolg dat alle klachten in onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3.1 falen bij gebrek aan belang. [24] Deze klachten richten zich op overwegingen waarin wordt geoordeeld dat de IMA niet rechtsgeldig is opgezegd en bevatten standpunten van Upper Brook (I) die onverenigbaar zijn met de door PIAM ingeroepen beslissingen uit de beschikking. Zoals we hierna zullen zien in mijn – in zoverre ten overvloede – bespreking van deze klachten, falen deze ook om andere redenen.
eerste onderdeelstart met een samenvatting van het oordeel van het hof over beëindiging van de IMA. Het oordeel in rov. 5.8 t/m 5.16 (onder het kopje: “
IMA: context en strekking”) waarin de IMA wordt uitgelegd, wordt samengevat in rov. 5.18:
redemption request, tegen het inleveren van hun deelnemingsrechten (aandelen).”
redemption. Het opzeggen van de IMA op grond van art. 8 van Pro de IMA was dus niet rechtsgeldig en zonder effect.”
Het moet daarom ervoor worden gehouden dat de IMA nog van kracht is. Hetgeen PIAM heeft aangevoerd in onder meer onderdeel 13 van haar memorie van grieven in principaal hoger beroep en grief IV, treft dus in zoverre doel.”
subonderdeel 1.1luiden dat, door het arrest op het punt van de beëindiging van de IMA te baseren op een uitleg van de IMA in het licht van de bredere vermogensbeheer- en fondsstructuur, het hof (i) het grievenstelsel c.q. de tweeconclusieregel heeft miskend, (ii) de zaak in strijd met art. 24 Rv Pro niet heeft onderzocht en beslist op de grondslag van hetgeen PIAM aan haar verweer en vorderingen ten grondslag heeft gelegd, althans (iii) het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden. Het oordeel van het hof is in ieder geval (iv) onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, zo meent Upper Brook (I).
uitlegvan de IMA (in het licht van de vermogensbeheer- en fondsstructuur) met zich brengt dat het vonnis behoort te worden vernietigd. In eerste aanleg is dit argument niet gevoerd. Grieven dienen behoorlijk naar voren te worden gebracht zodat zij voor de wederpartij kenbaar zijn en zij weet waartegen zij zich moet verweren. Door te oordelen als hiervoor weergegeven, heeft het hof deze maatstaf volgens Upper Brook (I) miskend. Upper Brook (I) heeft de memorie van grieven niet begrepen in de zin dat daarin een zelfstandig uitleg-argument werd gepresenteerd. Upper Brook (I) had zo’n argument ook niet hoeven te onderkennen.
Die gronden moeten wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren.Bij de uitleg van de memorie van grieven of het appelverzoekschrift kan mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde respectievelijk de verweerder in hoger beroep de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen.
in beginselthuis in de memorie van grieven of de appeldagvaarding (art. 347 Rv Pro, de tweeconclusieregel). De achtergrond van deze regel is het belang van de concentratie van het debat. [29] Eén van de uitgangspunten is – en blijft – dat de wederpartij zich naar behoren moet kunnen verdedigen. [30] Op ‘de in beginsel strakke regel’ zijn de volgende uitzonderingen aanvaard: [31]
Memorie van grievenvan 13 juli 2021 (citaat zonder voetnoten):
De kern van deze procedure
redemption) uit het investeringsfonds.
Dat stond ook in dit geval in de geldende overeenkomsten.Het was nooit de bedoeling van PIAM en de investeerders dat het vehikel voor het beleggen van de gelden, de Fondsen zelf, een eigen identiteit los van PIAM zouden aannemen en zouden ingaan tegen de uitdrukkelijke en gelegitimeerde wensen van PIAM. […]
verschillende grondslagenkunnen worden verbonden.
die PIAM volledigheidshalve allemaal inroepten aan haar grieven in hoofdstukken 13, 14 en 15 ten grondslag legt. […]
Nakoming (uitleg, derogerende dan wel aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid) dan wel ‘vervangende schadevergoeding’ wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming
ontoelaatbaar is onder de IMA, waarin de overige hierna te noemen overeenkomsten via uitleg een rol spelen– en bovendien onrechtmatig jegens PIAM.
