Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Giskus/BMG [4] niet wordt toegekomen aan inhoudelijke behandeling van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, omdat een rechtsmiddelenverbod geldt en de beiderzijds gestelde doorbrekingsgronden niet opgaan, zodat deze zaak in cassatie niet voorbij de voorvraag komt of sprake is van een slagend beroep op doorbrekingsgronden. Beide cassatieberoepen dienen dan, hoewel ontvankelijk, vervolgens om die reden te worden verworpen. Voor het halen van de hoge drempel van misbruik van procesrecht (in cassatie) is in mijn ogen onvoldoende aangevoerd door Google. Uit de inhoudelijke bespreking ten overvloede van de cassatiemiddelen komt naar voren dat alleen de klacht in het onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Google over de kostenveroordeling in het arrest van het Haagse hof van 31 mei 2022 zou slagen. Tot cassatie kan dit in mijn ogen om de aangegeven redenen niet leiden.
2.Feiten en procesverloop
3.Juridisch kader
Tussentijds hoger beroep of cassatie
absoluteonbevoegdheid verwerpt en die waarin dat juist wordt gehonoreerd. Een vonnis waarin de rechter zich
bevoegdverklaart, kan worden aangemerkt als een tussenvonnis. Op grond van art. 337 lid 2 Rv Pro is tussentijds hoger beroep daarvan uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Indien tussentijds hoger beroep wordt ingesteld van dat vonnis en de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, is het desbetreffende arrest aan te merken als een tussenarrest. Van dat arrest is ingevolge art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald [21] . Daartegenover staat een vonnis waarin de rechter zich
onbevoegdverklaart. De reden van onbevoegdheid kan zijn dat een rechter van een ander land internationaal bevoegd is of de overheidsrechter onbevoegd is vanwege een arbitraal beding en de rechtbank zich ingevolge art. 1022 lid 1 Rv Pro onbevoegd verklaart. Met een onbevoegdverklaring wordt een einde gemaakt aan de instantie en aan de tussen partijen aanhangige procedure voor de Nederlandse overheidsrechter. Deze uitspraak wordt aangemerkt als een eindvonnis of eindarrest en daartegen staat (cassatie)beroep open.
relatievebevoegdheid van de rechter vergt een andere benadering. De relatief bevoegde rechter is de rechter die geografisch gezien bevoegd is om kennis te nemen van een zaak. Ingevolge art. 110 lid 3 Rv Pro is zowel tegen een vonnis waarbij het beroep op relatieve onbevoegdheid is
verworpen, als tegen een vonnis waarin het beroep is
gehonoreerdmet verwijzing van de zaak naar de wel relatief bevoegde rechter, geen hogere voorziening toegelaten [22] . De reden hiervoor is dat geschillen rond relatieve bevoegdheid bij voorkeur op korte termijn beslecht moeten worden en niet ook nog door moeten werken in hogere instantie. Vertraging van de procedure moet worden voorkomen [23] . Verder geldt dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, ook aan die verwijzing is gebonden. Het is niet de bedoeling dat na verwijzing een nieuwe discussie ontstaat over de vraag of de rechter naar wie is verwezen wel relatief bevoegd is. Er is sprake van een tussenvonnis [24] .
4.Ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling in cassatie
nietgetroffen door de werking van art. 110 lid 3 Rv Pro. Is het wijzen op de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking een losstaand oordeel, of hangt dat zodanig samen met het bevoegdheidsoordeel, dat het daarmee één geheel vormt?
