Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
‘compos mentis’. (onder 5.4)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder a-(i)van het subonderdeel drie klachten. Volgens
de eerste klachtheeft het hof met de hiervoor 3.3 genoemde twee oordelen de eerste volzin van art. 159 lid 2 Rv Pro miskend. Volgens de stellers van het middel volgt uit deze volzin dat al sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting van de echtheid van de ondertekening als die echtheid stellig wordt ontkend.
de tweede klachtheeft het hof miskend dat een ‘stellige ontkenning’ van de echtheid van de handtekening meebrengt dat de schuldbekentenis überhaupt geen bewijs oplevert. Daarom is tegenbewijslevering van de echtheid van de handtekening van vader onder de schuldbekentenis nog niet aan de orde, aldus de stellers van het middel.
tot het moment dat de echtheid van de handtekening wordt bewezen.Volgens het hof doet dit laatste geval zich voor: [verweerster] heeft met het rapport van [handtekeningdeskundige] de echtheid van de handtekening bewezen.
de derde klachtbrengt de stellige ontkenning van de echtheid van de handtekening mee dat er al ruimte is voor toelating tot ‘nadere (tegen)bewijslevering’ indien en zodra de ondertekening van een onderhandse akte eenmaal stellig is ontkend.
blijftgelden, in die zin dat de rechter altijd tot tegenbewijs moet toelaten, ook zonder dat de partij die de echtheid van de handtekening betwist heeft uitgelegd in welk opzicht en om welke reden hij aan de deugdelijkheid van het bewijs twijfelt. Ik zie voor zo’n extrapolatie van art. 159 lid 2 Rv Pro geen enkele grond. Zij zou mijns inziens bovendien chicanes in de hand werken. Hoe dan ook leidt zij tot extra kosten en vertraging in de procedure.
aanvullendtegenbewijs, dus voor het geval dat een eerste poging om tegenbewijs te leveren schipbreuk heeft geleden, dat een motivering niet nodig is? In dat geval zou de echtheid van een handtekening nooit meer vast kunnen komen te staan, behalve indien de partij die aanvankelijk die echtheid heeft betwist (althans, in het geval van het slot van art. 159 lid 2 Rv Pro, die echtheid niet heeft erkend), zich alsnog gewonnen geeft. Dat dunkt mij een resultaat dat zichzelf veroordeelt. De klacht faalt.
onder a-(ii)veronderstelt dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat [eisers] niet stellig hebben ontkend dat de handtekening onder de schuldbekentenis die van vader is. De klacht mist feitelijke grondslag. Het criterium van ‘stellig ontkennen’ is bovendien niet van toepassing op het gevalstype uit deze zaak (zie voetnoot 8).
onder b-(i)heeft het hof de tweede volzin van art. 159 lid 2 Rv Pro miskend, omdat het hof eraan voorbij heeft gezien dat [eisers] mochten volstaan met een verklaring dat zij de echtheid van de ondertekening van de schuldbetekenis niet erkenden. Deze klacht gaat wel uit van het juiste criterium maar is voor het overige een zinloze herhaling van zetten. Ik verwijs naar de bespreking van de voorgaande klachten.
onder b-(ii)berust op de aanname dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] niet hebben verklaard dat zij de echtheid van de ondertekening van de schuldbekentenis niet hebben erkend. De klacht mist feitelijke grondslag. Zie de eerste zin van rechtsoverweging 5.8.
equality of arms’heeft miskend. Zij betogen dat het hof niet van [eisers] mocht verlangen dat zij het rapport van [handtekeningdeskundige] aan een andere deskundige voorlegden, terwijl zij niet beschikten over de originele documenten waarover [verweerster] (wel) beschikte en die [handtekeningdeskundige] heeft onderzocht. Ook heeft het hof volgens hen miskend dat [eisers] zonder die originele documenten het rapport van [handtekeningdeskundige] slechts ‘gemankeerd’ konden betwisten.
kondenbetwisten zonder te beschikken over de originele documenten die [handtekeningdeskundige] heeft onderzocht. In de klacht wordt verwezen naar art. 6 EVRM Pro en het beginsel van
equality of arms. Het beginsel van
equality of armsis één van de elementen van het bredere concept van het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro. Het beginsel vereist dat elke partij een redelijke mogelijkheid (
a reasonable opportunity) moet worden geboden om haar zaak te bepleiten of verdedigen onder omstandigheden die haar niet wezenlijk benadelen ten opzichte van haar wederpartij. [11]
equality of armsin de sleutel van het beginsel van hoor en wederhoor:
equality of arms, dat wil zeggen dat aan een partij voldoende gelegenheid wordt geboden om haar standpunt naar voren te brengen en te bewijzen onder omstandigheden en op een manier die haar niet in een substantieel nadeliger positie plaatsen dan de wederpartij. Ook moet een partij voldoende gelegenheid krijgen om kennis te nemen van het standpunt en bewijsmateriaal van de wederpartij en daarop effectief commentaar te leveren (adversarial principle).’ [15]
equality of armsschond.
subonderdeel 1.3liggen in het verlengde van de voorgaande klachten en delen in hun lot.
subonderdeel 1.4heeft het hof (nog steeds in rechtsoverweging 5.8 van het eindarrest) een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, gelet op rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest van 11 januari 2022. Die overweging luidt:
subonderdeel 1.5heeft het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Ook deze klacht faalt. Vergelijk de bespreking van subonderdeel 1.2.
dat[verweerster] (enige) zorg heeft verleend aan haar ouders.
aan het slotnog motiveringsklachten die zich richten tegen ’s hofs oordeel dat tussen [verweerster] en vader afspraken zijn gemaakt over betaling en dat sprake is van omzetting van een natuurlijke verbintenis in een (rechtens afdwingbare) verplichting. Dit oordeel is ook te vinden in rechtsoverweging 5.12, die ik hier in haar geheel citeer:
Wat de baten betreft, is daarom niet onbegrijpelijk dat het hof uit de globale berekening heeft afgeleid dat [eisers] de in de boedelbeschrijving opgenomen posten niet (langer) betwisten, waarbij ik de opmerkingen van [eisers] over de betalingen die [verweerster] voorafgaand aan het overlijden van vader heeft ontvangen even buiten beschouwing laat (het hof bespreekt die betalingen afzonderlijk).
(ook) wat de schuldzijde betreftniet langer betwistten, op de daarin opgenomen vordering van [verweerster] na. [eisers] hebben in de globale berekening slechts de hypotheekschuld van € 136.135.00 erkend – en dus niet het totaalbedrag aan schulden van € 147.914.43 waarmee het hof in rechtsoverweging 5.17 heeft gerekend. In eerste aanleg hebben [eisers] , zoals de rechtbank in haar eindvonnis heeft overwogen (hiervoor 3.45), de op de boedelbeschrijving vermelde schuldposten betwist. In hoger beroep hebben zij het hof tot tweemaal toe verzocht deze geschilpunten alsnog te beoordelen. Tot een dergelijke beoordeling was het hof overigens ook reeds gehouden op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep.