Conclusie
Bpf Bouw)
Opleidingsfonds)
Aanvullingsfonds)
Bouwfondsen)
[verweerster])
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof).
Stcrt. 2020, nr. 11708 (hierna: het
Verplichtstellingsbesluit). Deze verplichtstelling is gebaseerd op art. 2 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de
Wet Bpf 2000).
cao Bouw & Infra) en in de cao Bedrijfstakeigen Regelingen Bouw & Infra (hierna: de
cao BTER). Deze cao’s (hierna gezamenlijk ook: de
bouwcao’s), bepalen dat werkgevers in de bouw & infra verplicht zijn tot betaling van premie aan het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds.
10.2 Voor wie geldt de cao?
[A]) behoort. [A] valt onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s (hierna gezamenlijk ook: de
bouwregelingen).
2.Procesverloop op hoofdlijnen
In eerste aanleg
kantonrechter). [verweerster] vordert een verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt.
vonnis). In conventie heeft de kantonrechter de vorderingen van [verweerster] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten, met nakosten. In reconventie heeft de kantonrechter:
Primair: voor recht te verklaren dat [verweerster] niet onder de werkingssfeerbepaling van de bouwregelingen valt.
Subsidiair: voor het geval het hof oordeelt dat [verweerster] onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt, voor recht te verklaren dat zij niet premieplichtig is vóór 1 januari 2020.
Meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [verweerster] niet onder de werkingssfeer van de bouwregelingen valt vóór 1 januari 2018.
Meest subsidiair: voor recht te verklaren dat [verweerster] niet onder de werkingssfeer van de bouwregelingen, althans van Bpf Bouw valt vóór 15 juli 2016. Een en ander met - uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van de Bouwfondsen in de proceskosten in beide instanties, met wettelijke rente en nakosten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
StvdA) op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. [16]
sociale partners) met een zekere representativiteit. Met betrekking tot een aanvraag (en de daarbij benodigde gegevens) zijn op de voet van art. 2 lid 4 Wet Pro Bpf 2000 nadere regels gesteld in de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Ik wijs ook op de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000.
De uitleg van werkingssfeerbepalingen, en die in het Verplichtstellingsbesluit
(…)
(…)
het eerste niveau(dus: sub ah) spreekt het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 steeds (behalve sub b en sub d) [44] van “de ondernemingen op het gebied van”. Wat onder die ondernemingen op die gebieden moet worden verstaan, staat vervolgens steeds weergegeven op
het tweede niveau(dus: onder 1 e.v.). Soms bedienen de opstellers van het Verplichtstellingsbesluit zich daarbij nog van
een derde niveauvan de tekst (dus: onder a e.v.). Dit derde niveau wordt niet steeds op eenzelfde wijze gebruikt. [45] Dat geldt ook voor
het vierde niveau(dus: onder -).
a contrario-redenering uitleg (i) moet prevaleren, niettegenstaande 3.31-3.36 hiervoor. Dat het tegendeel wel is beoogd door de opstellers van het Verplichtstellingsbesluit blijkt ook nergens daaruit.
Bespreking van de cassatieklachten
subonderdelen 1.2-1.7bevatten rechtsklachten en een motiveringsklacht. Ik vat samen.
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof de juiste uitleg van de werkingssfeerbepaling niet in het midden had mogen laten, maar de bepaling had moeten uitleggen (aan de hand van de cao-norm) en aan de hand van die uitleg had moeten oordelen of [verweerster] al dan niet onder de bouwregelingen valt.
Het hof heeft een en ander miskend en is blijven steken in de - overigens onjuiste - vaststelling dat de werkingssfeerbepaling voor meerdere uitleg vatbaar is.
subonderdeel 1.6, lees ik in rov. 3.8 van het arrest niet dat volgens het hof onder het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a ondernemingen vallen die zich bezighouden met productie of dienstverlening met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten (bouwbedrijven), en daarnaast ondernemingen die zich niet met dergelijke activiteiten bezighouden, maar wel diensten verlenen aan derden die dergelijke activiteiten ontplooien. Het subonderdeel strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
subonderdelen 1.2-1.5 en 1.7tegen dit oordeel ten strijde trekt, wat het doet, is dat dus terecht.