alleen ter verduidelijkingof als geheugensteuntje gewezen op de omstandigheid dat ‘de stand waarin deze zich bevindt’ in de zin van art. 74 lid 3 Rv Pro [29] hier concreet betekent: met inbegrip van de al eerder bij VRO-beschikking genomen processuele beslissingen, behoudens de pleitdatum. Daar is in het Onbevoegdheidsvonnis ook inhoudelijk
niets nadersover beslist. Art. 74 lid 3 Rv Pro geldt voor alle procedures waarin een rechter heeft moeten verwijzen naar een andere rechter [30] en is grotendeels gebaseerd op art. 157a lid 1 Rv (oud). De ratio is het voorkomen dat partijen na verwijzing weer opnieuw zouden moeten beginnen met de procedure en opnieuw processtukken zouden moeten indienen. De rechter oordeelt (mede) op grond van de stukken die voor de onbevoegde rechter zijn gewisseld. Proceshandelingen die al zijn verricht bij de verwijzende rechter, zijn ook geldig bij de rechter naar wie wordt verwezen. Deze rechter mag niet terugkomen op hetgeen tevoren in de procedure is voorgevallen [31] , voor zover de verwijzende rechter daar ook niet op zou hebben mogen terugkomen [32] . Zonder verwijzing zou de Haagse rechter hier zelf als hoofdregel ook gebonden zijn geweest aan de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking. Het VRO-procesreglement geeft (bij wijze van uitzondering) tussentijds wel de mogelijkheid om de zaak om verschillende redenen uit het VRO-regime te verwijderen. Op dezelfde voet was de rechter naar wie verwezen is hier in beginsel gebonden aan hetgeen al uit de VRO-beschikking volgde, maar zou het rechtbank Midden-Nederland net als de Haagse rechtbank vrij hebben gestaan om tussentijds bij wijze van uitzondering de zaak uit het VRO-regime te verwijderen. Dat heeft rechtbank Midden-Nederland evenwel niet gedaan; integendeel: bij rolbeslissing van 7 april 2021 heeft zij (zelfstandig) aangegeven dat de door de rechtbank Den Haag genomen processuele beslissingen na verwijzing werden gehandhaafd.
nietals een aparte beslissing is te begrijpen, maar samenhangt met het bevoegdheidsoordeel, zodat het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv Pro daarop in beginsel onverkort van toepassing was. Sonos heeft echter aangevoerd dat er redenen zijn om dit rechtsmiddelenverbod te doorbreken [33] . Dat betekent dat Sonos’ appel ontvankelijk was [34] en het hof heeft hier kennelijk (impliciet) Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden gehonoreerd door inhoudelijk op het in appel gevorderde (althans op de incidenten) in te gaan, hoewel daarbij niet (expliciet) het partijdebat over het al dan niet terechte beroep op doorbrekingsgronden is besproken. De incidenten zijn inhoudelijk beoordeeld en afgewezen en de hoofdzaak van het tussentijds appel is bij arrest van 31 mei 2022 op een
andere grondniet-ontvankelijk verklaard (geen belang), dan aangevoerd door Google (appelverbod en geen geldig beroep op doorbrekingsgronden).
welals een aparte beslissing worden gezien. Ik denk niet dat dat zo is, maar bespreek wat dat voor consequenties zou hebben.
materieelsprake is van een tussenvonnis of tussenarrest. Daartegen kan namelijk (uiteindelijk) ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro resp. art. 401a lid 2 Rv wel een rechtsmiddel worden aangewend, zij het alleen tegelijkertijd met het eindvonnis of eindarrest, tenzij de rechter anders heeft bepaald (zoals hiervoor besproken in 3.1 en 3.2) .
nietin te grijpen in de rechten van partijen in vorenbedoelde zin. Rechtbank Midden-Nederland stond vrij om daarvan af te wijken, maar heeft dat expliciet niet gedaan; verdedigbaar is dat zij dat laatste zelfstandig heeft beslist [47] .
als tenuitvoerlegging van het Onbevoegdheidsvonnis [48] , zoals Sonos stelt [49] . De rechtbank heeft het in rov. 2.1 van de rolbeslissing van 7 april 2021 weliswaar over ‘tenuitvoerlegging’, maar alleen om uiteen te zetten wat onder ‘tenuitvoerlegging’ in de zin van art. 350 lid 2 Rv Pro moet worden verstaan, om vervolgens tot het oordeel te komen dat ingevolge deze bepaling de procedure ondanks het hoger beroep van Sonos kan worden voortgezet [50] .
