Conclusie
2.Beoordeling
nietlouter worden gekenmerkt door hun technische functie,
nietaan dit criterium. Zoals de advocaat-generaal in de punten 75 en 76 van zijn conclusie aangeeft, is aan het oorspronkelijkheidscriterium immers
nietvoldaan wanneer de uitdrukking van deze onderdelen
nietdoor hun technische functie wordt bepaald, aangezien de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan
nietzodanig beperkt zijn dat het idee samenvalt met de uitdrukking ervan.
kunnenzijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker, die een werk in auteursrechtelijke zin
kunnenopleveren. In die benadering is - anders dan het onderdeel veronderstelt - niet steeds gegeven dat resterende (vrije) ruimte ook daadwerkelijk met ‘creatieve’ keuzes is benut. Ik wijs erop dat dit laatste oordeel in hoge mate feitelijk van aard is en daarom zeer beperkt toetsbaar is in cassatie [28] . De gedachte dat de creativiteit van de prestatie de kern vormt van de werktoets, komt nadrukkelijk naar voren in de ontwerp MvT voor het wetsvoorstel om de geschriftenbescherming af te schaffen. Daar wordt een werkbegrip neergezet, waarin de wetgever nadrukkelijk EOKPS onder verwijzing naar (Van Dale/Romme) in de sleutel zet van een hulpmiddel om de creativiteit van de prestatie (wat daar kennelijk als de kern van de werktoets wordt bezien) te beoordelen. Dat er iets bestaat als Infopaq is uit de ontwerp-MvT niet op te maken. In het ontwerp wordt zelfs terloops tot uitgangspunt genomen dat als de creativiteit van de prestatie niet meer vooropgesteld zou worden dit leidt tot het verlies van draagvlak voor auteursrechtelijke bescherming als zodanig [29] . De Cock Buning wijst er overigens terecht op dat er – met of zonder deze wetswijziging – in feite al door de rechter is afgerekend met de auteursrechtelijke bescherming voor geschriften, die niet aan de werktoets voldoen [30] .
onderdeel Bdat het hof aldus vereist dat een auteursrechtelijk werk ‘voldoende creatief’ en/of ‘niet voor de hand liggend’ is. Het hanteren van deze norm komt volgens Rubik in strijd met zowel de rechtspraak van de Hoge Raad [36] als de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie inzake het leerstuk van de vereisten voor auteursrechtelijke bescherming [37] . Uit deze rechtspraak volgt dat uitsluitend doorslaggevend is of de gemaakte keuze bij de vormgeving van het voortbrengsel louter is bepaald door objectieve vereisten dan wel, in plaats daarvan, berust op een subjectieve keuze. De door het hof aangelegde maatstaf, die inhoudt dat de mate van creativiteit aan een bepaald (door het hof niet geëxpliciteerd) kwantitatief vereiste zou moeten voldoen, kent de rechtspraak van de Hoge Raad en het HvJ EU niet volgens het onderdeel.
het beeld dat ontstaat doordatdeze kleur op ieder kleurvlak over 9 (3x3) deelvlakken is verdeeld, is daarmee een vrije
creatieve keuzevan Rubik en verleent aan diens kubus zijn
oorspronkelijk karakter’. Dat een (op dezelfde wijze in deelvlakken opgebouwde) kubus met dezelfde kleuren al bestond en Rubik zijn kubus daaraan heeft ontleend, is niet gebleken volgens het hof. Het oordeel van het hof moet volgens mij dan ook zo worden verstaan dat het niet alleen om een ‘vrije’ keuze gaat, maar dat in de benadering van het hof eveneens sprake is van een ‘creatieve’ keuze met een eigen ‘oorspronkelijk karakter’. Het hof omschrijft immers waaruit die creatieve keuze bestaat. De creativiteit zou zitten in: 1) de keuze voor zes kenmerkende, opvallende kleuren en 2) het beeld dat ontstaat door de verdeling. Dan overweegt het hof nog dat een kubus, die op dezelfde wijze was opgebouwd in dezelfde kleuren, niet al bestond en dat Rubik zijn werk niet heeft ontleend. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof enkel vaststelde dat sprake is van een ‘vrije’ keuze en niet eveneens oordeelde dat sprake is van ‘creatieve’ keuze, faalt het.
en Rubik heeft zich ook niet beroepen op het auteursrecht op een bepaalde kleurencombinatie.(curs. AG)
dezekeuze uit zes verschillende kleuren oorspronkelijk is. Ik wijs in dit verband op de volgende overweging uit 1986 van de rechtbank Amsterdam in een eerdere Rubik-zaak:
maar ookcreatief’ was. Er wordt echter niet naar voren gebracht waar in de feitelijke instanties iets vergelijkbaars subsidiair in een ‘maar-ook-creatief-variant’ is betoogd. Rubik heeft zich kortom steeds op het standpunt gesteld dat de keuze vrij en dus creatief was en niet op het standpunt dat de ‘kleurenvariant’ op zichzelf beschouwd een concreet EOKPS/EIS auteursrechtelijk beschermd werk is. Beckx c.s. wijzen er terecht op dat Rubik bij pleidooi in appel niet inhoudelijk is ingegaan op de subsidiaire grondslag. Rubik brengt niet onder verwijzing naar de gedingstukken naar voren dat dit anders zou zijn. Beckx c.s. wijst er eveneens terecht op dat het haar op basis van de MvG en het pleidooi niet duidelijk was dat zij zich moest verweren tegen een vordering gebaseerd op creativiteit van de combinatie van de gekozen kleurvlakken. Bij MvA onder 133 heeft Beckx c.s. opgemerkt dat onduidelijk is om welke specifieke kleurvlakken het gaat en Rubik heeft in de procedure bij het hof zijn vordering niet subsidiair beperkt tot zijn concrete keuze uit specifieke kleurvlakken.