Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
.Voor de vorderingen tot het geven van een verklaring voor recht en tot het verstrekken van gegevens is de verjaringstermijn 20 jaar. Deze termijn is niet voltooid. Voor de vorderingen tot betaling van premies en tot terugbetaling van € 142.470,29 geldt een verjaringstermijn van 5 jaar (rov. 7.8.7-7.8.9). De Fondsen hebben aangevoerd dat deze verjaringstermijn door hen is gestuit (rov. 7.8.10).
afzonderlijkebedrijfstak (buiten de Metaal en Techniek), blijvende bij de hier voren omschreven vergelijking de economische functie van elk der werkzaamheden buiten beschouwing.”
afzonderlijketak van bedrijf (besluit 23 april 2015, A-G).
Werk Averstaat het hof het aantal in de arbeidsovereenkomst overeengekomen uren voor ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden, ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van binnenriolering tot 0,5 meter buiten de gevel alsmede hierbij opgedragen werkzaamheden aan de buitenriolering tot aan de perceelsgrens.
Werk Bverstaat het hof het aantal in de arbeidsovereenkomst overeengekomen uren voor ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden of ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van de openbare riolering.
Werk Cverstaat het hof het aantal in de arbeidsovereenkomst overeengekomen uren voor het ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden of ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van uitsluitend de riolering vanaf een perceel[s]grens tot 0,5 meter buiten de gevel.
Werk Dverstaat het hof het aantal in de arbeidsovereenkomst overeengekomen uren voor overige, niet rioolgerelateerde werkzaamheden.
Werk Everstaat het hof de (kantoor)werkzaamheden die niet zijn te beschouwen als werkzaamheden die onder A, B, C of D vallen, maar die moeten worden beschouwd als (administratief) ondersteunend aan de werkzaamheden als bedoeld onder A, B, C of D.
4.Juridisch kader
“aanvalsplan witte vlek.”Actiepunt 12 ziet op werkingssfeerbepalingen en vermeldt onder meer: [21]
Actualisering werkingssfeer
aanscherping en voortgangsrapportage aanvalsplan witte vlek en stand van zaken advies pensioen voor zelfstandigen. [24] Bij brief van (eveneens) 17 oktober 2022 heeft de Minister dit document met een toelichting doorgeleid aan de Tweede Kamer. [25]
Vector-arrest [37] ging het om de vraag of het bedrijf Vector onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen (cao en pensioen) Metalelektro viel. Bij Vector verrichtte een gedeelte van de werknemers fysieke handelingen met metaal. Het hof honoreerde het standpunt van Vector dat alleen deze werknemers moesten worden meegeteld voor het hoofdzakelijkheidscriterium. De Hoge Raad vernietigde. Volgens de werkingssfeerbepaling was beslissend of in hoofdzaak de in de cao en het verplichtstellingsbesluit genoemde activiteiten van het bewerken van metaal werden uitgeoefend. Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt een redelijke uitleg van de bepaling mee dat hierbij alle in de onderneming gewerkte arbeidsuren die redelijkerwijs vallen toe te rekenen aan de uitoefening van het bedrijf van bewerken/verwerken van metaal dienden te worden betrokken. Daarbij valt dan dus ook te denken aan de uren van de receptioniste en de verkoper die hieraan ten dienste staan.
Adimec [38] stond centraal of een bedrijf onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen (cao en pensioen) Metalelektro viel. Het bedrijf Adimec richtte zich op het ontwikkelen, maken en verkopen van hightechcamera’s voor medische toepassingen. Het vervaardigen van de camera’s viel onder de werkingssfeer van de cao en het verplichtstellingsbesluit, maar het ontwerpen en ontwikkelen van de camera’s niet. Het pensioenfonds Metalelektro stelde zich op het standpunt dat de arbeidsuren die waren gemoeid met het ontwerpen en ontwikkelen van de camera’s moesten worden toegerekend aan de assemblage van de camera’s. Het hof ging niet mee in het betoog van het pensioenfonds. De Hoge Raad verwierp de daartegen door het pensioenfonds geformuleerde cassatieklachten, omdat het hof feitelijk had vastgesteld dat de kern van de bedrijfsactiviteiten bestond uit ontwerpen en ontwikkelen van camera’s en dat de assemblage daarvan slechts een uitvloeisel was.