niet– dat is de derde lijn – als een
einduitspraakworden gezien waartegen direct hoger beroep open stond [52] . In onze zaak vordert Google in de hoofdzaak immers een octrooi-inbreukverbod c.a. Anders dan Sonos meent in onderdeel II (c), moet het Onbevoegdheidsvonnis als een tussenvonnis worden aangemerkt [53] . In het Onbevoegdheidsvonnis wordt namelijk op geen enkele wijze een definitieve beslissing gegeven over het octrooi-inbreukverbod c.a. Dat, zoals Sonos betoogt [54] , een einde wordt gemaakt aan de ‘instantie’ in die zin dat de procedure bij de Haagse rechtbank hiermee eindigt, is niet het punt hier; die procedure wordt immers voortgezet bij de wél relatief bevoegde rechter van Midden-Nederland, zodat van het einde maken aan de instantie (de eerste aanleg) geen sprake is [55] .
geen belangmeer bij zou bestaan, nu het voortprocederen conform het VRO-regime bij de Rechtbank Midden-Nederland voor Sonos geen nadelige gevolgen heeft gehad gelet op de uitkomst van die procedure, te weten: afwijzing van de vorderingen van Google gebaseerd op octrooi-inbreuk c.a. Impliciet volgt daar uit dat het hof Sonos kennelijk
nietniet-ontvankelijk heeft geacht op grond van art. 337 lid 2 Rv Pro. Dat is alleen te verklaren doordat het hof kennelijk van oordeel was dat het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv Pro dat in beginsel aan het hoger beroep in de weg stond, vanwege Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden toch tot ontvankelijkheid van het appel leidde – onder het passeren van de tegen die doorbrekingsgronden opgeworpen bezwaren van de kant van Google.
Giskus/BMGis een dergelijk incidenteel appel ook ontvankelijk, indien de appelrechter een of meer in het principaal appel gestelde doorbrekingsgronden aanwezig acht en overgaat tot behandeling van de zaak zelf, zoals is gebeurd in onze zaak. Dan bestaat geen aansprekende reden meer om ook voor het incidentele beroep doorbrekingsgronden te verlangen, omdat het rechtsmiddelenverbond dan al in het principaal appel is doorbroken. Dit laatste is weer anders wanneer de appelrechter de in het principaal appel opgeworpen doorbrekingsgronden niet aanwezig acht, het beroep verwerpt en dus niet toekomt aan de behandeling van de zaak zelf. In die situatie dient de appelrechter, hoewel het principaal appel ontvankelijk is, een incidenteel beroep dat zonder aanvoering van doorbrekingsgronden is ingesteld, niet-ontvankelijk te verklaren – omdat anders de incidenteel appellant in een gunstiger positie zou komen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder het principale appel. De Hoge Raad voegt hier aan toe dat het voorgaande van overeenkomstige toepassing is op het cassatieberoep [57] .
verworpen. De hierna volgende inhoudelijke bespreking is in mijn ogen dan ook ten overvloede, voor het geval dit anders gezien zou moeten worden.
Giskus/BMGleert anders: indien Sonos ontvankelijk is, lift Google mee en is haar incidenteel beroep ook ontvankelijk, omdat het rechtsmiddelenverbod al is doorbroken, tenzij Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden inhoudelijk faalt – i en in 4.20 hebben we gezien dat daarvan sprake is – en Google niet zelf ook doorbrekingsgronden heeft gesteld. Dat laatste heeft Google wel gedaan, omdat Google in punt 28 van haar verweerschrift stelt (i) dat in cassatie moet kunnen worden geklaagd over het in hoger beroep ten onrechte niet toepassen van art. 337 lid 2 Rv Pro (appelverbod, zie hiervoor in 3.1) en dat is als een beroep op een doorbrekingsgrond aan te merken (uitwerking in het volgende randnummer). Ook stelt zij (ii) dat de beslissing van het hof over de proceskosten een einduitspraak is waartegen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld. Over beide punten het navolgende.
verworpen. In dat geval kan de beoordeling van dat beroep ook beperkt blijven tot de beoordeling van de (voor)vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond en is de hiernavolgende inhoudelijke bespreking van het incidentele cassatieberoep ten overvloede.
nietkan worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door in appel te gaan. Er is dan volgens het hof geen plaats voor een volledige proceskostenveroordeling; sterker nog: het hof compenseert de proceskosten op die grond.