Er is – om goede redenen en in lijn met de gebruikelijke praktijk – nooit beoogd om de Staatsinvesteerders controle te geven over de wijze waarop de organisatie van de Fondsen werd gevoerd, en dus ook niet over de overeenkomsten die de Fondsen zijn aangegaan (zoals de IMA’s, maar ook de overeenkomsten die de Fondsen met de serviceproviders zijn aangegaan).
Het was alle betrokken partijen echter duidelijk, of dat had in ieder geval duidelijk behoren te zijn, dat een dergelijke actie niét tot de overeengekomen manier om de samenwerking met PIAM te beëindigen behoorde.Dat heeft PIAM ook direct na ontvangst van de Beëindigingsbrieven aan de LIA laten weten (nadruk toegevoegd, adv.):
LIA is a subscriberinto the Palladyne Global Diversified Portfolio Fund by signing asubscription form which provides clarity on its rights for subscription(investing into)and redemption(liquidating monies out of the Fund). Additionally, LAP is subscribed into the Palladyne Balanced Portfolio Fund. The aforementioned Funds are separate and independent of each other and LIA and the LAP are subscribers into the respective Palladyne Funds which has been created as a collective investment scheme (i.e. multiple investors) by Palladyne.
redemptiongedaan, maar heeft ervoor gekozen om de controle over de vennootschappen op oneigenlijke wijze ‘te kapen’. PIAM had – en heeft – reeds daarom alle reden om zich tegen de overdracht van de Fondsen te verzetten.
rov. 5.29dat:
Upper Brook heeft ten onrechte het beeld geschetst dat het opzeggen van de IMAsdoor de Staatsinvesteerderseen mogelijkheid was die partijen hebben voorzien bij het aangaan van de IMA.Zoals hiervoor omschreven is het nooit overeengekomen dat de
subscribersvan de Fondsen (de Staatsinvesteerders) de Fondsen konden ‘kapen’ door middel van het nemen van aandeelhoudersbesluiten. Upper Brook was zich daar terdege van bewust. […]
redemptionmoeten indienen.
Upper Brook heeft – in flagrante strijd met de opzet van de Fondsen en evidente bedoelingen van partijen– gepoogd om PIAM als Fund Director te ontslaan, en [betrokkene 5] en [betrokkene 4] daarvoor in de plaats aan te stellen. […].
Dat is in strijd met de afspraken onder de IMA/MSA zoals onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit te leggen(dan wel aan te vullen ex art. 6:248 lid 1 BW Pro), onrechtmatig
en/ofnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Spreekaantekeningenzijdens PIAM, mondelinge behandeling 15 juni 2023 (citaat zonder voetnoten): [33]
Redemption versus opzeggen
Gezien de opzet van de Fondsenen de oorspronkelijke bedoeling dat meerdere investeerders op ieder van de Fondsen in zou kunnen schrijven,
was het nooit de bedoeling van de Fondsen (nu Upper Brook) en PIAM als contractspartijen dat PIAM als bestuurder ontslagen zou kunnen worden.Er had dus nooit een situatie mogen worden geforceerd, zoals nu is gebeurd, waarin een bestuurder (niet zijnde PIAM) überhaupt gebruik zou
willen(laat staan: kunnen) maken van enige opzegmogelijkheid.
PIAM. Waar de definities van sommige functies voorzien in opvolging (zoals het geval is voor
Directors), is dat niet het geval voor de Investment Manager.
Onder die omstandigheden mocht PIAM erop vertrouwen dat zowel de Staatsinvesteerders als de Fondsen de onvoorwaardelijkheid van haar functie als Investment Manager zouden respecteren, en aan dat gerechtvaardigd vertrouwen mag PIAM ook rechten ontlenen.
redemptionop zeer korte termijn de
net asset valueontvangen en dan zouden PIAM en de Fondsen desgewenst nieuwe investeerders toe kunnen laten.
