Conclusie
1.Inleiding
B/Dexiais in effectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten 100% van de schade van de afnemer moet vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in (i) dat een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten. [1] Het eerste vereiste is door de Hoge Raad uitgewerkt in een prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] en een aantal arresten van 9 juni 2023. [3] Het tweede vereiste is aan bod gekomen in HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882 (
Dexia/T).
Dexia/T) was een met thans in cassatie aanhangige zaak vergelijkbare uitspraak van hof ’s-Hertogenbosch aan de orde. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel tegen die uitspraak verworpen. De tegen het hofarrest in
Dexia/Tgerichte cassatieklachten stemmen grotendeels overeen met de klachten die Dexia thans in deze zaak aanvoert. Mijns inziens slaagt ook het cassatieberoep in de onderhavige zaak niet.
onderdeel 1.2 sub e).
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over het oordeel (dat Dexia onvoldoende heeft betwist) dat de Afnemer voor het sluiten van de overeenkomst door Spaar Select is geadviseerd.
Onderdeel 2klaagt over het oordeel (dat Dexia onvoldoende heeft betwist) dat zij bij het sluiten van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat de Afnemer door Spaar Select is geadviseerd.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht.
onderdeel 2 sub c en d(geheel) ingetrokken. Zij heeft de klachten van
onderdeel 2 sub bingetrokken behoudens voor zover deze zijn gegrond op de klacht dat Dexia heeft aangevoerd dat wetenschap van advisering in het geval van de Afnemer niet kan worden aangenomen op grond van een gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, omdat van een gebruikelijke werkwijze geen sprake was. [6]
B/Dexiaen
T/Dexia, [8] ook als veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de juistheid van de door de afnemers gestelde feitelijke gang van zaken. Het hof wees de vorderingen die erop waren gebaseerd dat sprake was van dergelijke advisering, daarom af. De Hoge Raad vernietigde de arresten van het hof, omdat het hof had miskend dat in de stellingen van de afnemers besloten lag dat de verschillende adviseurs de producten hadden voorgesteld als geschikt voor de situatie van de afnemers en dat deze stellingen voldoende waren voor het oordeel dat sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling waarvoor een vergunning vereist is. [9]
Dexia/T, waarin de Hoge Raad eveneens op 9 juni 2023 arrest wees, ging het niet alleen om de vraag of voldoende was gesteld om aan te nemen dat de afnemer door de tussenpersoon (Spaar Select) was geadviseerd, maar ook om de vraag of het hof kon aannemen dat Dexia bekend was of behoorde te zijn met de omstandigheid dat de tussenpersoon (Spaar Select) de afnemer had geadviseerd. [10] Met name deze zaak vertoont de nodige overeenkomsten met de zaak die thans in cassatie voorligt.
Dexia/Tonder meer geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd had betwist dat Spaar Select de afnemer had geadviseerd om de overeenkomst met Dexia aan te gaan. Daartoe (i) gaf het hof de stellingen van de afnemer weer (rov. 3.11), [11] (ii) overwoog het hof dat, gelet op de concrete en specifieke stellingen van de afnemer en mede gelet op de kennis van Dexia over de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, het op de weg van Dexia had gelegen om de stellingen van de afnemer concreet en gemotiveerd te betwisten en (iii) oordeelde het hof dat gelet op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, en aangezien de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select in zijn geval heeft gehandeld aansluiten bij die gebruikelijke werkwijze, het op de weg van Dexia lag om concreet toe te lichten dat en waarom in het geval van de afnemer is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze en dat Dexia dat niet heeft gedaan (rov. 3.12). [12]
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [13]
Dexia/T: [14]
Dexia/Tniets over de rol van de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select bij de beantwoording van de vraag of sprake is van advies in de zin van
B/Dexia. Het arrest bevat het oordeel dat de vereiste objectieve wetenschap van Dexia over het advies in de zin van
B/Dexiaonder omstandigheden kan worden gebaseerd op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de nauwe samenwerking tussen Dexia en Spaar Select. Dat daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met het advies in de zin van
B/Dexianiet noodzakelijk is en uit een gebruikelijke werkwijze kan volgen, laat onverlet dat wel sprake moet zijn van daadwerkelijk advies in de zin van
B/Dexiawat niet, althans niet uitsluitend, uit een gebruikelijke werkwijze kan volgen, aldus Dexia.
