ECLI:NL:PHR:2024:1285

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
23/00958
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 7 lid 1 WVW 1994Art. 287 SrArt. 27 lid 1 SrArt. 175 lid 2 onder a WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens doodslag en verlaten plaats ongeval na dodelijk verkeersongeval

Op 9 december 2017 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval in een bebouwde kom waarbij hij met een snelheid van circa 98 km/u een voorrangsweg naderde en een andere auto raakte, waardoor het slachtoffer in een sloot terechtkwam en later overleed. Verdachte verliet de plaats van het ongeval zonder hulp te bieden of de hulpdiensten in te schakelen.

Het hof oordeelde dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994 door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, maar sprak hem vrij van roekeloosheid en rijden onder invloed. Verdachte had kennis van de aanrijding en heeft bewust nagelaten hulp te bieden, wat voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer inhoudt. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat er letsel was toegebracht.

In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder motiveringsklachten en een beroep op overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp de inhoudelijke middelen maar achtte de overschrijding van de inzendtermijn gegrond, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De overige klachten faalden. De strafrechtelijke aansprakelijkheid werd uitgebreid besproken, met aandacht voor de bijzondere zorgplicht en het onderscheid tussen schuld en opzet in verkeersdelicten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor doodslag en verlaten plaats ongeval, met vermindering van de straf wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00958
Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 3 maart 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens 1. " overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood", 2 primair. "doodslag" en 3. "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot 4 jaren en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr alsmede een rijontzegging voor de duur van 5 jaren. Het hof heeft daarnaast de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partije [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde 3] niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring ‘s hofs bewijsoverweging en de voor de bespreking van het eerste middel relevante bewijsmiddelen weer.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 09 december 2017 te [plaats] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de [a-straat] en de [b-straat] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij zeer, onvoorzichtig en onoplettend, met dat motorrijtuig
- terwijI de weg bedekt was met een dunne laag natte sneeuw met een snelheid van ongeveer 98 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en gelet op de wegomstandigheden niet veilige snelheid rijdende op de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] is genaderd en
- bij de nadering van die kruising waar met borden en haaientanden was aangegeven dat hij voorrang moest verlenen aan het kruisende verkeer, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en
- de vlak voor die kruising een in de [a-straat] gelegen buiging naar rechts niet heeft gevolgd maar rechtdoor over een verhoogde middengeleider gelegen in de [a-straat] is gereden en
- vervolgens in een hoek van ongeveer 45 graden de vier rijstroken van de zuidelijk rijbaan van de [b-straat] en groenstrook tussen de zuidelijke en noordelijke rijbaan van aan van de [b-straat] is overgestoken en
- tegen een andere op de noordelijke rijbaan van de [b-straat] rijdende auto, Renault Clio (welke hij voorrang had moeten verlenen) is gebotst, waardoor die Renaul Clio in een parallel aan die [b-straat] gelegen sloot is terechtgekomen,
waardoor een andere (genaamd [slachtoffer] , zijnde een inzittende van die Renault Clio) werd gedood,
terwijl
het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate is overschreden.
2. primair
hij op 09 december 2017 te [plaats] , opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte zat en door die aanrijding met haar auto (op de zijkant met de bestuurderszijde aan de onderzijde) in een sloot, terecht was gekomen,
en terwijl hij wist dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet heeft gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en
zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was,
- opzettelijk heeft nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en
- nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk heeft nagelaten om deze omstanders in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding
- opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders heeft gezegd dat hij geen politie wilde en
- opzettelijk heeft nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op 20 december 2017) is overleden.
3.
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
3.1 Het hof heeft in het bestreden arrest inzake het bewijs onder meer het volgende overwogen (met weglating van een verwijzing):

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor alle aan hem ten laste
gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft hij gevorderd verdachte - net als in eerste aanleg
- vrij te spreken van roekeloos rijgedrag en de strafverzwarende omstandigheid dat
verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde onder invloed van alcohol en/of drugs.
Daarnaast heeft hij ten aanzien van dit feit aangevoerd dat feitelijk kan worden vastgesteld
dat verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, maar dat dit sinds 1
januari 2020 niet meer te gelden heeft als strafverzwarende omstandigheid.
Ten aanzien van feit 2 primair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte wist dat
hij een aanrijding met een andere auto had gehad en zich realiseerde dat de persoon in de
andere auto hulp nodig had. Uit artikel 7 Wegenverkeerswet Pro 1994 volgt dat verdachte een
zorgplicht had. Verdachte heeft echter geen enkele actie ondernomen en is weggegaan.
Verdachte heeft met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het
slachtoffer. Er is sprake van een causaal verband tussen het niet inschakelen van hulp door
verdachte en het overlijden van het slachtoffer.
Verdachte heeft erkend dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, dus feit 3 kan ook
bewezenverklaard worden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde doodslag. Voorts heeft zij aangevoerd dat de rechtbank juist heeft beslist ten aanzien van de deelvrijspraken ter zake van feit 1. Voor wat betreft feit 3 heeft zij geen verweer gevoerd.
Verdachte wist niet dat hij een andere auto had geraakt. De eerste verklaringen die hij hierover heeft afgelegd - inhoudende dat hij de auto wel heeft gezien - kloppen niet en stroken ook niet met de objectieve bevindingen. Verdachte kan zich niet herinneren wat er precies gebeurd is, maar hij weet zeker dat hij niet heeft geweten dat hij een andere auto heeft geraakt. Als hij dit wel had geweten dan had hij daarnaar gehandeld en zich bekommerd om het slachtoffer. Het beeld zoals te zien is (…) is niet het beeld wat verdachte heeft gezien; hij was gefocust op links. Hij zag wat te zien is op het door de verdediging overgelegde ‘filmpje links’. Het gevoel van meer botsingen impliceert niet dat verdachte wist dat hij een auto had geraakt voordat de auto tegen de boom aankwam. Het gebeurde allemaal heel snel en onder niet ideale omstandigheden. Het was donker en er was veel paniek in de auto. Ook de passagiers die bij Verdachte in de auto zaten hebben niet in de gaten gehad dat er een aanrijding met een andere auto had plaatsgevonden.
Verdachte heeft ook niet gezien dat er een auto in de sloot lag. Gelet op de omstandigheid dat ook getuigen en politie dit niet hebben opgemerkt was de auto ook niet goed zichtbaar.
Het verlaten van de plaats van het ongeval door verdachte is niet van enige invloed geweest op het gevolg. De hulpdiensten waren al onderweg toen hij wegging. Dat verdachte niet zelf 112 heeft gebeld heeft geen enkele bijdrage gehad aan de duur van het te water blijven van het slachtoffer. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte zeer waarschijnlijk zou zijn tegengehouden als hij zelf in het water had willen, springen. Daarenboven kan niet vastgesteld worden of het eerder ter plaatse zijn van de politie of brandweer enig verschil had gemaakt.
Oordeel hof
Het hof acht de tenlastegelegde feiten bewezen. Wat de motivering betreft sluit het hof zich grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen worden hieronder
cursiefweergegeven. De aanvullende overwegingen van het hof worden niet cursief weergegeven.
Verdachte reed in de vroege ochtend van 9 december 2017 als bestuurder van de Audi met een snelheid van bijna 100 kilometer per uur op de [a-straat] richting de kruising met de [b-straat] , een voorrangsweg in de bebouwde kom van [plaats] . De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Het was op dat moment nog donker en op het wegdek lag natte sneeuw. De [a-straat] buigt vlak voor het kruispunt met de [b-straat] - alwaar voorrang moet worden verleend af naar rechts. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse. Verdachte heeft die bocht niet gehaald en reed in een rechte, diagonale streep — over de middengeleider en een groenstrook— de [b-straat] over, waar hij met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de bestuurderszijde van de auto van [benadeelde 3] botste, die op dat moment van rechts kwam. [benadeelde 3] is als gevolg van deze botsing met haar auto in een naastgelegen sloot terechtgekomen. De auto van verdachte is — voor deze sloot — tegen een boom tot stilstand gekomen. [benadeelde 3] is op 20 december 2017 overleden aan de gevolgen van de aanrijding. Kort na de aanrijding heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Pas elf dagen later heeft hij zich bij de politie gemeld.
Feit 1
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro
Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet (WVW). Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste rechtspraak aan op het geheel van gedragingen, van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vastgesteld, in onderling verband bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW Pro.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of sprake was van roekeloosheid. Roekeloosheid is een juridisch begrip dat niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan. In artikel 175, tweede lid, onder a, WVW is bepaald dat een overtreding van artikel 6 WVW Pro dubbel zo zwaar zou kunnen worden bestraft als de schuld bestaat in roekeloosheid. Schuld in de zin van roekeloosheid is dus een zwaardere vorm van schuld. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat sprake is van roekeloosheid indien er zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Voorbeelden van zaken waarin bewezen is verklaard dat sprake was van roekeloosheid zijn zaken waarin sprake was van snelheidswedstrijden of kat- en muisspelen op de openbare weg. Alhoewel verdachte zeer gevaarlijk heeft gereden, voldoet zijn handelen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de hoge eisen die door de Hoge Raad zijn gesteld ten aanzien van het begrip roekeloosheid. De rechtbank is wel van oordeel dat het rijgedrag van verdachte moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Gebruik van alcohol en/of lachgas
Alhoewel het dossier indicaties bevat dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit onder invloed was van alcohol en/of lachgas, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. Zowel verdachte als de bijrijders verklaren wisselend over zijn gebruik. Het procesdossier bevat ook geen waarnemingen van verbalisanten over de staat waarin verdachte verkeerde na de aanrijding, nu hij de plaats van het ongeval vrijwel direct heeft verlaten. Ook objectief bewijs in de vorm van bloedonderzoek heeft niet kunnen plaatsvinden, gelet op het tijdsverloop tussen het verlaten van de plaats van het ongeval en het moment waarop verdachte zich (elf dagen later) bij de politie heeft gemeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in aanloop naar de aanrijding onder zodanige invloed was van alcohol of lachgas (of een andere stof) dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van dat gedeelte van de tenlastelegging.
Conclusie
Het hof neemt de hierboven weergegeven overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof de ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW Pro wettig en overtuigend bewezen. Het rijgedrag van verdachte wordt daarbij aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte wordt dus vrijgesproken van roekeloosheid en het rijden onder invloed van alcohol en/of lachgas.
Feit 2
Wetenschap bij de verdachte
Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoren bij de politie op 20 en 27 december 2017 en bij de rechter-commissaris op 22 december 2017 verklaard dat hij de auto van [benadeelde 3] - vlak voor het ongeval - wel had gezien en dat hij had geprobeerd om uit te wijken. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg echter ontkend dat hij wist van de aanrijding met een andere auto. Hij dacht dat hij enkel tegen een boom was aangereden. Pas een dag later zou hij via berichtgeving in het nieuws van de andere auto op de hoogte zijn geraakt.
In hoger beroep heeft verdachte opnieuw ontkend dat hij wist dat hij tegen een andere auto was aangereden en heeft hij aangevuld dat zijn blik gefocust was op links omdat hij een boom en paal wilde ontwijken. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan een deskundige een reconstructie laten maken. Dit ‘filmpje links’ is ter zitting bekeken. Het filmpje toont het beeld dat verdachte gehad zou hebben als hij ten tijde van het rijden op de kruising alleen naar links zou hebben gekeken.