Het enkele bestaan van de opzegbepaling rechtvaardigt dus allerminst de uitleg dat het de redelijke en over en weer kenbare bedoeling van partijen was dat– na het vervangen van PIAM als bestuurder, hetgeen wat PIAM betreft op grond van de gemaakte afspraken óók al niet mogelijk was –
de IMA’s opgezegd zouden kunnen worden en PIAM vervolgens volledig uit haar eigen Fondsen gezet kon worden. Upper Brook,dezelfde rechtspersoon als de rechtsgeldig door PIAM vertegenwoordigde Fondsen die al deze kennis uiteraard al hadden als partij bij de IMA’s,
kan dat redelijkerwijs nooit als de bedoeling van de partijen hebben begrepen (en hetzelfde geldt voor de Staatsinvesteerders op grond van de Subscription Agreements en de MSA).
Memorie van antwoord in principaal appel:
Weerlegging grief 4: beëindiging IMA niet in strijd met redelijkheid en billijkheid
de door PIAM vier aangedragen redenen, waaruit zou volgen dat rov. 5.29 niet in stand kan blijveninhoudelijk onjuist en onbegrijpelijk. Upper Brook bespreekt deze redenen hieronder één voor één.
juistde geëigende weg gevolgd. Niet valt in te zien waarom Upper Brook (I) - als de LIA de banden met PIAM zou willen verbreken - enkel een verzoek tot
redemptionzou kunnen indienen: het staat Upper Brook (I) vrij om zelf te bepalen van welke mogelijkheden en bevoegdheden zij gebruik wil maken.
in reactie op de stellingen van PIAM, Palint en de bestuurders hierna toelichten dat PIAM wel degelijk rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder en investment manager, en dat de IMA’s rechtsgeldig zijn opgezegd. […]
Dat Upper Brook (I) bevoegd was om de IMA op te zeggen volgt uit art. 8.1 van de IMA én uit het Information Memorandum. Van een andere bedoeling van partijen blijkt niet.De verwijzing naar de MSA kan PIAM niet baten, onder meer omdat Upper Brook (I) niet aan die overeenkomst is gebonden.
Proces-verbaal van de mondelingebehandeling van 15 juni 2023, p. 4-5:
en dat een opzeggingsmogelijkheid in de overeenkomst niet de bedoeling was. De reactie van Upper Brook is dat dat wel bedoeld is.[…] Upper Brook meent dat de IMA’s gewoon opgezegd konden worden.
subonderdeel 1.2betoogt Upper Brook (I) dat het hof in elk geval blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een onbegrijpelijke en/of onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven in het licht van de stellingen van Upper Brook (I). Zij wijst erop dat gemotiveerd is gesteld dat PIAM, LIA en Upper Brook (I) bij de totstandkoming van de vermogensstructuur de bedoeling hadden dat de beëindiging ook kon plaatsvinden doordat de investeerder de fondsbestuurders ontslaat en nieuwe fondsbestuurders benoemt, die vervolgens de IMA tussen het fonds en beheerder konden opzeggen, althans dat deze wijze van beëindiging de uitkomst is van wat partijen bij (het aangaan van) de vermogensstructuur hebben afgesproken. Upper Brook (I) heeft gesteld dat:
Information Memorandum:
redemption requestlag wegens die verdenkingen niet voor de hand.
het vermogensbeheer door de vermogensbeheerder doen eindigen door de vermogensbeheerder te ontslaan als bestuurder van het fonds en door het fonds de vermogensbeheerder te laten ontslaan.Er is ook niets aangevoerd dat erop wijst dat de staatsinvesteerders en PIAM desondanks wel voor ogen stond dat een dergelijke wijze van
beëindigen van het vermogensbeheerdoor PIAM toelaatbaar zou zijn.