Dexia/Tacht ik te beperkt. In die zaak is immers ook in cassatie aan de orde gesteld het oordeel van het hof over de betekenis van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select bij de beantwoording van de vraag of voldoende is gesteld om te oordelen dat sprake is geweest van advies in de zin van
B/Dexia(zie hiervoor in 3.5.2).
onderdeel 1.1 sub a en ben in
onderdeel 1.2 sub a tot en met f.
onder (i)-(v), afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd..
onderdeel 1.1 sub a onder (i)komt erop neer dat van Dexia niet kon worden verwacht dat zij concreet zou stellen dat in dit geval is afgeweken van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, noch dat zij gemotiveerd onderbouwt dat in deze zaak geen advies is gegeven. De Afnemer heeft zelf niet concreet gesteld, althans niet concreet onderbouwd, wat de betrokkenheid van Spaar Select in zijn geval is geweest. De Afnemer heeft slechts aangevoerd dat zijn stellingen in dit geval aansluiten op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select. Dexia kon ermee volstaan om gemotiveerd te betwisten dat van een gebruikelijke werkwijze van Spaar Select sprake was of toe te lichten dat die werkwijze niet in alle gevallen, althans niet in het geval van de Afnemer, werd gevolgd. Het is daarom aan de Afnemer om diens stellingen nader te onderbouwen. In dit verband voert het onderdeel nog een vijftal argumenten aan, die hierna (in 3.14.1 e.v.) besproken zullen worden.
De klacht van
onderdeel 1.1 sub a onder (ii)houdt in dat het voorgaande niet anders wordt door de vaststelling van het hof in rov. 3.13 dat de Afnemer een concrete uiteenzetting heeft gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de overeenkomst en dat de verklaring die de Afnemer in deze procedure als getuige heeft afgelegd in lijn is met deze uiteenzetting, althans daarmee niet in strijd is, omdat geen sprake is van een gemotiveerde onderbouwing hoe Spaar Select in dit geval betrokken is geweest en of daarbij is geadviseerd.
Over de stellingen van de Afnemer heeft hof overwogen dat deze ‘een concrete uiteenzetting’geven over de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld (rov. 3.13, eerste volzin); dat de gestelde betrokkenheid van Spaar Select, indien deze komt vast te staan, moet worden gekwalificeerd als advisering (rov. 3.15, eerste volzin); [17] dat uit de door de Afnemer overgelegde producties volgt dat Spaar Select een gebruikelijke werkwijze had die aansluit bij de concrete stellingen van de Afnemer over hoe Spaar Select in zijn geval heeft gehandeld (rov. 3.15, derde volzin); en dat de Afnemer daarmee zijn stelling dat is geadviseerd voldoende heeft onderbouwd (rov. 3.15, vierde volzin).
Over de stellingen van Dexia heeft het hof overwogen dat Dexia de stellingen van de Afnemer ‘slechts in algemene zin’ heeft betwist (rov. 3.14) en dat het op haar weg had gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval is afgewezen van de gebruikelijke werkwijze (rov. 3.15, vijfde volzin). Na een beoordeling van de stelling van Dexia heeft het hof geconcludeerd (in rov. 3.15, slot) dat Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van advisering.
Dexia/T) (zie hiervoor in 3.5.1-3.5.2). Hierin ligt niet de eis besloten dat Dexia de stellingen van de Afnemer ‘overtreft’ (zie de procesinleiding, p. 8, bovenaan), maar wel dat de stellingen van Dexia voldoende tegenwicht moeten bieden aan de conclusies die het hof mocht verbinden aan de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select.