Het hof hecht geloof aan de eerste verklaringen bij de politie maar acht de latere verklaringen van verdachte ongeloofwaardig, mede gelet op de objectieve gegevens over het ongeval in het dossier. Het hof is het met de rechtbank eens als die overweegt:
uit het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, in samenhang bezien met foto 23 in het proces-verbaal van reconstructie blijkt immers dat verdachte de auto van [benadeelde 3] met de voorkant van zijn auto, heeft geraakt ter hoogte van het bestuurdersportier en dat de gehele linkerkant van de auto van [benadeelde 3] - vlak voor de aanrijding - zichtbaar was door de voorruit van de auto van verdachte. Dit wordt naar het oordeel van het hof ook niet weerlegd door de resultaten van het door de verdediging overgelegde aanvullend onderzoek. Ook op het ‘filmpje links’ is de auto van het slachtoffer door de voorruit te zien, vlak voor de aanrijding. Het hof neemt daarbij net als de rechtbank mede in aanmerking dat de straatverlichting werkte ten tijde van het ongeval en uit niets ook niet uit verklaringen van verdachte zelf - is gebleken dat verdachte geen goed zicht zou hebben gehad.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte, ter onderbouwing van zijn ontkennende verklaring, meermaals gezegd dat de politieagenten tijdens het verhoor tegen hem gezegd hebben dat hij de auto niet kon hebben gezien. Het hof kan uit de processen-verbaal van verhoor echter niet afleiden dat de verbalisanten hebben gezegd dat verdachte de auto helemaal niet heeft kunnen zien. In ieder geval moet verdachte naar het oordeel van het hof de auto hebben waargenomen.
De rechtbank overweegt verder: dat verdachte ook niet zou hebben gevoeld dat er een botsing met een andere auto heeft plaatsgevonden, laat zich eveneens moeilijk rijmen met de objectieve gegevens uit het dossier. Daaruit blijkt namelijk dat de auto waarin verdachte reed met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de auto van [benadeelde 3] is gebotst. Het met een dergelijke hoge snelheid frontaal in de flank van een andere auto botsen moet een enorme klap hebben gegeven en verdachte moet die klap hebben gevoeld. Dat verdachte in de veronderstelling was dat hij slechts(en niet méér dan)
een boom had geraakt, is om voornoemde redenen ongeloofwaardig.
Verdachte heeft verklaard dat hij geenszins onder invloed is geweest van middelen die zijn bewustzijn en waarneming kunnen hebben verminderd. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte tijdens of direct na het ongeval buiten bewustzijn is geweest. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in staat was om bijna direct na het ongeval uit de auto te stappen, een vriend van hem uit de auto te bevrijden en tegen een omstander te zeggen dat hij niet wilde dat de politie zou komen. Vervolgens was hij ook nog in staat om rustig weg te lopen, onderwijl bellend met een vriend om te vragen of hij ergens kon worden opgehaald. Verdachte heeft niemand verteld over de aanrijding met een andere auto.
De overwegingen van de rechtbank neemt het hof over. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, moet verdachte hebben geweten dat hij een aanrijding had veroorzaakt met een andere auto en dat hij die auto met hoge snelheid frontaal in de zijkant heeft geraakt.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk uit was op de dood van [benadeelde 3] . Er is daarom geen sprake van vol opzet. De vraag is dan ook of sprake was van voorwaardelijk opzet.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof betrekt bij de beoordeling dat uit artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet Pro een specifieke zorgplicht volgt voor de veroorzaker van een verkeersongeval. Het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten indien daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Dit ter bescherming van het belang van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers.
Verdachte is met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing gekomen met de bestuurderszijde van de auto van [benadeelde 3] . Zoals eerder overwogen, heeft verdachte dit gezien. Bij een dergelijke botsing bestaat, de aanmerkelijke kans dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken. Op de veroorzaker van de botsing rust de plicht te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Dit omvat de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd. Verdachte was naar het oordeel van het hof zeer wel in staat de situatie te overzien. Verdachte was bij kennis, heeft zijn vrienden geholpen met uit de auto komen, waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte. Verdachte was daarmee in staat om na te denken en om zich heen te kijken. Dat hij in shock of in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke. Vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond. Direct achter de eindpositie van de Audi bevond zich de sloot waarin de auto van [benadeelde 3] als gevolg van de botsing terecht was gekomen. Uit niets - ook niet uit verklaringen van verdachte zelf - is gebleken dat hij op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij ook niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval terwijl hij daar alle gelegenheid toe had. Verdachte heeft de hulpdiensten niet gebeld en heeft zelfs op een intimiderende wijze tegen een omstander gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden.
Causaal verband
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of de dood van [benadeelde 3] verdachte redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Het hof overweegt met de rechtbank het volgende.
Het NFI heeft geconcludeerd dat [benadeelde 3] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat omstanders en politiemedewerkers die na het ongeval ter plaatse kwamen, er van uitgingen dat sprake was van een eenzijdig ongeval. Als verdachte direct had gemeld dat er nog een andere auto bij het ongeval was betrokken of als hijzelf goed om zich heen had gekeken, was de auto van [benadeelde 3] eerder gevonden en had eerder hulp kunnen worden verleend. Bovendien was de brandweer - vanwege het feit dat de melding dan een andere prioriteit had gekregen - 8 tot 9 minuten eerder ter plaatse geweest en was [benadeelde 3] eerder uit de auto gehaald. De patholoog anatoom van het NFI heeft verklaard dat [benadeelde 3] een grotere kans op overleven zou hebben gehad, als zij minder lang in het water zou hebben gelegen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op overlijden door een zuurstofgebrek door verdrinking toeneemt naarmate het zuurstofgebrek langer aanhoudt. Door niet om te kijken naar het andere slachtoffer, niet de hulpdiensten in te schakelen en tegen de omstanders niet te vertellen dat er een tweede auto bij het ongeval betrokken was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer - dat onder water was beland - aan de verwondingen zou bezwijken of - zoals in casu - te lang geen zuurstof zou krijgen en daaraan zou overlijden. Het hof is van oordeel de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden - welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen)roepen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het medeplegen.