Dit brengt tevens mee dat art. 8 van Pro de IMA niet kan zijn bedoeld om het fonds - en daarmee de deelnemers - die mogelijkheid te geven.”
beëindiging van het vermogensbeheerniet mogelijk is door de bestuurder van het fonds te ontslaan én (vervolgens) het fonds de vermogensbeheerder te laten ontslaan. Voor zover het middel uitgaat van de veronderstelling dat het hof oordeelt over het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om een bestuurder van het fonds te ontslaan, falen de klachten bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof oordeelt over de door Upper Brook (I) toegepaste en door haar als valide bepleite beëindiging van het vermogensbeheer door PIAM. Dit wél gegeven oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de ingeroepen stellingen.
redemption request(rov. 5.18 en 5.19), dat het opzeggen op grond van art. 8 niet Pro rechtsgeldig en zonder effect was (rov. 5.19
in fine), dat de verdenkingen van de FIOD niet de bevoegdheid gaven de overeenkomst te beëindigen (rov. 5.22-5.23) en dat gesteld noch gebleken is dat de IMA op een ander moment is ontbonden, beëindigd of opgezegd en daarom nog van kracht is (rov. 5.24).
subonderdeel 1.3.1richt het middel zich tegen
rov. 5.22-5.24. Deze overwegingen luiden als volgt:
third party to provide services’) heeft gesloten. Er kan dus niet worden gezegd dat PIAM haar verplichtingen uit hoofde van de IMA heeft geschonden, zoals Upper Brook (I) aan de ontbinding, althans onmiddellijke beëindiging, van de IMA ten grondslag heeft gelegd. Voor zover Upper Brook (I) bezwaren had tegen de wijze waarop PIAM de met de staatsinvesteerders overeengekomen fee besteedde, is niet afdoende uitgelegd waarom deze wijze van besteding haar in het kader van het vermogensbeheer aanging. Dat de verdachtmakingen jegens [betrokkene 1] en diens familie valide waren, is overigens ook niet gebleken.
waaromgeen sprake zou zijn van een toereikende motivering; een opsomming van stellingen voldoet niet. Verder geldt het volgende:
De stellingen onder i) en ii)zijn gemotiveerd en niet onbegrijpelijk verworpen door het hof in rov. 5.16, 5.18-5.19, 5.22-5.24, zoals ik hiervóór in 3.28 uiteengezet heb.
De stelling onder iii)is door het hof onder ogen gezien en verworpen in rov. 5.22-5.23. Daar staat dat het bij verdenkingen en verdachtmakingen is gebleven en dat daarmee geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die het oordeel rechtvaardigen dat PIAM onwettige handelingen en schijntransacties had uitgevoerd. Hieruit volgt dat de ernst van de verdenkingen niet volstaat om een bevoegdheid tot beëindiging aan te nemen.
De stelling onder iv)dat Upper Brook (I) gerechtigd en zelfs verplicht zou zijn te acteren naar de verdenkingen, betekent nog niet dat dat ‘acteren’ kan en moet inhouden de beëindiging van de IMA op de wijze waarop dat is geschied. Het hof denkt daar, voldoende gemotiveerd, duidelijk anders over dan Upper Brook (I).
De stelling onder v)dat goed advies was ingewonnen door Upper Brook (I) kan haar ook niet baten. De rechter is niet verplicht steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken. [40] De mate waarin de rechter in moet gaan op door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten hangt af van onder meer het belang van de betrokken stelling. [41]
subonderdeel 1.3.2richt Upper Brook (I) haar pijlen op
rov. 5.34. Deze overweging, en de voorafgaande rov. 5.28 en rov. 5.33, luiden als volgt:
Tekortkomingen/onrechtmatig handelen: vermogensbeheer
governance.