Hieraan staat niet in de weg dat de beweerdelijke gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd zou zijn gevolgd. In de eerste plaats sluit dit argument niet uit dat Spaar Select ook in het geval van de Afnemer heeft geadviseerd. In de tweede plaats overwoog het hof over de mate waarin Spaar Select heeft geadviseerd, dat dit standaard, althans op grote schaal gebeurde; het onderdeel voert niet aan dat dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het partijdebat.
onderdeel 1.1 sub a onder (i), op pagina 8-9 van de procesinleiding, worden aangevoerd. Ik loop deze argumenten na.
onderdeel 2slagen niet (zie hierna in 3.51 e.v.). Ook heeft het hof het argument van Dexia dat de gebruikelijke werkwijze in dit geval niet is gevolgd, zoals ook volgt uit de verklaring van de Afnemer, en dat de in de dagvaarding gestelde gang van zaken niet aansluit bij de getuigenverklaring van de beweerdelijke betrokken medewerker van Spaar Select, verworpen in rov. 3.13 en 3.15. De daartegen gerichte klachten van
onderdeel 1.2 sub a, d en e(waarnaar het onderdeel verwijst) slagen niet (zie hierna in 3.27 e.v.).
onderdeel 1.1 sub a onder (iv)) – niet volstaan met de tegenwerping dat de Afnemer wel en Dexia niet aanwezig was bij het gesprek tussen de Afnemer en de medewerker van Spaar Select.
subonderdeel 1.1 sub a onder (iv).
Voor zover dit argument van Dexia veronderstelt dat zij, indien zij destijds informatie had ingewonnen, deze informatie niet gedurende bijna twintig jaar had behoeven te bewaren, gaat het mijns inziens ook niet op. Het hof heeft in rov. 3.7 – in het kader van het beroep van Dexia op verjaring – geoordeeld dat al in 2005 voor Dexia voldoende duidelijk was welke verwijten haar werden gemaakt over de door haar aangeboden effectenleaseproducten, waaronder de schending van de vergunningsplicht door tussenpersonen. Dit is niet alleen relevant voor de vraag of de vordering van de Afnemer is verjaard, maar brengt ook met zich dat Dexia er destijds al rekening mee kon houden dat zij door de Afnemer aansprakelijk zou worden gesteld in verband met een eventuele schending van de vergunningsplicht door Spaar Select, en dat er voor Dexia aanleiding bestond om relevante informatie daarover veilig te stellen en te bewaren.
Ten eerste overweegt het hof (in rov. 3.17) dat Dexia niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de tekst op de website de algemene werkwijze van Spaar Select ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met de Afnemer correct weergeeft. Uit die tekst volgt onder meer – zie ook hierna bij de bespreking van
onderdeel 1.2 sub b onder (ii)− dat de adviseur van Spaar Select begint met een inventarisatie van de huidige situatie, dat naar aanleiding van de wensen van de afnemer wordt bepaald wat de meest geschikte spaarvorm is om die wensen te realiseren en dat wordt bepaald welke aanbieder de beste aanbieding kan doen om die wensen afnemers te realiseren. Een en ander mondt uit in een advies in de vorm van een Persoonlijk Financieel Plan.
Ten tweede volgt uit rov. 3.20 dat elementen van de vaste werkwijze van Spaar Select bestaan uit het voeren van één of meer gesprekken met de afnemers waarin het doel van de gewenste vermogensopbouw en de financiële middelen die de klant daarvoor beschikbaar had werden besproken, en dat aan de klanten vervolgens een daarbij passend product als deugdelijk is gepresenteerd. Hieruit blijkt dat het hof de vorm waarin het advies wordt gegeven – al dan niet in de vorm van een Persoonlijk Financieel Plan – kennelijk van minder belang heeft geacht. [18] Er is dus, samengevat, contact geweest tussen de afnemer en (de medewerker van) Spaar Select waarin (tot op zekere hoogte) is ingegaan op de persoonlijke financiële situatie en doelen van de Afnemer en vervolgens een specifiek product is gepresenteerd als geschikt voor de Afnemer.