Unis-arrest [39] betrof de vraag of het bedrijf Unis onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen (cao en pensioen) Metaal en Techniek viel (de bedrijfstakregelingen waar het ook in onze cassatiezaak om gaat). Het bedrijf Unis hield zich bezig met onderzoeks-, reparatie- en testactiviteiten met betrekking tot printplaten afkomstig uit industriële besturingsapparatuur. De test- en analysewerkzaamheden werden in de werkingssfeerbepalingen van de Mt-bedrijfstakregelingen niet genoemd, maar de onderhouds- en herstelwerkzaamheden wel. Het hof had onder meer overwogen dat het bij het hoofdzakelijkheidscriterium in deze bedrijfstakregelingen gaat om de hoeveelheid arbeidsuren die de werknemers besteden aan de in de regelingen vermelde werkzaamheden. Deze beslissing hield in cassatie geen stand.
Vector), rov. 3.5.4 en 3.5.5). Deze uitleg strookt ook met de ruime betekenis van de woorden ‘betrokken zijn bij’.
overeengekomenarbeidsuren van de werknemers die bij die werkzaamheden
zijn betrokken. Bij de door het hof aan die bepalingen gegeven uitleg zijn deze bovendien in de praktijk moeilijk toepasbaar, nu die uitleg meebrengt dat in beginsel met betrekking tot alle werknemers individueel zal moeten worden nagegaan hoeveel uren zij besteden aan de in de MT-regelingen genoemde werkzaamheden.”
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Het principaal cassatieberoep
subonderdeel 3.2zijn vijf klachten (hierna: sub-subonderdelen) te onderscheiden.
eerste sub-subonderdeel) [43] komt op tegen het oordeel in rov. 13.12 en rov. 20.2 dat in dit geding alleen een kwantitatief criterium aan de orde is. Mede gelet op het Unis-arrest zou het hof eerst hebben moeten vaststellen welke werknemers betrokken zijn bij de werkzaamheden die vallen onder de Mt-bedrijfstakregelingen en daarna wat het met hen overeengekomen aantal arbeidsuren is. Dit zou niet alleen een kwantitatief, maar ook een kwalitatief criterium zijn, omdat de aard van de werkzaamheden moet worden vastgesteld.
tweede sub-subonderdeel) [44] richt zich tegen rov. 16.6.1-16.6.5, 20.1.2, 20.1.3, 20.2, 20.3.1-20.3.3 en 20.6.3-20.6.4. Aangevoerd wordt dat het hof had moeten onderzoeken (1) of de werknemers met wie in de arbeidsovereenkomst geen werkzaamheden waren overeengekomen die onder enige afzonderlijke bedrijfstak vallen, structureel en stelselmatig betrokken waren bij werkzaamheden die onder Mt-bedrijfstakregeling vallen, dan wel (2) of de opdrachten door een private opdrachtgever of publieke opdrachtgever werden verstrekt. Het hof kon dat onderzoek volgens het subonderdeel niet doen door (aan de deskundige op te dragen om) te onderzoeken hoeveel uren werknemers bij [verweerders] in dienst waren en, als in de arbeidsovereenkomsten niets was bepaald over de aard van de te verrichten werkzaamheden, de overeengekomen arbeidsuren (geheel) toe te rekenen aan alle relevante categorieën van werkzaamheden. Daarmee zou namelijk nog niet (beter) in beeld zijn gebracht bij welke categorieën van werkzaamheden de werknemers zijn betrokken.
structureel en stelselmatigbetrokken waren bij werkzaamheden die onder Mt-bedrijfstakregeling vallen, dan wel (2) of de opdrachten door een private of publieke opdrachtgever werden verstrekt. Gelet op het Unis-arrest is bij de toetsing aan het hoofdzakelijkheidscriterium in de Mt-bedrijfstakregelingen niet de maatstaf of de werknemers
structureel en stelselmatigbetrokken zijn bij werkzaamheden die onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen. Evenmin is maatgevend of de opdrachten door een private dan wel een publieke opdrachtgever worden verstrekt.
subonderdeel 3.2 (derde sub-subonderdeel) [46] heeft het hof in rov. 16.5 en 20.6.4 miskend dat het er niet om gaat of het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij de onder de Mt-bedrijfstakregelingen vallende werkzaamheden groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij andere bedrijfstakken (dus in hun totaliteit). Aangevoerd wordt dat het hof had moeten onderzoeken of het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij de onder de Mt-bedrijfstakregelingen vallende werkzaamheden groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij enige andere bedrijfstak (dus bij enige andere afzonderlijke bedrijfstak buiten de Metaal en Techniek). Dezelfde klacht wordt geformuleerd voor de tot 2007 geldende bepaling, waarin het gaat om het aantal werknemers en niet om het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers.
vierde sub-subonderdeel) [51] is gericht tegen rov. 16.6.1-16.6.5, 20.1.2 en 20.3.2. Het sub-subonderdeel verwijt het hof dat het niet op de volgende manieren heeft willen (laten) onderzoeken welke werknemers betrokken zijn bij de werkzaamheden die vallen onder de Mt-bedrijfstakregelingen: (1) aan de hand van een beoordeling van de vraag voor welke werkzaamheden de werknemers structureel en stelselmatig werden ingezet dan wel (2) aan de hand van een beoordeling of de opdrachten in verband waarmee werknemers werkzaamheden verrichten door een private of publieke opdrachtgever werden verstrekt.
structureel en stelselmatigbetrokken zijn bij werkzaamheden die onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen. Evenmin is maatgevend of de opdrachten door een private dan wel een publieke opdrachtgever werden verstrekt.
vijfde sub-subonderdeel) [53] bestrijdt rov. 20.3.3. In dit sub-subonderdeel wordt opgekomen tegen de overweging dat het deskundigenrapport voldoende inzicht geeft in de wijze waarop [verweerders] uitvoering aan de arbeidsovereenkomsten hebben gegeven. Verder is het sub-subonderdeel gericht tegen het oordeel dat het door partijen voorgestane onderzoek een schier onmogelijke opdracht zou betreffen, waarvan de (toch al niet geringe) kosten aanzienlijk hoger zouden zijn dan door de deskundige begroot.
structureel en stelselmatigbetrokken zijn bij werkzaamheden die onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen, en ook niet of de opdrachten door een private of publieke opdrachtgever werden verstrekt.
werknemersdie betrokken zijn bij de in de Mt-bedrijfstakregelingen omschreven werkzaamheden en
werknemersdie betrokken zijn bij werkzaamheden in enige andere tak van bedrijf. De bestreden overweging houdt in alleen dat [verweerders] in hun bedrijfsvoering in zoverre geen onderscheid maakten tussen werknemers, en die overweging is dus niet onbegrijpelijk in het licht van de aangehaalde stelling. Daarnaast is, zoals gezegd (zie 5.14 en 5.26), voor de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium in de Mt-bedrijfstakregelingen niet maatgevend bij welke werkzaamheden de werknemers structureel en stelselmatig betrokken waren.
subonderdeel 3.5raken de vorenstaande subonderdelen bij gegrondbevinding ook de beslissingen die het hof heeft gegeven in rov. 7.6.4, 10.14, 10.32.2-10.32.5, 10.33.2, 10.34, 10.35, 13.3.2, 13.8.1, 13.11.1-13.11.4, 13.12, 13.13.2, 13.14.2, 13.15, 13.17.2, 13.18.3, 13.22, 16.2, 16.3, 20.2, 20.3.1, 20.3.3, 20.4, 20.7-20.10.3, 20.11 en 20.12.1-20.12.5.