Uit overgelegde producties kan worden opgemaakt dat het vermogen van de staatsinvesteerders in de door PIAM beheerde fondsen in de periode 2012-2019 met 35,86% is gegroeid, tegenover 1,78% groei van het totale vermogen van de staatsinvesteerders. Upper Brook (I) heeft niet (voldoende) toegelicht dat PIAM in dat opzicht iets valt te verwijten, daargelaten dat onvoldoende is gesteld om te oordelen dat een andere asset allocatie dan genoemd in het
Information Memorandum(dat onderdeel is van de
Investment Policyonder de IMA) als een tekortkoming moet worden aangemerkt. Upper Brook (I) ziet daarbij kennelijk over het hoofd dat PIAM de bevoegdheid toekwam om deze naar eigen goeddunken en zonder toestemming van de staatsinvesteerders aan te passen (zie onder ‘
Investment Objective’ en ‘
Investment Guidelines’ van het
Information Memorandum). Voor zover Upper Brook (I) ook betoogt dat het
targetniet is behaald, heeft zij dat in het licht van het behaalde resultaat onvoldoende toegelicht.”
Information Memorandumals een tekortkoming moet worden aangemerkt. In de laatste bijzin van het subonderdeel staat nog: “
dit terwijl zodanig tekortschieten niet eens is vereist voor opzegging van een overeenkomst van opdracht”. Hiermee ziet Upper Brook (I) kennelijk over het hoofd dat het in dit deel van het bestreden arrest niet gaat over (de mogelijkheid van) opzegging, maar over mogelijke aansprakelijkheid voor schade (zie de hiervoor geciteerde rov. 5.28).
subonderdeel 1.3.3staat
rov. 5.36centraal. Deze overweging is een vervolg op rov. 5.33 (zie het citaat hiervoor) en luidt als volgt:
governanceniet de conclusie kan worden getrokken dat PIAM dergelijke verplichtingenjegens Upper Brook (I) als haar beleggingsvehikel had en
heeft geschonden. Zelfs als dit wél zo zou zijn, is het aangevoerde geenszins van voldoende gewicht om daaraan het oordeel te verbinden dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming die PIAM jegens Upper Brook (I) verplicht tot schadevergoeding of ontbinding van de IMA rechtvaardigt.
Van enige schade op dit punt is overigens niet gebleken.”
Ten eerstewordt de laatste zin van rov. 5.36 (zie onderstreept in het citaat) niet aangevallen. Het staat dus in deze procedure vast dat er geen schade is op het punt van de vermeende schending van rapportage-, controle- en/of governanceverplichtingen. Nu het gaat om een vordering tot schadevergoeding, zal die vordering dus moeten worden afgewezen bij gebrek aan schade.
Ten tweedehoudt de klacht in dat het oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het partijdebat, omdat volgens de gemotiveerde stellingen van Upper Brook (I) het wel degelijk gaat om significante en op zichzelf staande verplichtingen van PIAM. Met de klacht wordt dus alleen betoogd dat er bepaalde verplichtingen van PIAM jegens Upper Brook (I)
bestaan, maar daarmee wordt niet aangevallen het oordeel dat uit hetgeen Upper Brook (I) heeft aangevoerd niet de conclusie kan worden getrokken dat de bedoelde verplichtingen
heeft geschonden(zie onderstreept in het citaat).
subonderdeel 1.3.4worden
rov. 5.38 en 5.39op de korrel genomen. Deze overwegingen, en de voorafgaande rov. 5.37, luiden als volgt:
Tekortkomingen/onrechtmatig handelen: Palint
De staatsinvesteerders hebben geen verzoek hebben gedaan tot teruggaaf van het in beheer gegeven vermogen, op de wijze die zij met PIAM bij aanvang van het vermogensbeheer zijn overeengekomen, namelijk door middel van eenredemption request.PIAM en Palint hebben steeds verklaard dat zij een dergelijk verzoek zullen inwilligen, indien dit wordt gedaan en de staatsinvesteerders een betaalrekening aanwijzen waarop het vermogen kan worden gestort. Waar PIAM en Palint zich tegen verzetten, is het ‘kapen’ van het fonds door het langs de vennootschapsrechtelijke weg overnemen van de controle over het fonds. Voor het achterwege laten van een
redemption requestis echter geen afdoende verklaring gegeven.