onderdeel 1.1 sub a onder (i) en (ii)naar mijn mening niet.
onderdeel 1.1 sub a onder (iii)bestrijdt dat een basis voor de aan Dexia opgelegde stelplicht kan worden gevonden in de overwegingen van het hof in rov. 3.15 dat, omdat Dexia ermee bekend zou zijn dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan cliënten die zij aanbracht als afnemer bij Dexia: (A) het ingevolge artikel 41 NR Pro 1999 op de weg van Dexia zou liggen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de Afnemer navraag te doen bij Spaar Select wat de aard van de betrokkenheid van Spaar Select is geweest; (B) Dexia zo had kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de Afnemer kon en mocht aangaan; en (C) het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar kon worden verlangd.
De klacht voert aan dat de stelplicht van Dexia in het kader van haar betwisting afhangt van wat de Afnemer heeft gesteld. Omdat de Afnemer zijn stellingen niet concreet heeft onderbouwd, kon Dexia volstaan met het verweer dat de vaste werkwijze in veel gevallen niet werd gevolgd, dat de beweerde gebruikelijke werkwijze in dit geval ook niet is gevolgd, en dat de door de Afnemer gestelde gang van zaken ook niet aansluit op de verklaring van de beweerdelijk betrokken medewerker van Spaar Select.
Het is volgens de klacht niet relevant of en zo ja welke onderzoeksplicht volgt uit artikel 41 NR Pro 1999, omdat dat artikel niet ziet op de stelplicht en bewijslast in een civiele zaak als de onderhavige.
Het hof wijst in rov. 3.15 in de eerste plaats op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, de bekendheid van Dexia daarmee en de verplichtingen van Dexia in het kader van artikel 41 NR Pro 1999. In de tweede plaats wijst het hof op het memorandum van Dexia van 26 maart 2007, waarin Dexia tot de conclusie is gekomen dat doorgaans sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies. Het hof overweegt dat Dexia niet heeft uitgelegd hoe deze conclusie – en het onderzoek dat daaraan kennelijk is voorafgegaan − zich verdraagt met haar stelling dat het voor haar niet mogelijk is om na te gaan in welke gevallen wel of niet is geadviseerd. Hiermee heeft het hof toereikend gemotiveerd, waarom het hof ook de verplichtingen van Dexia in het kader van artikel 41 NR Pro 1999 relevant heeft geacht bij de beoordeling van de stelplicht van Dexia.
onderdeel 1.1 sub a onder (iv)is onjuist of onbegrijpelijk dat op grond van artikel 41 NR Pro 1999 op Dexia een controleplicht zou rusten om te beoordelen of een afnemer van een effectenleaseproduct is geadviseerd en dat het nalaten daarvan voor rekening van Dexia komt bij de beoordeling of Dexia voldoende gemotiveerd heeft betwist. Een dergelijke controleplicht van Dexia volgt niet uit artikel 41 NR Pro 1999.
Voor zover Dexia zou hebben beschikt of kunnen beschikken over informatie ten aanzien van wat zich tussen de Afnemer en Spaar Select heeft afgespeeld, kon niet van Dexia worden verwacht dat zij deze informatie zou bewaren tot aan het moment waarop de Afnemer zich op de advisering heeft beroepen.
Ook overigens kon dit niet van Dexia worden gevergd aangezien bij het aangaan van de overeenkomst met de Afnemer een nadere duiding van het begrip ‘beleggingsadvies’ ontbrak. Het oordeel van het hof gaat er ten onrechte van uit dat destijds duidelijk was wat geoorloofd was, en waar de grens lag tussen advisering en de toegestane werkzaamheden van een cliëntenremisier. De beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select doet aan het voorgaande niet af, omdat toentertijd – en ook nog in 2022 − niet duidelijk was dat het bij deze werkwijze ging om advisering. Ook daarom bestond geen aanleiding voor Dexia om na te gaan of sprake was van advisering door Spaar Select, aldus de klacht.
onderdeel 1.1 sub a onder (v)komt erop neer dat uit dat uit het memorandum van Dexia van 26 maart 2007, waarnaar het hof in rov. 3.15 verwijst, niet volgt dat het op de weg van Dexia had gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in het onderhavige geval is afgeweken van de (beweerde) gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en/of gemotiveerd te onderbouwen dat in de onderhavige zaak geen advies is gegeven. Daartoe voert de klacht aan, samengevat: (a) dat het memorandum niets zegt over dit concrete geval, ook omdat het dateert van na het aangaan van de effectenleaseovereenkomst in dit geval; (b) het memorandum niet afdoet aan de stelplicht; en (c) het memorandum er niet aan afdoet dat er geen controleplicht was voor Dexia om de redenen die zijn uiteengezet in
onderdeel 1.1 sub a onder (iv).
onderdeel 1.1 sub a onder (iv)faalt.
onderdeel 1.1 sub afaalt.
sub a-fverschillende klachten.
Uit de gestelde gebruikelijk werkwijze van Spaar Select valt niet af te leiden of in het concrete geval van de Afnemer daadwerkelijk de nodige informatie is ingewonnen over zijn kennis en ervaring op beleggingsgebied met betrekking tot het specifieke soort product of dienst, zijn financiële situatie en beleggingsdoelstellingen, en dat daadwerkelijk zijn persoonlijke financiële situatie is meegewogen (althans, de indruk is gewekt dat die is meegewogen). De klacht beroept zich op artikel 52 Uitvoeringsrichtlijn Pro MiFID I, de in 2010 door het Comité van Europese Effectentoezichthouders gepubliceerde ‘Questions and Answers’, de ratio van de regel van het arrest
B/Dexiaen het onderscheid tussen het geven van beleggingsadvies en de toegestane activiteiten van een cliëntenremisier. Ook uit de door de Afnemer gestelde omstandigheden van het geval volgt niet dat sprake is van advisering, aldus de klacht.
onder (i)-(iv)nader uitgewerkt.
onderdeel 1.2 sub b onder (i)houdt in dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft geconcretiseerd waaruit de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select precies bestond.
onderdeel 1.1 sub a onder (i).
onderdeel 1.2 sub b onder (ii)komt erop neer dat het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is als het bestreden arrest zo moet worden gelezen dat de beweerde gebruikelijke handelswijze van Spaar Select zou hebben bestaan uit de concrete handelingen die volgen uit de producties zoals besproken in rov. 3.16, te weten dat Spaar Select (i) een planning voor de korte, middellange en lange termijn zou maken; (ii) een inventarisatie van de situatie van de afnemer zou maken; (iii) de meest geschikte spaarvorm voor de afnemer zou vaststellen; en (iv) de afnemer een ‘persoonlijk financieel plan’ zou presenteren waarmee hij zijn wensen kon realiseren. Ten eerste volgt uit de in rov. 3.16 aangehaalde producties niet dat Spaar Select standaard of op grote schaal deze handelingen verrichtte ten behoeve van afnemers. Ten tweede volgt uit de stellingen en verklaringen van de Afnemer dat Spaar Select de (beweerde) gebruikelijke werkwijze in zijn geval juist niet heeft gevolgd. De handelingen die de Afnemer heeft gesteld sluiten niet aan op de concrete handelingen die volgen uit de (citaten van) producties besproken in rov. 3.16, aldus de klacht.
onderdeel 1.1 sub a onder (i)). Het hof heeft de vorm waarin het advies wordt gegeven – al dan niet in de vorm van een Persoonlijk Financieel Plan – kennelijk van minder belang heeft geacht. Hetzelfde geldt voor de vraag of, zoals vermeld op de website van Spaar Select, een planning voor de korte, middellange en lange termijn is gemaakt.
onderdeel 1.2 sub b onder (iii)houdt in dat uit de beweerde omstandigheid dat de gestelde feiten aansluiten op een (beweerde) gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet volgt dat
in dit gevalsprake is van een aanbeveling die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de Afnemer of een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de Afnemer. Het hof heeft dit miskend of zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de klacht.
