Conclusie
Oplegging van straf en/of maatregel
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Het hof legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan twee weken voorwaardelijk, en een taakstraf van 28 uur. Bij de strafoplegging nam het hof zwaar mee dat de verdachte in juli 2021 tweemaal onherroepelijk was veroordeeld voor soortgelijke feiten, en dat deze eerdere veroordelingen hem niet hadden weerhouden opnieuw een overtreding te begaan.
De verdachte stelde cassatie in tegen deze strafoplegging, stellende dat de strafmotivering onbegrijpelijk was omdat het bewezenverklaarde feit (7 november 2020) was begaan vóór de onherroepelijkheid van de eerdere veroordelingen in juli 2021. De Procureur-Generaal concludeerde dat het hof ten onrechte zwaar gewicht had toegekend aan die latere veroordelingen bij de strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de strafoplegging onvoldoende had gemotiveerd omdat het niet in acht had genomen dat de eerdere veroordelingen nog niet onherroepelijk waren ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging.
De conclusie benadrukt dat het bij strafverzwaring door verwijzing naar niet tenlastegelegde feiten noodzakelijk is dat die feiten onherroepelijk zijn ten tijde van het bewezenverklaarde feit. De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van een zorgvuldige en correcte strafmotivering in het kader van recidive.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontoereikende strafmotivering en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe strafoplegging.