Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
doorziekenhuizen
inziekenhuizen verrichte zorg geldt – dat een (para)medicus die niet als ‘ziekenhuis of instelling van dezelfde aard’ kan worden aangemerkt, ook voor zijn in een ziekenhuis verrichte medische zorg, aanspraak kan maken op toepassing van de vrijstelling voor medische verzorging. De gesuggereerde uitleg zou leiden tot strijd met de door het HvJ geformuleerde ratio legis en is contrair aan doel en strekking van de omzetbelasting. Ik kom tot de conclusie dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn oordeel dat de artsenvrijstelling geen toepassing kan vinden bij prestaties die in een ziekenhuis plaatsvinden.
belanghebbendedie medische zorg verleent. In dit verband is de rechtsvorm niet van belang; getoetst moet worden of de maten als zelfstandig verpleegkundige een beroep hadden kunnen doen op een van deze vrijstellingen. Ik meen, met het oog op de ratio van de vrijstelling, dat bepalend is of de desbetreffende verpleegkundige BIG-geregistreerd is en of de verrichte werkzaamheden tot het gamma van ‘medische werkzaamheden’ behoren. Ook omstandigheden als het (binnen de gestelde kaders) zelfstandig mogen nemen van beslissingen spelen daarbij een rol. ’s Hofs oordeel dat geen sprake is van medische verzorging berust mijns inziens hetzij op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
5.Enkele aannames vooraf
6.Ondernemerschap (eerste klacht)
in een duurzame samenwerking naar buiten optreden en zo een bedrijf of beroep uitoefenen zodat sprake is van een combinatie met feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid, wordt die combinatie, en niet elk van de deelnemende personen, aangemerkt als de ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet (HR 9 september 1992, nr. 27399, BNB 1992/366). Uit het arrest van het Hof van Justitie (…) van 27 januari 2000, Heerma, nr. C-23/98, Jurispr. 2000, blz. I-0419, volgt dat een dergelijke combinatie ook in de zin van de Zesde richtlijn geldt als belastingplichtige. (…)”
7.Kwalificatie van de prestatie: medische verzorging (tweede klacht)
Omzetbelasting, FED, Amsterdam, 1962 leert dat de vrijstelling voor artsen en verpleegsters destijds:
medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of, (…)
door ziekenhuizen, centra voor medische verzorging en diagnose en andere naar behoren erkende inrichtingen van dezelfde aard;”. [31]
medische verzorgingin het kader van
de uitoefening van medische en paramedische beroepenals omschreven door de betrokken lidstaat.”
ten doel heeft ervoor te zorgen dat medische verzorging en ziekenhuisverpleging niet ontoegankelijk worden vanwege de verhoogde kosten indien zij, of de handelingen die daarmee nauw samenhangen, aan BTW zou worden onderworpen.” [34]
in ziekenhuizenverrichte diensten, terwijl datzelfde lid 1, sub c, betrekking heeft op medische diensten die
buiten een dergelijk kader worden verricht, zowel op het particuliere adres van de dienstverrichter thuis bij de patiënt of op elke andere plaats(…).”
soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld (…). Dit beginsel zou niet in acht worden genomen wanneer voor door huisartsen voorgeschreven medische analyses een BTW-regeling zou gelden die verschilt al naar gelang de plaats waar zij worden uitgevoerd, (…).
verzettenzowel het in artikel 13, A, lid 1, sub b en c, van de Zesde richtlijn beoogde doel, de kosten van de gezondheidszorg te verminderen, als het beginsel van de fiscale neutraliteit
zich ertegen dat medische analyses worden onderworpen aan een BTW-regeling die verschilt al naar gelang de plaats waar zij worden uitgevoerd, wanneer hun kwaliteit gelet op de opleiding van de betrokken dienstverleners gelijkwaardig is.”
Omdat medische analyses gelet op hun therapeutische doel vallen onder het begrip„
medische verzorging”
van artikel 13, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn, moet een laboratorium (…) worden beschouwd als een inrichting„
van dezelfde aard”
als„
ziekenhuizen” en „centra voor medische verzorging en diagnose” in de zin van deze bepaling.” [40]
belanghebbende(de maatschap) kan worden geacht die medische verzorging te verlenen.
bedoelde vrijstelling niet afhangt van de rechtsvorm van de belastingplichtige die de aldaar genoemde medische of paramedische diensten verricht.”
instellingendie onderwijs verzorgen (artikel 132, lid 1, onder i, van de btw-richtlijn [46] ) als voor
docentendie particulier lessen geven (artikel 132, lid 1, onder j, van de btw-richtlijn [47] ). Bovendien kent het HvJ aan de onderwijsvrijstelling – althans die van artikel 132, lid 1, onder i, van de btw-richtlijn – een vergelijkbare ratio toe als aan de medische vrijstelling: het betaalbaar houden van de dienstverlening. Ik wijs op punt 47 van het arrest van 20 juni 2002, Commissie/Duitsland, C-287/00 waarin het HvJ omtrent de uitlegging van het begrip ‘nauw met onderwijs samenhangende diensten’ zegt:
aangezien deze rechtspraak betrekking heeft op de uitlegging van andere vrijstellingen, waarvan zowel de bewoordingen als de doeleinden verschillen van die van voornoemde bepaling(zie in die zin arrest van 11 juli 1985, Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 13).”
8.Nauw samenhangend met medische verzorging (derde klacht)
door ziekenhuizen […] en instellingen van dezelfde aard, onder de vrijstelling kunnen worden gebracht. Ik meen dat belanghebbende niet als een zodanige instelling valt aan te merken. Weliswaar volgt uit de jurisprudentie van het HvJ (zie het eerder aangehaalde punt 35 uit het arrest L.u.P.) dat een instelling vanwege haar therapeutische doelstelling kennelijk al als instelling van dezelfde aard als een ziekenhuis kan worden aangemerkt, maar een dergelijke ‘kort-door-de-bocht’ aanname lijkt mij niet mogelijk als het doel van de organisatie juist niet als therapeutisch kan worden aangemerkt (maar hooguit als daarmee samenhangend).