derde sub-subonderdeel) dat de beslissing van het hof onjuist of onbegrijpelijk is indien het hof van oordeel is dat het hiervoor bedoelde uitgangspunt dat werkingssfeerbepalingen (als geheel) zoveel mogelijk op elkaar moeten aansluiten, niet (mede) de kennelijke strekking van de Mt-bedrijfstakregelingen zou zijn. [84]
subonderdeel 2.2is het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk omdat het hof bij de uitleg van de werkingssfeerbepalingen in de Mt-bedrijfstakregelingen over de riolering niet kenbaar rekening heeft gehouden met elders in die regeling gebruikte formuleringen. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. De Fondsen hebben zich er mede op beroepen dat in de werkingssfeerbepalingen van de Mt-bedrijfstakregelingen ook wordt gesproken van (werkzaamheden aan) sanitaire installaties of gedeelten daarvan. [85] Het hof heeft in rov. 10.21.1-10.28 vastgesteld dat in de werkingssfeerbepalingen van de Mt-bedrijfstakregelingen wordt gesproken over sanitaire installaties of gedeelten daarvan. Bij de beantwoording van de vraag welke werkzaamheden onder de Mt-bedrijfstakregeling vallen, heeft het hof echter daarmee niet meer (kenbaar) rekening gehouden. Volgens het subonderdeel wordt riolering in verband gebracht met sanitaire installaties en geldt bij sanitaire installaties geen beperking tot werkzaamheden binnen 0,5 meter van de gevel of werkzaamheden die daarmee samenhangen. Daarom zou het voor de hand liggen om onder “hierbij opgedragen werkzaamheden vanaf 0,5 meter tot de perceelsgrens” ook te begrijpen de rioleringswerkzaamheden van 0,5 meter tot de erfgrens zonder dat ook binnen 0,5 meter van de gevel werkzaamheden zijn verricht. [86] Het subonderdeel stelt dat het hof niet duidelijk maakt waarom de werkingssfeerbepalingen van de Mt-bedrijfstakregelingen niet zo kunnen worden begrepen dat alle private rioleringswerkzaamheden onder de Mt-bedrijfstakregelingen vallen nu deze tevens kunnen worden gezien als werkzaamheden aan sanitaire installaties. Daaraan voegt het subonderdeel toe dat de Fondsen hebben aangevoerd dat werkzaamheden aan private riolering (tot aan de perceelsgrens) ook vallen onder werkzaamheden aan sanitaire installaties [87] en dat werknemers van [eiser 4] werkzaamheden verrichten aan sanitaire installaties. [88]
subonderdeel 2.4wordt aangevoerd dat de vorenstaande (sub)onderdelen bij gegrondbevindingen ook de beslissingen raken die het hof heeft gegeven in rov. 10.20, 10.35, 13.8.1, 13.8.2, 13.8.3, 16.6.1, 16.6.2, 20.2, 20.3.2, 20.7, 20.8, 20.11 en 20.12.1-20.12.5.
stelling ivworden alleen vindplaatsen genoemd die in het teken van de verjaringsvraag die inmiddels geen rol meer speelt (zie daarover hierna de bespreking van onderdeel 5).
stelling viiwordt aangevoerd [verweerders] geen eenduidig standpunt hebben ingenomen over de vraag of zij onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen. Die stelling hoefde het hof naar mijn mening evenmin te begrijpen als een persoonlijk ernstig verwijt aan [eiser 4] , [eiseres 5] en de Holding.
betalingsonwil(en dus niet over betalingsonmacht). Hier doet zich dus niet het in lid 2 van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 bedoelde geval voor dat mededeling van betalingsonmacht aan het bedrijfstakpensioenfonds had moeten worden gedaan. De in lid 3 van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 genoemde grond voor aansprakelijkheid van de bestuurder doet zich daarom mijns inziens niet voor en ook het in lid 4 van art. 23 Wet Pro Bpf 2000 genoemde vermoeden (dat het niet betalen van de bijdragen te wijten is aan de bestuurder) vindt om die reden geen toepassing.
Subonderdeel 4.2is gericht tegen het oordeel in rov. 10.8.2 [95] dat een betwisting van [verweerders] dat zij onder de Mt-bedrijfstakregeling vallen niet als het opzettelijk verborgen houden van een schuld kan worden aangemerkt. Volgens het subonderdeel is die beslissing onjuist of onbegrijpelijk als deze zo moet worden begrepen dat [eiser 4] en/of [eiseres 5] en/of Holding niet moedwillig relevante werkingssfeer-informatie hebben achtergehouden. Het hof zou in dat geval hebben miskend dat [verweerders] [96] niet alleen hebben betwist dat zij onder de werkingssfeer van de Mt-bedrijfstakregelingen vallen, maar, naar in subonderdeel 3.3 is aangevoerd, ook hebben geweigerd desgevraagd werkingssfeerinformatie aan de Fondsen te verstrekken, hoewel [verweerders] daartoe wel gehouden zijn.