Geziende verklaring van PIAM en Palint dat zij zo’n verzoek zullen inwilligen en
het ontbreken van aanknopingspunten dat zij dat niet daadwerkelijk zullen doen, bevreemdt het dat Upper Brook (I) PIAM en Palint verwijt dat het vermogen buiten het bereik van Upper Brook (I) of de staatsinvesteerders is gebracht.
dat er geen deugdelijke aanwijzing is dat PIAM met de tussenkomst van Palint het vermogen buiten het bereik van Upper Brook (I) of LIA heeft willen brengen.”
ten eersteeen voortbouwklacht op deze overwegingen. Het oordeel van het hof “
faalt reeds op de in subonderdelen 1.1 en 1.2 aangehaalde gronden.” Afgezien van het feit dat een oordeel van een hof niet kan ‘falen’, faalt deze klacht omdat de klachten in subonderdelen 1.1 en 1.2 niet slagen.
tweede klachtluidt dat voorts onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is het oordeel dat aanknopingspunten zouden ontbreken dat PIAM een verzoek tot
redemptionniet daadwerkelijk zou inwilligen en dat deugdelijke aanwijzingen ontbreken voor het buiten bereik van Upper Brook (I) of LIA houden van het fondsvermogen. Upper Brook (I) heeft immers duidelijk naar voren gebracht dat wél sprake is van dergelijke aanknopingspunten, en dit oordeel gaat voorbij aan de realiteit dat ondanks verzoeken daartoe PIAM steeds weigert het fondsvermogen onder het bereik van Upper Brook (I) of LIA te plaatsen.
redemptionis ingediend door Upper Brook (I). Ik wijs op rov. 5.38 (tweede zin), 5.43, 5.49, 5.50 en 5.74. Daar komt nog bij dat de klacht feitelijke grondslag in de gedingstukken ontbeert. Op geen van de in de procesinleiding vermelde vindplaatsen (voetnoot 36) staat iets concreets over het doen van een verzoek tot
redemptiondoor Upper Brook (I).
rov. 5.47-5.57 en 6.8. Dit doet zij allereerst met een voortbouwklacht in
subonderdeel 2.1. Gelet op onderdeel 1 zouden de voormelde rechtsoverwegingen niet in stand kunnen blijven. Deze klacht deelt het lot van de klachten vervat in onderdeel 1.
rov. 5.48-5.49. Deze overwegingen, en de omliggende rov. 5.47 en rov. 5.50, luiden als volgt:
Fee
feeverschuldigd gebleven.
Net Asset Valuevan het beheerde vermogen en niet over prestaties of andere parameters. De
feeis dus niet afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden die of het aantal
tradesdat in een bepaalde periode plaatsvindt. Dat sinds 2014 slechts beperkt
tradeshebben plaatsgevonden, door de opstelling van DB of als uitvloeisel van het geldende sanctierecht, heeft dus geen invloed op de hoogte of het verschuldigd zijn van de
fee.
feeverschuldigd is gebleven, is ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid of om andere redenen, daargelaten of LIA en/of Upper Brook (I) zelf de opstelling van DB (mede) hebben bewerkstelligd.
In de eerste plaats heeft LIA als staatsinvesteerder het in de hand om aan het betalen van de fee te ontkomen.Zij kan dit doen door het vermogensbeheer door PIAM te beëindigen op de daarvoor overeengekomen wijze, namelijk door middel van een
redemption request. Zolang LIA ervoor kiest om dit niet te doen, kan zij zich niet, en Upper Brook (I) evenmin, met recht en reden beklagen over ‘het onttrekken van exorbitante bedragen’ aan
feeaan het fonds.