Duka/Achmea [68] volgt dat daarvan pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. De vordering tot volledige proceskostenveroordeling is een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad die aan de exclusieve en limitatieve regeling van art. 237-240 Rv is onttrokken [69] . Dat is een hoge drempel.
einddeelvan een tussenuitspraak kan worden aangemerkt (waarvan direct tussentijds in cassatie kan worden gekomen). In het algemeen geldt namelijk dat een ‘gewone’ proceskostenveroordeling in het dictum op zichzelf geen grond vormt om van een gedeeltelijk eindvonnis te spreken. Een einduitspraak is immers, zoals hiervoor in 3.6-3.7 besproken, een uitspraak waarbij in het dictum een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde. Met het gevorderde wordt de rechtsvordering bedoeld die de inzet is van het geding, waarbij het moet gaan om het materiële recht waarvan in de procedure nakoming wordt gevorderd [70] en daaronder valt niet een accessoire proceskostenvordering. Volgens vaste rechtspraak vormt het enkele gegeven dat een proceskostenveroordeling in het dictum voorkomt, immers geen grond om van een gedeeltelijk eindvonnis te spreken [71] . Het betreft een sequeel en niet een zelfstandig onderdeel van het gevorderde. Volgens de hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv Pro, welke regel volgens art. 353 lid 1 Rv Pro ook in hoger beroep geldt, wordt immers de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld in de kosten van de procedure. Het tweede lid van art. 237 Rv Pro bepaalt dat bij een tussenvonnis de beslissing over de kosten tot het eindvonnis kan worden aangehouden. Hieruit volgt tegelijkertijd dat het óók mogelijk is om bij tussenvonnis wél een proceskostenveroordeling uit te spreken. Van deze mogelijkheid wordt doorgaans gebruik gemaakt als een incidentele vordering wordt afgewezen, waarbij de eiser in het incident wordt veroordeeld in de kosten [72] . Het karakter van een tussenuitspraak wordt daarmee niet gewijzigd.
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdelen I en IIgaan uit van verschillende lezingen van het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van Sonos’ hoger beroep,
onderdeel IIIgaat over schorsende werking en
onderdeel IVover belang bij het appel.
Subonderdeel I(a)klaagt dat het hof dan heeft miskend dat het verweer van gebrek aan belang een verweer ten principale is. Honorering daarvan leidt volgens Sonos niet tot niet-ontvankelijkheid [75] . Nu het hof verder geen gronden heeft genoemd en die er ook niet zijn om Sonos niet-ontvankelijk te verklaren, was haar appel dus ontvankelijk, met de in onderdeel III beschreven gevolgen.
Eurofactor/[…], net aangehaald, teruggekomen van zijn eerdere rechtspraak waarin in bepaalde gevallen een geslaagd beroep op ontbreken van belang tot niet-ontvankelijkheid leidde. Sindsdien leidt zo’n verweer tot verwerping. Voor niet-ontvankelijkheid is alleen nog plaats in gevallen waarin op processuele gronden aan de behandeling van de zaak ten principale niet wordt toegekomen. De klacht is dus in beginsel terecht voorgesteld. Er bestaat alleen geen belang bij deze klacht, omdat cassatie hier alleen tot een voor Sonos even nadelige beslissing zou leiden, te weten verwerping. Niet valt in te zien dat verwerping in plaats van niet-ontvankelijkheid hier een voor Sonos gunstigere uitkomst zou zijn [77] .