Feit 3
Verdachte heeft bekend dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en dat hij zich pas elf dagen later bij de politie heeft gemeld. Dat verdachte ten tijde van het ongeval wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht, blijkt uit hetgeen reeds ten aanzien van feit 2 is overwogen.
Het hof acht het onder feit 3 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
3.2 In de aanvulling op het arrest zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen opgenomen (met weglating van verwijzingen):
“2. Een
proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte]d.d. 20 december 2017 (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Later toen ik nadacht na het ongeluk, graafde ik in mijn geheugen. Dacht ik dat het een frontale botsing zou worden. Ik herinner mij dat ik over de stoep tussen een boom en een paal reed. Ik zag de auto en wilde die niet frontaal raken. Er lag ook sneeuw.
V: En toen?
A: Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.
Ik droeg op 9 december 2017 een groene jas.
V: We hebben twee getuigen gesproken. Zij verklaren dat ze eerst een claxon hoorden en daarna een aanrijding?
A: dat kan ik mij niet herinneren. Ik wilde een frontale botsing vermijden, ik wilde de auto niet raken. V: Waar wilde je heen rijden?
A: Ik weet dan niet precies. Op dat moment dat ik de auto zag wilde ik die ontwijken, anders was ik rechtdoor gereden. Rechtdoor richting station Overvecht.”
(…)
8. Een
proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2](…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 9 december 2017 werd ik wakker van een enorme knal. Ik keek uit het raam en zag een auto helemaal in puin tegen een boom aan staan. Ik ging naar buiten. Toen ik bij de auto kwam, zag ik dat de voorbumper van de auto weg was. Ik stond aan de bestuurderszijde en zag een man buiten de auto staan. Ik noem hem man 2 Hij had een groene jas aan. Ik zag dat man 2 man 3 uit de auto probeerde te krijgen. Ik zei vervolgens tegen man 2 en man 3 dat de politie was gebeld. Terwijl ik dat zei, zag ik dat man 2 zich omdraaide. Man 2 stond tegenover mij. Ik hoorde dat man 2 naar mij schreeuwde: ‘Geen politie, geen politie!!’. Daarbij zwaaide hij met zijn arm en maakte daarmee een ‘nee’ beweging. Ik zag dat man 2 weer in de auto klom om man 3 eruit te krijgen. Ik voelde mij niet veilig en rende naar huis.
9. Een
proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3](…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als ik op mijn balkon sta heb ik zicht op de [b-straat] . Ik zag knipperlichten en rook. Ik liep mijn woning uit en zag dat er een auto tegen een boom aan stond. Ik zag mannen bij de auto staan die probeerden iemand uit de auto te halen. Een van de mannen bij de auto had een groene jas aan. Nadat die man uit de auto was gehaald zag ik dat de man met de groene jas heel rustig weg liep.”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel valt uiteen in vijf deelklachten die opkomen op tegen het door het hof onder 2 primair bewezenverklaarde feit. De derde en vijfde deelklacht raken tevens de door het hof respectievelijk onder 3 en 1 bewezenverklaarde feiten. De eerste en vierde deelklacht bespreek ik gezamenlijk.
4.2
De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit (doodslag) ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd en dat uit niets is gebleken dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Dat de auto van het slachtoffer in het water is beland heeft verdachte, aldus de stellers van het middel, dan ook niet waargenomen. De vierde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, “dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden - welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen) roepen”, op schuld duidt en ook onvoldoende is om opzet aan te nemen.
4.3
Ik stel voorop dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [1]
4.4
De materiële norm neergelegd in art. 287 Sr Pro behelst niet alleen een verbod op het teweegbrengen van het in die bepaling gespecificeerde gevolg door een opzettelijk handelen. Onder omstandigheden kan ook diegene die opzettelijk niet heeft gehandeld waar dat wel geboden was – dat wil zeggen, heeft nagelaten – art. 287 Sr Pro overtreden. Men spreekt dan wel van een oneigenlijk omissiedelict, of in het juridisch Latijn van ooit:
delictum comissionis per omissionem. [2] Voor de nalater moet in een dergelijk geval, volgens de heersende leer in de literatuur, een ‘bijzondere zorgplicht’ ten aanzien van het betrokken rechtsgoed bestaan.
4.5
Het is het bestaan van een bijzondere zorgplicht dat het strafrechtelijk irrelevante niet doen onderscheidt van het strafrechtelijk wel relevante nalaten. De aansprakelijkheid van het nalaten – die anders oeverloos zou worden – wordt daarmee ingeperkt. De rechtsplicht is bijzonder in die zin dat hij niet is ontleend aan de delictsomschrijving, maar zijn oorsprong elders vindt. De bijzondere zorgplicht kan zo worden gedifferentieerd, aldus Knigge, “van de algemene (op een ieder rustende) zorgplicht die bij elk delict kan worden verondersteld”. [3]
4.6
Over de oorsprong, aard en vorm van de plicht bestaat in de literatuur discussie. [4] Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad in het hierna te bespreken arrest van 8 juni 1971 de term ‘bijzondere zorgplicht’ niet bezigt. [5] Ook in arresten van latere datum kom ik het begrip ‘bijzondere zorgplicht’ in het kader van art. 287 Sr Pro als zodanig niet tegen. In het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2000, waarin het hof (passieve) medeplichtigheid aan doodslag door na te laten het slachtoffer te beschermen bewezen had verklaard, oordeelde de Hoge Raad dat het hof – overeenkomstig hetgeen kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen – had vastgesteld dat “de verdachte wist dat het slachtoffer, tevens zijn huisgenoot, volstrekt weerloos was” en dat, omdat het hof tevens had vastgesteld dat die weerloosheid door de verdachte was veroorzaakt, het hof kennelijk en terecht had geoordeeld dat daardoor op de verdachte de rechtsplicht was komen te rusten om het slachtoffer te beschermen tegen het door de medeverdachte in de woning van de verdachte en in diens bijzijn jegens het slachtoffer gepleegde geweld. Knigge merkt in zijn noot onder het arrest op dat de Hoge Raad heeft gekozen voor een sterk situatie-gebonden ‘rechtsplicht’ en dat de term ‘zorgplicht’ wordt vermeden. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in de omstandigheid dat tussen de verdachte en het slachtoffer geen verzorgingsrelatie bestond. Op de vraag waarop de rechtsplicht tot ingrijpen is gebaseerd heeft de Hoge Raad, aldus Knigge, in dit arrest geen “kant en klaar” antwoord gegeven en heeft de Hoge Raad volstaan met “met het noemen van de factoren die hebben gemaakt dat op de verdachte een rechtsplicht kwam te rusten”. [6]
4.7
In de onderhavige zaak heeft het hof, in zijn bewijsoverweging, de “specifieke zorgplicht” die volgt uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 tot uitgangspunt heeft genomen. Nu richt die norm zich eensdeels tot iedere betrokkene bij een verkeersongeval, maar anderdeels ook tot de veroorzaker van het ongeval. Op die laatste categorie heeft het hof klaarblijkelijk het oog, nu het heeft overwogen dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, waaronder ook valt de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd. Over het bestaan van die plicht wordt in cassatie niet geklaagd. In de rest van deze conclusie hanteer ik – in de wetenschap van alle daarmee gepaard gaande haken en ogen – het begrip ‘plicht’.
4.8
Illustratief voor de plicht tot (anders) handelen is de casus, bestaande uit een complex van handelen en nalaten, die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 1971. De verdachte had het dronken slachtoffer eerst geslagen, gestompt en geschopt, het slachtoffer van zijn kleding ontdaan en daarna ‘s nachts, vrijwel naakt in de vrieskou achtergelaten, ten gevolge waarvan het slachtoffer kwam te overlijden. [7] De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer kon worden afgeleid en verwierp het cassatieberoep. Lindenberg en Wolswijk leiden uit dit arrest af dat verdachtes voorafgaand gevaarzettend handelen de bijzondere plicht schiep om voor het slachtoffer te zorgen. [8]
4.9
In de onderhavige zaak heeft het hof inzake het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer vastgesteld dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien. Het hof heeft overwogen dat bij een dergelijke botsing de aanmerkelijke kans bestaat dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken en dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust “te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden”, waaronder ook de plicht valt om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
4.1
Het hof heeft uit de bewijsmiddelen onder meer afgeleid dat de verdachte, kort gezegd, geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto; dat de verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende is gebeurd, terwijl hij wel in staat was de situatie te overzien, dat vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond en dat direct achter de eindpositie van de auto waar de verdachte in reed zich de sloot bevond waarin de auto van het slachtoffer als gevolg van de botsing terecht was gekomen; dat uit niets blijkt dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen; dat de verdachte niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval; dat de verdachte de hulpdiensten niet heeft gebeld terwijl hij daar alle gelegenheid toe had; en dat de verdachte op intimiderende wijze tegen een omstander heeft gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
4.11
Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen geoordeeld dat de verdachte niet heeft gehandeld waar dat, gelet op de plicht die op hem in de onderhavige omstandigheden rustte wel geboden was en dat de verdachte, gelet op onder meer die omstandigheid, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is naar ik meen ook niet onbegrijpelijk.
4.12
Dat de verdachte – zoals door de stellers van het middel is aangevoerd – niet heeft gezien dat de auto van het slachtoffer in het water is beland, al zou dat zo zijn, doet, mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.9 tot en met 4.11 is besproken, aan de toereikendheid van de motivering van het onder 2 primair bewezenverklaarde dan ook niet af. Dat er ook omstanders aanwezig waren en zij de auto in het water niet hebben waargenomen doet aan de toereikendheid van de motivering evenmin af. Uit bewijsmiddelen 8 en 9 blijkt dat zij, in tegenstelling tot de verdachte, niet de daaraan voorafgaande aanrijding hebben gezien.
4.13
Gelet op het voorgaande kan voorts – anders dan het middel aanvoert – niet worden gezegd dat het bestreden oordeel op schuld duidt en/of onvoldoende is om opzet aan te nemen. Ten overvloede merk ik op dat de door de stellers aangehaalde overweging van het hof met betrekking tot de causaliteit evenmin op schuld duidt; deze staat immers (uitsluitend) in het teken van het oorzakelijk verband.
4.14
De eerste deelklacht en de vierde deelklacht falen.
4.15
De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring onder 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het hof, aldus de stellers van het middel, heeft overwogen dat het niet aannemelijk heeft geacht “dat verdachte na de aanrijding in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard”, terwijl het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij in paniek is weggegaan, in de aanvulling op het arrest tot het bewijs heeft gebezigd.
4.16
Het hof heeft onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?” geoordeeld dat de verdachte “zeer wel in staat” was “de situatie te overzien”, dat de verdachte bij kennis was, dat hij zijn vrienden heeft geholpen met uit de auto komen – “waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte” – en dat de verdachte daarmee in staat was “om na te denken en om zich heen te kijken”. Dat de verdachte “in shock of paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard” heeft het hof niet aannemelijk geacht.
4.17
In de aanvulling op het arrest is bewijsmiddel 2 opgenomen, inhoudende een proces-verbaal van verhoor van verdachte (zie 3.2 voor de volledige weergave). Op de vraag “En toen?” heeft de verdachte als volgt verklaard: “Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.”
4.18
Uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof verdachtes verklaringen dat hij onmiddellijk na het verkeersongeval in paniek verkeerde – en, zo begrijp ik, om die reden zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de auto en het slachtoffer is gebeurd – niet aannemelijk heeft geacht. Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de verdachte de politie hoorde aankomen en in paniek is weggegaan. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid dat de paniek bij de verdachte ontstond op het moment dat hij de politie hoorde aankomen en wegging en niet eerder, in de momenten onmiddellijk na het verkeersongeval. Het hof heeft aldus in de bewijsmiddelen ook niet een verklaring van de verdachte gebezigd die het niet aannemelijk heeft geacht. Niet gezegd kan worden dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en dat de bewezenverklaring onder 2 primair om die reden niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4.19
Ook de tweede deelklacht faalt.
4.2
De derde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, niet te rijmen is met hetgeen het hof onder 3 bewezen heeft verklaard, te weten dat de verdachte, “als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
4.21
Het hof heeft, onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?”, geoordeeld dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, welk gevolg – zo heeft het hof verderop in het arrest overwogen – zich een aantal dagen nadien heeft verwezenlijkt. Ter onderbouwing van dit oordeel heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat bij de door de verdachte waargenomen aanrijding, en de omstandigheden waaronder deze zich heeft afgespeeld, de aanmerkelijke kans bestond dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond zouden raken, dat op de veroorzaker van een dergelijke aanrijding de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijk hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, en dat de verdachte dat heeft nagelaten.
4.22
Het onder 3 bewezenverklaarde betreft het verwijt dat de verdachte op het moment dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, heeft geweten of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer letsel en schade was toegebracht. Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde feit overwogen dat dit blijkt uit “hetgeen reeds ten aan zien van feit 2 is overwogen”. Ik begrijp dat het hof hiermee verwijst naar zijn eerdere vaststellingen, inhoudende dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien.
4.23
De nadruk bij het in de deelklacht bestreden oordeel van het hof, en in bredere zin het onder 2 primair bewezenverklaarde, ligt, kort gezegd, [9] op het nalaten en het door de verdachte bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden, terwijl het bij het onder 3 bewezenverklaarde gaat over het verlaten van de plaats van het ongeval hoewel hij op dat moment wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat letsel en schade aan het slachtoffer was toegebracht ten gevolge van dat verkeersongeval. ’s Hofs bestreden oordeel inzake het voorwaardelijk opzet en ’s hofs bewezenverklaring onder 3 kunnen naar mijn oordeel naast elkaar bestaan zonder afbreuk te doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit of aan de bewezenverklaring onder 3. Daartoe wijs ik er nog op dat het begrip ‘weet’, dat onderdeel is van het samenstel ‘weten of redelijkerwijze moeten vermoeden’ uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 ook voorwaardelijk opzet bestrijkt. [10]
4.24
Ook de derde deelklacht faalt.
4.25
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs arrest lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid, doordat het hof enerzijds het onder 1 tenlastegelegde (art. 6 WVW Pro 1994) heeft bewezenverklaard – dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ongeval waarbij een ander wordt gedood en dat hierin is vastgesteld dat de verdachte aan die dood
schuld(culpa) heeft – en anderzijds het onder 2 primair tenlastegelegde (doodslag) heeft bewezenverklaard – dat de dood van het slachtoffer niet is veroorzaakt door schuld, maar door voorwaardelijk
opzet(dolus). Een persoon kan, aldus de stellers van het middel, maar eenmaal het leven verliezen, en een verdachte kan daaraan schuld óf opzet hebben: de “gradatie van 'opzet' absorbeert de lagere gradatie schuld”.
4.26
In de toelichting op het middel wordt, ter onderbouwing van het bovenstaande, een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015. [11] De uitspraak die in cassatie voorlag betrof het volgende feitencomplex. De verdachte was bij nadering van politieambtenaren weggerend met een plastic boodschappentas, welke € 39.520,- aan bankbiljetten bleek te bevatten. De verdachte verklaarde dat hij dat geld had verdiend met de verkoop van kleding. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat hij, kort gezegd, bankbiljetten had verworven, voorhanden had gehad, had overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik had gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die biljetten afkomstig waren uit enig misdrijf. Niet witwassen (art. 420bis Sr) maar schuldwitwassen (art. 420quater Sr) was ten laste gelegd. Het hof had de verdachte in het bestreden arrest vrijgesproken van schuldwitwassen, na te hebben vastgesteld dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan opzetwitwassen, welk feit niet aan de verdachte ten laste was gelegd.
4.27
In zijn tot cassatie strekkende conclusie voor HR 16 juni 2015 is (destijds) AG Bleichrodt ingegaan op de vraag of schuld iets geheel anders is dan opzet dan wel dat opzet schuld insluit. [12] Die vraag kreeg betekenis doordat de tenlastelegging in de betrokken zaak enkel was toegesneden op de culpoze variant van een strafbaarstelling (schuldwitwassen, art. 420quater Sr), terwijl de rechter van mening was dat opzettelijk was gehandeld (witwassen, art. 420bis Sr). In de ‘aliud-theorie’, waarin opzet als iets wezenlijk anders wordt gezien dan schuld, zou de rechter in deze situatie niet tot een veroordeling kunnen komen. In de ‘minus-theorie’, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat opzet schuld insluit, behoort een veroordeling wegens het culpoze feit wel tot de mogelijkheden. In zijn conclusie geeft Bleichrodt vervolgens een overzicht van de argumenten die voor deze beide theorieën naar voren zijn gebracht. Ik verwijs daarvoor graag naar zijn uitgebreide verhandeling op dit punt. Vervolgens komt Bleichrodt tot de volgende slotsom: “Naar mijn mening past de zogenoemde ‘minus’-theorie, zeker in een zaak waarin de verhouding tussen opzetwitwassen en schuldwitwassen centraal staat, beter bij de ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraak ten aanzien van beide schuldvormen dan de ‘aliud’- theorie. Deze kent bovendien niet de praktische nadelen van laatstgenoemde theorie.” Met die praktische nadelen duidt Bleichrodt op de situatie waarin de officier van justitie een persoon vervolgt ter zake van (bijvoorbeeld) schuldheling, terwijl de rechter van oordeel is dat opzet kan worden aangenomen. Dan zou bij hantering van de ‘aliud’-theorie vrijspraak moeten volgen.
