Conclusie
Nummer23/03655
Bewezenverklaring en bewijsvoering
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2022 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in − zakelijk weergegeven − (…):
BFK: foto)
Bewijsoverweging
Schutznorm.
Doodslag in het verkeer
mit der als möglich erkannten Folge nicht einverstanden ist und deshalb auf ihren Nichteintritt vertraut, während der bedingt vorsätzlich Handelnde mit dem Eintreten des schädlichen Erfolges in der Weise einverstanden ist, daß er ihn billigend in Kauf nimmt oder daß er sich wenigstens mit der Tatbestandsverwirklichung abfindet’. Van Dijk meent dat het Bundesgerichtshof met het ‘
einverstanden sein’, het ‘
billigend in Kauf nehmen’en het ‘
sich abfinden mit’volitieve uitdrukkingen gebruikt om het voorwaardelijk opzet te omlijnen. En dat het Bundesgerichtshof ook een volitieve uitdrukking gebruikt om bewuste schuld te omschrijven (‘
nicht einverstanden’). Het ‘
nicht einverstanden’ zijn, aldus nog steeds Van Dijk, wordt vervolgens nader gespecificeerd met de uitdrukking ‘
vertrauen auf’die ‘zowel cognitief als volitief van aard’ is. [8]
NJ-noot – begrijp ik - wel positief; hij las in het arrest ‘nieuwe aandacht voor het psychische aspect van opzet’. Van Dijk is – uitgesproken – positief. Ook ik zie de rechtsregel als een logisch element in een psychische (in tegenstelling tot normatieve) benadering van opzet. En dat is de benadering die uit de wetsgeschiedenis naar voren komt. [16]
Bespreking van het middel
eerstedeelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat er sprake is van een aanmerkelijke kans gelet op de vaststelling dat 'het de avond van Bevrijdingsdag was, zodat ondanks het wat latere tijdstip (extra) rekening moest worden gehouden met verkeersdeelnemers op het fietspad', onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. De stellers van het middel menen dat het hof met zijn overweging abstraheert van de omstandigheden in dit geval. Uit de bewijsmiddelen volgt volgens de stellers van het middel op geen enkele wijze dat het op de bewuste avond druk was ter plaatse of dat het daar drukker had kunnen zijn. Dat zou worden bevestigd door de vaststelling van het hof dat de verdachte gedurende ruim twee minuten met zeer hoge snelheden over meerdere kruispunten (kennelijk probleemloos) heeft gereden.
tweededeelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, waarbij in het bijzonder geldt dat deze bewustheid niet uit de bewijsmiddelen zou volgen. De stellers van het middel wijzen er in dat verband op dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2022 is voorgehouden ‘dat het de nacht van 5 op 6 mei betrof, zijnde de nacht na Bevrijdingsdag en dat om die reden drukte op straat zou kunnen worden verwacht’. En dat de verdachte daarop heeft verklaard dat hij ‘daar niet bij (heeft) stilgestaan’. Voorts klagen de stellers van het middel over ’s hofs oordeel dat de verdachte ‘moet hebben geweten dat hij door het rode licht reed dat al bijna drie minuten op rood stond en dat daar stond omdat daar een fietspad was gelegen’. Volgens de stellers van het middel kan de verdachte niet hebben geweten dat het stoplicht al bijna drie minuten op rood stond en evenmin dat de verdachte wist dat het stoplicht daar stond omdat daar een fietspad lag. Daarbij stond het stoplicht daar volgens de stellers van het middel ook ‘omdat daar een autoweg was gelegen (de Grote Beer) waarvandaan auto’s/vrachtwagens/bussen op de Edisonweg konden komen’.
derdedeelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het 'slechts een beperkt beeld heeft kunnen krijgen' van hetgeen in de verdachte is omgegaan ten tijde van de hem verweten gedraging, onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2023 uitvoerig heeft verklaard over hetgeen in hem is omgegaan, namelijk dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de snelheidsbeperking van 30 km/u na 16:00 uur niet meer gold omdat de wegwerkzaamheden voor die dag dan klaar waren. Gelet op deze verklaring lijkt het hof volgens de stellers van het middel het toepasselijke toetsingskader te hebben miskend. Dat houdt – menen zij - in dat indien de verklaringen van de verdachte
geeninzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan, de beoordeling of er sprake is van bewuste schuld en voorwaardelijk opzet afhangt van de feitelijke omstandigheden van het geval.
vierdedeelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop 'bewust heeft aanvaard' op basis van de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd. In het bijzonder zou volgens de stellers van het middel uit het oordeel van het hof niet kunnen worden afgeleid waarin de aanvaarding zou zijn gelegen van de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop en daarmee waarom geen sprake zou zijn van bewuste schuld. Het hof heeft volgens de stellers van het middel geen concreet rijgedrag in relatie tot de omstandigheden ter plaatse vastgesteld op grond waarvan duidelijk wordt waarin de aanvaarding zou zijn gelegen van de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop. En het hof zou evenmin omstandigheden hebben vastgesteld op basis waarvan kan worden aangenomen dat de verdachte zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere zwakkere verkeersdeelnemers. De stellers van het middel menen dat in de vaststellingen van het hof in feite het oordeel besloten ligt dat de verdachte erop kon vertrouwen dat het funeste gevolg niet zou intreden. Het hof zou niets hebben vastgesteld over omstandigheden die zich tijdens de rit van verdachte hebben voorgedaan op grond waarvan de verdachte kon verwachten dat het funeste gevolg zich zou kunnen voordoen.
vijfdedeelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, te weten het standpunt dat sprake is van contra-indicaties waaruit blijkt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood niet bewust heeft aanvaard, terwijl de motivering die het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd onbegrijpelijk is.