In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen, waarbij een eerdere tussenbeschikking werd bevestigd en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De beschikking van het hof van 15 mei 2024 is een tussenuitspraak, waartegen cassatieberoep slechts kan worden ingesteld tegelijk met een einduitspraak, tenzij de rechter anders bepaalt. In deze zaak heeft het hof echter geen verlof verleend voor tussentijds cassatieberoep.
De procureur-generaal stelt daarom voor het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering. Dit volgt uit de toepasselijke wettelijke bepalingen en jurisprudentie, waarin is bepaald dat toestemming voor tussentijds hoger beroep niet gelijkstaat aan toestemming voor tussentijds cassatieberoep.