Subonderdeel 4.3voert aan dat subonderdelen 4.1 en 4.2 bij gegrondbevinding ook de beslissingen in rov. 10.6.2, 10.6.3 en 10.8.3 van het tussenarrest van 26 september 2017 raken.
Subonderdeel 4.4stelt voorop dat het hof in rov. 13.4 van het tussenarrest van 19 februari 2019 onderkent dat de Fondsen [eiser 4] en [eiseres 5] niet alleen aansprakelijk hebben gesteld als bestuurders, maar ook als (voormalig) vennoten van de V.O.F. Volgens het subonderdeel heeft het hof verzuimd een kenbare en toereikend gemotiveerde beslissing te geven op deze door de Fondsen naar voren gebrachte aansprakelijkheidsgrond.
Subonderdeel 4.5betoogt dat de beslissing in rov. 19.7 onbegrijpelijk is als deze zo moet worden begrepen dat de Fondsen alleen vorderingen hebben gericht tegen Onroerend Goed. De Fondsen wijzen erop ook premievorderingen te hebben gericht tegen (a) de voormalige vennoten, geïntimeerden 4 en 5 ( [eiser 4] en [eiseres 5] ), (b) geïntimeerde sub 1 (Onroerend Goed) als (kortweg) hun rechtsopvolger en (c) geïntimeerden sub 1 en/of 2 (Rioolservice en Riooltechniek) (waar de onderneming vervolgens is ondergebracht).
Subonderdeel 4.6stelt dat de vorenstaande (sub)onderdelen bij gegrondbevinding ook de beslissingen in rov. 19.6 en 19.7 raken.
Onderdeel 5is ingesteld onder de voorwaarde dat incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beslissingen van het hof over verjaring in rov. 7.8.7-7.8.16 en/of 10.7.1-10.11 en één of meer van die onderdelen doel treffen.
Onderdeel 6is een restklacht. Hierin wordt aangevoerd dat de vorenstaande onderdelen bij gegrondbevinding ook de beslissingen in rov. 20.13, 20.14 en 20.16-20.18 raken.
subonderdeel 3.1(geheel) en
subonderdelen 2.1, 3.2 en 3.3(gedeeltelijk) gegrond zijn. De
(sub)onderdelen 2.3, 2.4, 3.5 en 6slagen voor zover zij op de gegronde klachten voortbouwen. De overige (sub)onderdelen acht ik ongegrond.
“Omdat het slagen van de incidentele ‘werkingssfeer’-kerngrief reeds leidt tot volledige afwijzing van de eis van de Fondsen, heeft het hof – achteraf bezien – onnodig geoordeeld over de principale ‘geen verjaring’-grieven (dus: de arresten van 7 juni 2016 en 26 september 2017). Nu het hof wèl reeds geoordeeld had over deze principale grieven, rijst de vraag in hoeverre het hof in het principaal hoger beroep toegekomen is aan de positieve devolutieve werking van het hoger beroep en derhalve aan een beoordeling van het in eerste aanleg door [verweerders] gevoerde ‘misbruik van bevoegdheid’-verweer en ‘derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid’-verweer. Dit voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep bevat een klacht met de strekking dat het hof, indien het in het principaal hoger beroep wèl reeds toegekomen zou zijn aan de positieve devolutieve werking van het hoger beroep, ten onrechte niet gerespondeerd heeft op het ‘misbruik van bevoegdheid’- en ‘derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid’-verweer dat [verweerders] in eerste aanleg gevoerd hebben (subonderdeel 1.1), althans dat het hof dit verweer zonder motivering en derhalve ontoereikend gemotiveerd verworpen heeft (subonderdeel 1.2).”