onder been rechts-, althans motiveringsklacht tegen het arrest in de incidenten. Het hof miskent in rov. 6 volgens subonderdeel III(b) dat de incidentele vorderingen van Sonos beide onmiskenbaar erop waren gericht de tenuitvoerlegging van de in hoger beroep bestreden beslissingen te staken, in het bijzonder dat het VRO-regime niet van toepassing zou zijn in de procedure voor de rechtbank Midden-Nederland. Miskend is dat art. 223 Rv Pro grondslag kan vormen voor een dergelijke vordering. Zou dat anders zijn, dan zou een procespartij – ook al is de werking van de bestreden uitspraak van rechtswege als gevolg van het appel geschorst – onverminderd kunnen doorgaan met de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak, zoals in dit geval ook daadwerkelijk is gebeurd. De wederpartij moet een rechtsgang hebben om daartegen op te komen, althans in de omstandigheden als in deze zaak aan de orde. Een incident in een appelprocedure is daartoe het meest geëigend, nu het hof het best in staat is om te bepalen of de tenuitvoerlegging als gevolg van het bij dat hof ingestelde appel is geschorst.
Onder aformuleert Sonos de inleidende klacht dat dit oordeel onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Onder bwerkt zij dit verder uit met de rechtsklacht dat het hof ten eerste met zijn oordeel de schorsende werking van het appel miskent, zoals bij onderdeel III beschreven, hetgeen tot gevolg heeft dat de na het instellen van het appel verrichte rechtshandelingen nietig zijn en het Onbevoegdheidsvonnis vernietigbaar is. Anders gezegd: het is dus wel mogelijk dat de procedure in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland dat daarvan het resultaat was ‘over’ moeten. Gelet op die omstandigheid heeft Sonos er belang bij dat in rechte komt vast te staan dat in dat geval niet opnieuw conform het VRO-regime behoeft te worden geprocedeerd. Dit zou mogelijk anders zijn geweest als Google zich bij het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland had neergelegd, maar dat heeft zij niet gedaan. Daar komt bij dat het oordeel dat procederen op basis van het VRO-regime niet tot nadelige gevolgen heeft geleid, ontoereikend is gemotiveerd. Zoals Sonos heeft aangevoerd, lijdt zij immers schade doordat zij zich in twee afzonderlijke instanties moet verweren tegen de wat zij noemt ‘frivole’ vorderingen van Google. Zij kan die schade niet volledig op Google verhalen, aldus Sonos. Daar komt ook nog bij dat de Hoge Raad in een aantal situaties uitzonderingen heeft gemaakt op het terugverwijzingsverbod indien op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen [79] , waar de klacht een parallel op trekt.
6.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
dat dat beroep op doorbrekingsgronden niet terecht is, lees ik niet in de klacht; de klacht behelst alleen dat die essentiële stellingen
een beroep op appelverbodenbetreffen. De klacht mist daarom al doel. Ook ontbreekt belang bij deze klacht, omdat het hof Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het om andere redenen dan aangevoerd door Google [81] .
onderdeel IIIklaagt Google dat het hof in rov. 9-10 voorbij is gegaan aan haar essentiële stellingen over misbruik van procesrecht door Sonos, inhoudend dat Sonos haar procedurele bezwaren slechts aanvoerde om de zaak ten gronde te frustreren [83] , althans heeft het hof die stellingen onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Het onderdeel besluit ermee dat de klacht nader wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5 t/m 7 [84] , maar licht niet toe hoe dat dan zou gebeuren.
Duka/Achmea [86] , waaruit volgt dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is een nogal hoge drempel. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro.
