Conclusie
Nummer22/04850
Inleiding
De zaak
tweetsdie door de verdachte op zijn (destijds zo geheten) Twitter-account zijn geplaatst. De verdachte was op dat moment raadslid in de gemeente Den Haag en had een Twitter-account met ten minste 31.000 volgers. In hoger beroep waren vier tweets aan de orde, die als drie afzonderlijke feiten (telkens: opruiing tot enig strafbaar feit) waren ten laste gelegd. Het hof heeft de vierde tweet als niet-opruiend beoordeeld en de verdachte van dat feit (feit 3) vrijgesproken. In cassatie gaat het daarom nog slechts om de strafbaarheid van de eerste drie tweets.
rechtspraak.nlgepubliceerde arrest. [1] In de eerste tweet, geplaatst op 14 mei 2018 (feit 1), waren de teksten opgenomen “Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs” en “Moge Allah swt de zionisten vernietigen”. In de tweede en derde tweet, geplaatst op 22 mei 2018 respectievelijk 23 mei 2018 (feit 2), stond telkens de tekst “May Allah swt destroy the zionists”.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
hij op 14 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
hij op 22 en 23 mei 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen en van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
De feiten
Allah moet volgens jou de zionisten vernietigen. Je doet aan sfeermakerij. Je weet dat mensen bereid zijn te sterven voor Allah. Je zet deze mensen aan tot het plegen van terreurdaden. Dat is strafbaar’
Ik zou zeggen: doe aangifte. #succes’
Het eerste middel
Het tweede middel
Ik zou zeggen: doe aangifte. #succes”) zou dan bovendien weer “volgen dat verdachte in de volle overtuiging verkeerde zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbar feit”.
zou kunnenbewegen” tot het begaan van strafbare feiten (mijn cursivering). Deze opvatting impliceert dat de aanmerkelijke kans op een kans (dat anderen iets zouden kunnen gaan doen) moet worden aanvaard, hetgeen vanzelfsprekend een lichter criterium is dan de aanmerkelijke kans dat de uitlating derden
zalbewegen tot het begaan van strafbare feiten. Een bruikbaar, onderscheidend criterium levert dit naar mijn smaak niet op.