Daarnaast geldt dat LIA – en Upper Brook (I) – blijft profiteren van de wijze waarop PIAM in het kader van haar vermogensbeheer het vermogen van LIA heeft belegd, zolang zij nalaat om haar vermogen via eenredemption requestuit het fonds terug te nemen, en dat zij – en Upper Brook (I) – geen reden heeft om over dit profijt te klagen.
feevoor het vermogensbeheer, zal zij dus op de juiste, overeengekomen wijze het vermogensbeheer moeten doen eindigen, dat is door het terugnemen van haar vermogen uit het fonds via het indienen van een
redemption request. Er is geen deugdelijke reden naar voren gebracht waarom LIA dit niet doet of kan doen. Uit het feit dat Upper Brook (I) met een beroep op een opinie van prof. dr. Ryngaert van 8 mei 2023 stelt dat gelden kunnen worden overgemaakt op een bankrekening op haar naam, mits het tegoed daarop is bevroren, maakt het hof op dat ook Upper Brook (I) in elk geval in het sanctierecht geen belemmeringen ziet voor het uitvoeren van een
redemption request.”
management feeals tegenprestatie. Sinds 2014 weigert PIAM afstand te doen van het vermogen en voert geen werkzaamheden meer uit. Daarom zijn latere waardestijgingen van het fonds niet gerelateerd aan enig
asset managementvan PIAM. PIAM erkent zelf ook dat vanaf mei 2014 niet meer ‘getrade’ en ‘gesettled’ is. Het oordeel van het hof is in dit licht onjuist en/of onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de onderbouwde stellingen van Upper Brook (I) had het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, mogen oordelen dat de verschuldigdheid van (dan wel de hoogte van) de management fee niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid of om andere redenen onaanvaardbaar is.
feeniet onaanvaardbaar is, namelijk: zolang niet de weg van
redemptionwordt ingeslagen, kan Upper Brook (I) zich niet beklagen over de
fee(zie rov. 5.49 ‘in de eerste plaats’ en de uitwerking in rov. 5.50).
subonderdeel 2.2luidt de klacht dat het dictum onder 6.8 onjuist is. Dit deel van het dictum luidt als volgt:
6. Beslissing
2,5% per jaarover de NAV, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen
na de respectieve vervaldata van de kwartaalbedragen(zijnde de eerste dag van elk kwartaal) tot de dag van betaling, zolang het vermogensbeheer door PIAM niet rechtsgeldig is beëindigd en ter uitvoering daarvan overdracht van de assets uit het fonds aan een andere investment manager heeft plaatsgevonden of de assets op de daarvoor aangewezen weg zijn geliquideerd en uitgekeerd aan LIA;”
management feevan 2,5% per jaar over de
Net Asset Value(hierna: “
NAV”) van het fonds is onjuist, omdat PIAM minder dan 2,5% per jaar over de NAV vorderde én een percentage van 0,625%
per jaarover de NAV als
management feewas overeengekomen, aldus Upper Brook (I) in de procesinleiding. In de schriftelijke toelichting van Upper Brook (I) staat vervolgens (citaat zonder voetnoten):
Onderdeel van de afspraken was dat zij een jaarlijkse vermogensbeheersvergoeding zou ontvangen van 2,5% van de netto fondswaarde (per kwartaal 0,625%).Die vergoeding was niet gekoppeld aan prestatieafspraken. De vergoeding is opgenomen in het Investment Memorandum en in de IMA onder art. 7.1. De Forensic Risk Alliance berekende dat over de periode 2007-2019 meer dan USD 153 miljoen aan management fees aan PIAM zijn uitgekeerd: […].”
Onderdeel 2richt zich tegen rov. 5.47-5.57 en 6.8. Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting. Ten aanzien van rov. 6.8 merkt Upper Brook slechts op dat aanvankelijk een management fee van
0,625% per kwartaalover de net asset value van Upper Brook was overeengekomen, zie paragraaf 10 [bedoeld zal zijn: 11, A-G].