4.28
De Hoge Raad casseerde in de hierboven beschreven zaak en overwoog onder meer dat de omstandigheid dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld op zichzelf “niet uitsluit” dat, “indien zulks is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte "redelijkerwijs moest vermoeden" dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte daarom kan worden aangemerkt als schuldwitwassen als bedoeld in art. 420quater Sr”.
4.29
Als ik de stellers van het middel goed begrijp beogen deze in de onderhavige zaak, met het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015, een variant op de ‘minus-theorie’ ingang te doen vinden. De consequentie daarvan zou dan (moeten) zijn dat verdachtes opzet op de dood van het slachtoffer (feit 2, art. 287 Sr Pro) de schuld daaraan (feit 1, art. 6 WVW Pro 1994) absorbeert. De tegenstrijdigheid in het arrest zou, bij het aanhangen van deze theorie, bestaan in de omstandigheid dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zowel opzet als schuld op de dood van het slachtoffer had. Het lijkt mij dat de stellers van het middel hierbij begripsmatig gezien niet het juiste spoor volgen. Als schuld - zoals zijzelf postuleren - een ‘lagere’ gradatie van opzet is, is een bewezenverklaring van beide juist niet uit te sluiten. Of het meerdere het mindere absorbeert is dan hooguit een vraag naar de toepassing van de samenloopregeling op beide feiten. Maar daarop is het middel niet gericht, zodat ik dat punt laat rusten.
4.3
Belangrijker is echter dat de strijd tussen aanhangers van de ‘aliud-theorie’ en de ‘minus-theorie’ in deze zaak noch in zijn algemeenheid noch toegespitst op de artikelen 6 WVW 1994 en 287 Sr hoeft te worden beslecht. De vraag die in 2015 in cassatie voorlag – kort gezegd, of een verdachte die één verwijt is gemaakt voor een culpoos delict kan worden veroordeeld, wanneer opzettelijk handelen zou kunnen worden vastgesteld – is wezenlijk anders dan de vraag die in de onderhavige zaak speelt. De verdachte in de onderhavige zaak wordt, voor zover voor de bespreking van het middel hier van belang, niet één maar een tweetal verwijten gemaakt: kort gezegd dat hij zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden (onder 1 tenlastegelegd) én het hebben nagelaten hulp te bieden aan het slachtoffer nadat zij met haar auto door voornoemd ongeluk in een sloot terecht was gekomen, terwijl de verdachte wist dat de auto van het slachtoffer bij de aanrijding betrokken was en de verdachte niet heeft gekeken waar de auto van het slachtoffer terecht was gekomen en zich er niet van heeft vergewist dat het slachtoffer veilig was (onder 2 primair tenlastegelegd). Het gevolg, de dood van het slachtoffer, vindt zijn oorzaak – zo heeft het hof vastgesteld – in verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging én longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking. Het is uitsluitend in het gevolg dat de twee tenlastegelegde gedragingen convergeren. [13]
4.31
Dat het hof ervan uit is gegaan dat de verdachte aan de dood van het slachtoffer zowel opzet als schuld heeft gehad, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, berust op een verkeerde lezing van het arrest, nu in ’s hofs arrest de opvatting besloten ligt dat de schuld in art. 6 WVW Pro 1994 op het verkeersongeval betrokken is en niet op het gevolg. Die opvatting getuigt naar ik meen niet van een onjuiste rechtsopvatting.
4.32
De opvatting dat het schuldvereiste slechts betrokken is op het verkeersongeval leid ik allereerst af uit de redactionele wijziging die de delictsomschrijving bij de totstandkoming van de WVW 1994 heeft ondergaan. Art. 36, eerste lid, van de oude Wegenverkeerswet uit 1935 luidde als volgt: “Degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van eene botsing, aan- of overrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig, of bij gelegenheid van eenige handeling ter voorkoming van botsing met of aan- of overrijding door dat motorrijtuig, de dood van een ander te wijten is, wordt, indien de dood door de botsing, aan- of overrijding dan wel door de handeling ter voorkoming daarvan is veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie”. Het huidige art. 6 WVW Pro 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat”. In art. 36 WVW Pro 1935 was het schuldverband duidelijk betrokken op de dood. Het gebruik van het woord ‘waardoor’ in het gewijzigde art. 6 WVW Pro 1994 wijst er evenwel op dat tussen het verkeersongeval en het gevolg enkel een oorzakelijk verband moet bestaan. Het schuldverband is uitsluitend betrokken op het ongeval en niet op het gevolg.