Onderdeel 1.2 sub b onder (iv)voegt hieraan toe dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof met Dexia heeft aangenomen dat de door het hof aangenomen gebruikelijke werkwijze “
niet in alle gevallen steeds gevolgd is zoals op de website beschreven” en dat door Spaar Select enkel “
op grote schaal” – en dus niet in alle gevallen – werd geadviseerd. Als niet vaststaat dat Spaar Select de vaste werkwijze
altijdis gevolgd, althans vaststaat dat Spaar Select niet altijd heeft geadviseerd, biedt de gebruikelijke werkwijze onvoldoende onderbouwing om op basis daarvan aan te nemen dat
in dit concrete gevalis geadviseerd. Het hof had nader moeten motiveren waarom de gebruikelijk werkwijze in dit geval voldoende onderbouwing biedt om aan te nemen dat de Afnemer voldoende heeft onderbouwd dat in zijn geval is geadviseerd. Dat geldt te meer in het licht van het betoog dat (i) geen sprake was van een gebruikelijke werkwijze, althans (ii) deze (vermeende) gebruikelijke werkwijze in dit geval niet is gevolgd. Aldus de klacht.
onderdeel 1.1 sub a onder (i) en (ii)en dienen daarom te falen op de eerder aangegeven gronden (zie met name hiervoor in 3.13.1-3.13.4). Indien deze klacht onder de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select verstaat wat daarover is aangevoerd in
onderdeel 1.2 sub b onder (ii), verwijs ik naar mijn bespreking van die klacht.
geschikt” heeft genoemd onvoldoende is voor het aannemen van een gepersonaliseerde aanbeveling en dat (ii) uit de inleidende dagvaarding onder “
A. Feiten in deze zaak” niet volgt dat de medewerker van Spaar Select zou hebben verklaard dat het product “
geschikt” voor de Afnemer was.
Het argument onder (ii) staat er op zichzelf niet aan in de weg dat het hof de stellingen van de Afnemer zo heeft opgevat dat de medewerker van Spaar Select het product Allround Sparen als geschikt voor de Afnemer heeft voorgesteld.
onderdeel 1.2 sub a. Zie voorts de bespreking van
onderdeel 1.2 sub c.
Als u mij voorhoudt dat [de Afnemer] heeft gezegd dat er één gesprek is geweest en dat een tweede contactmoment een week later zou zijn maar dat dat niet is doorgegaan, dat de vertegenwoordiger van Spaar Select de stukken zou hebben afgegeven bij de buren en zich zou hebben laten verontschuldigen, dan kan ik alleen maar zeggen dat dit niet mogelijk is. Bij het tweede moment heb je immers een handtekening nodig van de klant en je kunt dus niet zo maar stukken in de bus gooien. Ik ga er dan vanuit dat dit een cliënt van mij is want ik heb dat nooit zo gedaan.” [24] Dit onderdeel van de verklaring ziet niet op elementen van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select die het hof van belang acht. Ook deze verklaring kan daarom niet bijdragen aan de conclusie dat in het geval van de Afnemer is afgeweken van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk in het licht van deze verklaring.
onderdeel 1.1 sub a.
equality of armsals de Afnemer kan volstaan met algemene stellingen en van Dexia een concrete betwisting wordt verwacht over een situatie waar zij niet bij was en waarover zij ook anderszins geen wetenschap hoefde te hebben. Daarbij is met name van belang dat het hof heeft geoordeeld en naar mijn mening kon oordelen dat de kennis over wat tussen de Afnemer en Spaar Select is voorgevallen mede in het domein van Dexia lag.
onderdeel 1niet slaagt.
onderdelen 1.1 en 1.2voortbouwende klacht en faalt in het verlengde daarvan.
onderdelen 1.1 sub a, 1.2 sub b en 1.2 sub f.
onderdelen 2 sub c en 2 sub dbehoeven geen bespreking, omdat zij zijn ingetrokken.
onderdelen 1 en 2voortbouwende klacht en faalt in het verlengde daarvan.