Conclusie
IInleiding
IIBewezenverklaring en strafmotivering
Strafmotivering
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld wegens mensenhandel, gepleegd in vereniging met een ander, waarbij minderjarige slachtoffers werden vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van seksuele uitbuiting. De feiten betroffen onder meer het regelen van onderdak, klanten en het ontvangen van opbrengsten uit seksuele handelingen van het slachtoffer. De strafmaat bedroeg aanvankelijk 30 maanden gevangenisstraf.
De advocaat-generaal stelde zes cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over bewijsminimum, de betekenis van vrijspraak van een medeverdachte, de strafoplegging en overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en cassatie. De Hoge Raad verwierp alle middelen behalve het middel over de termijnoverschrijding in de cassatiefase.
De Hoge Raad oordeelde dat de strafoplegging voldoende gemotiveerd was en dat de vrijspraak van een medeverdachte niet automatisch de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Wel werd geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie met ruim twee maanden aanleiding gaf tot vermindering van de strafduur. De bestreden uitspraak werd vernietigd voor zover het de strafduur betreft en verminderd volgens de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De strafduur is verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, overige klachten zijn verworpen.