4.33
De wetsgeschiedenis biedt ook aanwijzingen voor de door mij voorgestane lezing van art. 6 WVW Pro 1994: “Waar het om gaat is dat er een aan schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden”, aldus de memorie van toelichting. [14] Ook wordt in dezelfde memorie van toelichting, inzake “de voor deze bepaling zo kenmerkende dubbele causaliteit”, opgemerkt dat geen wijziging optreedt. Wel brengt de gewijzigde redactie mee “dat die dubbele causaliteit anders van opzet wordt. In de voorgestelde bepaling wordt primair causaal verband geëist tussen de schuld en het ongeval en vervolgens tussen het ongeval en het gevolg.” [15]
4.34
Ook de vooropstelling die de Hoge Raad steevast hanteert inzake dood door schuld in het verkeer spreekt over schuld aan het verkeersongeval. Zo stelt de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2004 voorop dat in cassatie slechts kan “worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (…) uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”. [16] De Hoge Raad heeft die vooropstelling in 2024, zo blijkt uit zijn arrest van 15 oktober 2024, niet losgelaten. [17]
4.35
Het standpunt dat tussen het verkeersongeval en het gevolg slechts een causaal verband vereist is, heeft eveneens in de literatuur pleitbezorgers gevonden. Krabbe heeft beargumenteert dat met de gewijzigde redactie in art. 6 WVW Pro 1994 een systeembreuk heeft plaatsgevonden, dat art. 6 zelfstandig Pro is geworden ten opzichte van art. 307 Sr Pro en art. 308 Sr Pro, dat art. 6 meer Pro gelijkenissen vertoont met de misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht, en dat met de gewijzigde redactie het “object van de schuld is verplaatst van het uiteindelijke gevolg bij het slachtoffer naar het typische verkeersrechtelijke onderdeel, het verkeersongeval”. [18] Ik onderschrijf die opvatting.
4.36
Gelet op het bovenstaande lijdt ’s hofs arrest naar ik meen niet aan innerlijke tegenstrijdigheid. In ’s hofs arrest ligt besloten dat het slachtoffer opzettelijk door de verdachte van het leven is beroofd en dat, hoewel het verkeersongeluk aan verdachtes onvoorzichtige en onoplettende rijden te wijten is, dat niet geldt voor dood die mede ten gevolge daarvan is ingetreden. Deswege faalt de vijfde deelklacht.
4.37
Ik ben mij er echter wel van bewust dat een andere lezing van art. 6 WVW Pro 1994, waarbij het schuldverband wel op de dood is betrokken, niet is uitgesloten. Zo zou het ontbreken van een komma tussen ‘plaatsvindt’ en ‘waardoor’ in de delictsomschrijving er volgens Van Dijk op wijzen dat sprake is van “een samenhangend geheel” waaruit volgt “dat de schuld betrekking heeft op ‘een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood’.” [19] Ook elders in de literatuur is het standpunt bepleit dat de schuld betrokken is op de dood. Otte schrijft dat, wil “veroordeling voor dood door schuld volgen”, het nodig is dat “de verdachte schuld heeft aan de dodelijke gevolgen. De culpose dader kon en behoorde te voorzien dat zijn onvoorzichtige verkeersgedrag tot deze gevolgen zou kunnen leiden. Kon de dader niet voorzien dat zijn gedrag tot zo'n ernstig gevolg kon leiden, dan is van schuld geen sprake”. [20] De wetsgeschiedenis bevat ook wel aanwijzingen in die richting. De memorie van toelichting wijst er namelijk, naast hetgeen hierboven is opgenomen, ook op dat “voor wat betreft de inhoud van het begrip schuld” geen wijziging is beoogd. [21]
4.38
Dat er onduidelijkheid bestaat over het schuldverband van art. 6 WVW Pro 1994 wordt in de literatuur ook wel als zodanig opgemerkt. Wolswijk, Postma en Keulen schrijven dat het duidelijk is dat in ieder geval de schuld op het ongeval betrokken is. “Minder duidelijk is of ook de dood of het (zware) letsel aan verdachtes schuld te wijten moet zijn”. [22] Zij wijzen erop dat de reeds hierboven besproken redactie van art. 6 WVW Pro 1994 en de wetsgeschiedenis voor meerdere lezingen vatbaar zijn. Indien de Hoge Raad al dan niet de door mij gekozen koers bij de bespreking van de deelklacht volgt, kan dat wellicht de nodige opheldering over het schuldverband van art. 6 WVW Pro 1994 verschaffen.
4.39
Het eerste middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
5.2
Op 10 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 januari 2024 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met meer dan twee maanden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden. [23]
5.3
Het middel slaagt.
Slotsom
6. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
2.Over dergelijke oneigenlijke omissiedelicten – naar de wettelijke omschrijving commissiedelicten die ook door een nalaten kunnen worden gepleegd – en de daaraan gekoppelde bijzondere zorgplicht zie (in het algemeen) onder meer J. Remmelink,
3.G. Knigge, ‘Doen en laten; enkele opmerkingen over daderschap’,
4.Voor een overzicht verwijs ik naar Wolswijk,
5.HR 8 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4152,
6.Zie HR 12 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8966,
7.HR 8 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4152,
8.Lindenberg en Wolswijk,
9.Het onder 2 primair bewezenverklaarde bestaat niet alleen uit nalaten, maar ook uit een doen (het door de verdachte opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders zeggen dat hij geen politie wilde).
10.Vgl. HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673,
11.HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660,
12.Conclusie AG Bleichrodt voor HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660,
13.Ten aanzien van het oordeel van het hof op het punt van de (meervoudige) causaliteit wordt in het middel geen klacht geformuleerd. Terzijde merk ik op dat dit oordeel, dat er op neer komt dat de dood van het slachtoffer zowel aan het ongeval als aan het (latere) nalaten kan worden toegerekend naar mijn mening geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is, gelet op de feitelijke vaststellingen die het hof als uitgangspunt heeft genomen.
16.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822,
17.HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rov. 2.6.2.
18.H.G.M. Krabbe, ‘De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval’, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.),
19.A.A. van Dijk,
20.M. Otte,
22.H.D. Wolswijk, A. Postma en B.F Keulen,
23.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,