smart speakerstechnologie, in welk type zaken dergelijke verwijten over en weer wel vaker worden gezien), is het oordeel van het hof bezien door een juist afgesteld misbruikvizier in het licht van dit aldus geschetste juridische kader niet onjuist of onbegrijpelijk te achten. Sonos heeft de relatieve bevoegdheid van de Haagse rechtbank met succes en op een moment dat dat nog procedureel kon betwist, terwijl het vervolgens doorkruisen van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen op zichzelf nog niet op misbruik van procesrecht wijst, nu zij zich daarbij (al dan niet terecht) op doorbrekingsgronden heeft beroepen. Googles positie dat Sonos alleen een bevoegdheidsincident zou hebben opgeworpen om ten onrechte onder het VRO-regime uit te komen en dus met een ander doel dan waarvoor zo’n incident dient [87] , behoefde, zo al juist, niet tot een ander oordeel te leiden. Dit is geen zodanig laakbaar oogmerk dat sprake is van misbruik van bevoegdheid in de hiervoor uiteengezette zin, maar eerder het gebruik maken van procedurele mogelijkheden die het Nederlandse (octrooi)procesrecht biedt. Ongeoorloofde doelen zijn met name het
loutertoebrengen van schade en het
loutervertragen van de procedure [88] . Dat het voorstelbaar zou kunnen zijn dat Sonos ook belang kan hebben bij vertraging van de procedure ten gronde [89] , maakt het oordeel van het hof dat hier geen sprake is van misbruik van procesrecht niet onjuist of onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat voornoemde hoge drempel hier niet is gehaald en dat lijkt mij goed te volgen. De klacht ketst hierop af.
onderdeel IVklaagt Google dat in rov. 10 is miskend dat er ex art. 237 lid 1 Rv Pro geen ruimte is om de proceskosten te compenseren in een geval waarin de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, aangezien er dan geen sprake van is dat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld. Het hof had Sonos daarom hoe dan ook in de proceskosten moeten veroordelen.
voorwaardelijkincidenteel appel aan het hof had voorgelegd. De voorwaarde was dat het hof Sonos ontvankelijk zou achten [92] . Nu het hof Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard, was de voorwaarde waaronder Google incidenteel appel had ingesteld niet vervuld. Google geeft zelf in onderdeel V aan dat haar incidenteel appel voorwaardelijk was ingesteld vanuit de gedachte dat indien het hof Sonos niet-ontvankelijk zou achten er ook geen belang was bij een hofoordeel over de relatieve bevoegdheid. De klacht stelt dat hoewel de voorwaarde strikt genomen niet was vervuld, nu Sonos wél niet-ontvankelijk is verklaard, het hof toch de stellingen over de bevoegdheid van de Haagse rechtbank hier van Google niet zou hebben mogen passeren, omdat het hof wel tot een beoordeling van de merites van Sonos’ appel is overgegaan. Ik zie niet in waarom dat zou opgaan, nu het hof immers uiteindelijk Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dan is goed te volgen dat het hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde waaronder Google haar incidenteel appel had ingesteld niet was vervuld. Hier ketst Onderdeel V op af [93] .
7.Proceskosten in cassatie
principaal cassatieberoepvan Sonos wordt verworpen, dient Sonos te worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal beroep en wel volgens het
liquidatietarief. Ik kom daartoe als volgt.
betwistGoogle vervolgens bij dupliek principaal/repliek incidenteel onder 30 dat zij aanspraak heeft gemaakt op een proceskostenveroordeling volgens art. 1019h Rv en betoogt zij zelfs dat dat artikel niet van toepassing is [102] . Sonos gaat wel uit van de toepasselijkheid van deze bepaling [103] . Gelet op
Becton/Braun [104] vindt art. 1019h Rv in beginsel toepassing in deze octrooi-inbreukzaak, ook voor zover het de in deze zaak centraal staande puur procedurele schermutselingen betreft [105] . Uit
Endstra papers [106] volgt dat een kostenveroordeling volgens art. 1019h Rv slechts
desgevorderdwordt uitgesproken en uit Googles nadere uiteindelijke opstelling maak ik op dat zij niet langer aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling volgens art. 1019h Rv, zodat niet van
desgevorderd(meer) kan worden gesproken. De proceskostenveroordeling in het principaal cassatieberoep ten laste van Sonos zal mitsdien kunnen worden begroot conform het liquidatietarief op de gebruikelijke wijze.
incidenteel cassatieberoepGoogle de in het ongelijk gestelde partij en aangezien Sonos wel aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling conform art. 1019h Rv, zal deze kunnen worden begroot conform dat artikel op de gebruikelijke wijze.