Die afspraak is later herzien.Ervoor in de plaats kwam een gestaffeld systeem met – nog steeds – bijzonder hoge vergoedingen van vaak 2% per jaar van de waarde van Upper Brook.”
Net Asset Valueovereengekomen.”
PART III: FEES AND EXPENSES
management feeover het hoofd gezien. Dit werkt door in het dictum onder 6.8 waar het hof voor recht heeft verklaard dat PIAM gerechtigd is tot “
de volledige fee van 2,5% per jaar”. [45] PIAM vorderde op dit punt het volgende: [46]
Teverklaren voor rechtdat PIAMvoor de volledige periode van 11 juli 2014 tot de datum van het wijzen van arrest, althans tot een door uw hof in goede justitie te bepalen termijn, alsmede in de toekomst zolang zij de werkzaamheden die zij verricht ten behoeve van het Fonds […] blijft voortzetten en er niet bevoegdelijk overdracht heeft plaatsgevonden van de assets uit het Fonds aan een andere investment manager die alle aan die functie verbonden taken zal kunnen uitvoeren dan wel de assets van het Fonds op de daartoe geëigende weg geliquideerd en aan de LIA,
jegens Upper Brook gerechtigd is tot de volledige management feesvoor het Fonds van Upper Brook te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de respectieve vervaldata van de kwartaalbedragen (zijnde de eerste dag van ieder kwartaal) tot aan de dag van voldoening.
verklaren voor rechtdat de onder 7 bedoelde bedrag aan management fees tot en met het derde kwartaal van 2021
USD 32.719.918belopen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente […].”
management feeniet klopt. Ik citeer de betrokken passage (onderstreping in origineel, A-G):
dit is feitelijk inderdaad het geval. PIAM heeft echter tijdig en uit eigen beweging aangegeven
slechts aanspraak te zullen (blijven) maken op de overeengekomen (lagere) fee, en onvoorwaardelijk afstand gedaan van het recht om op basis van het arrest aanspraak te maken op een hoger percentage(zie
bijlage 1bij deze Schriftelijke Toelichting). Upper Brook heeft daarom geen belang bij deze klacht. PIAM acht het onbetamelijk en in strijd met art. 21 Rv Pro dat Upper Brook deze klacht (zonder enige context) opbrengt.”
Arrest”).
ius agendi). [48] Dit betekent niet dat de materiële aanspraak weg is. [49] Dat Upper Brook (I) door de afstand van PIAM geen belang meer zou hebben bij haar klacht, [50] lijkt mij dus niet zonder meer juist. Dat werk ik niet verder uit, want de klacht van Upper Brook (I) faalt wat mij betreft hoe dan ook.
a contrario [51] ) dat de rechter niet méér (
ultra petita) of anders (
extra petita) mag toewijzen dan gevorderd. [52] Art. 23 Rv Pro brengt mee dat – tenzij de wet anders bepaalt [53] – de rechter een beslissing niet ambtshalve mag geven, maar alleen wanneer een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt. [54] Om binnen de grenzen van art. 23 Rv Pro te blijven moet de rechter wel weten wat de vordering omvat. De uitleg van de vordering door het hof (als onderdeel van de gedingstukken) kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [55]
management feeniet helemaal scherp voor ogen gehad. Dit blijkt mede uit de feitenvaststelling die niet volledig strookt met hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd (namelijk: er waren
nadereafspraken). Het hof heeft ten gevolge daarvan het begrip ‘de volledige management fees’ in het petitum onder 7 uitgelegd als inhoudende 2,5% per jaar over de NAV (dit was de
aanvankelijkeafspraak en niet de
nadereafspraak). Een uitleg van de gedingstukken ligt dus ten grondslag aan het aangevallen deel van het dictum. Omdat deze uitleg in cassatie niet op juistheid (maar alleen op begrijpelijkheid) kan worden getoetst, faalt de klacht.
feevan 2,5% per jaar over de NAV’ moet worden gelezen: ‘de volledige
fee’. [56]