Conclusie
social media– bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie, waarbij hij zich volgens het hof heeft schuldig gemaakt aan verscheidene uitingsdelicten: opruien, verspreiden van opruiende geschriften, aanzetten tot haat en, tot slot, smaadschrift. Het hof heeft de verdachte voor zijn rol in de groep mede veroordeeld voor deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van (terroristische) misdrijven.
Tenlastelegging
De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer:
Parketnummer 09/767174-13 (hierna: dagvaarding I)1A (eerste cumulatief/alternatief):
opruiing tot een terroristisch misdrijf
verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal
medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf2B (tweede cumulatief/alternatief):
medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal[…]
Geldigheid inleidende dagvaarding
De advocaten-generaal hebben de bedoeling van de in hoger beroep gevorderde wijziging toegelicht en daartoe voor zover thans van belang – kort en zakelijk weergegeven – betoogd, dat de toevoeging van de zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking”, ziet op de redactie van de tenlastelegging. Er zijn uitvoeringshandelingen en uitingen beschreven die mogelijk op ondergeschikte punten kunnen verschillen van uitvoeringshandelingen en uitingen vermeld in het dossier. Het gedeelte “die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben” is een verwijzing naar het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader van uitingsdelicten.
Het hof overweegt hiertoe het navolgende.
2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf
meermalen, althans eenmaal,
te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f) (ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking
- [...]
- [...]
[Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH]
- [...]
[Volgt opsomming van filmpjes, EH]
Facebookberichten op van of gedeeld door " [verdachte] " en/of " [verdachte] " en/of " [naam 5] " en/of " [betrokkene 22] ", althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:
- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS (IS) en/of Jabhat al-Nusra (Caramel p. 1244-1343 - gehele profiel [naam 3] ), te weten:
- op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd (Caramel p.1351),
- althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.
- Artikel 131 en Pro 47 Wetboek van Strafrecht
- te Den Haag en/of elders in Nederland,
- tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
- meermalen, althans eenmaal,
- een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, te weten het oproepen, tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,
- terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,
- [...]
[Volgt opsomming van lezingen en liederen, EH]
C. diverse filmpjes gemaakt en/of geplaatst en/of gedeeld op/via (hyperlinks naar) de website www.youtube.com, te weten:
- [...]
D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook, te weten:
[Volgt opsomming van berichten en/of filmpjes op dezelfde wijze als weergegeven onder D. in de tenlastelegging van feit 2A, EH]
Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [naam 4] , waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [naam 4] te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani (Caramel p. 1208-1229),
1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijfhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,
in Nederland,
in het openbaar, bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit,
terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,
te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,
in Nederland,
heeft verspreid,
2A (eerste cumulatief/alternatief: medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijfhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,
te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,
door:
A. het beheren van de website [internetsite 1] en op deze website publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:
- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en
- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en "Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”;
- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […]" zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS)
EN
2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaalhij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014, in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,
geschriften en/of afbeeldingen waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,
te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,
heeft verspreid,
terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
A. de website van [internetsite 1] beheerd en publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:
- de videofragmenten “Het graf – Aboe Yazeed” en “Jihaad voor Allah – Aboe Yazeed” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – Aboe Yazeed”
- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en
- berichten op de website www. [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en "Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”,
D. (een) Facebookbericht(en) geplaatst op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of de Facebookpagina “ [naam 5] ”
- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: […] zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS).”
De strijd in SyriëIn dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de Koran en de soenna - staat vermeld. [5] In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.
[...]
In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.
[...]
De
Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic(IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden
“to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.” [6] De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime - kort gezegd - een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.
De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.
Ideologie van geweld door terreurgroepenRelevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de .’ongelovigen’, lees: sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen. Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alléén aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking.
Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen
social media: daarop werden immers foto's van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina's als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.
Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen. Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest. Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.
Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie, die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie, van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen.
mainstreamislam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens, met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande
inner circlevan de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen - aldus nog steeds De Koning - op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Ai Qaida en IS(IS) heeft hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten.
drive by shootings, mensen die worden geïnterviewd terwijl zij hun graf graven en een onthoofding. Het ontgaat het hof dan ook hoe de verdediging kan volhouden dat de verdachte niet wist van wreedheden van ISIS en dat niet “met kennis van nu” moet worden geoordeeld, maar dat bij de beoordeling van de tenlastelegging voor ogen gehouden moet worden dat de onthoofding van James Foley – die wereldwijd de aandacht trok – medio augustus 2014 plaatsvond vlak voor de aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging dat de gruwelijkheden in deze video niet tegen burgers werden begaan, maar tegen militairen en medewerkers van Assad, doet – voor zover juist – als gezegd niets af aan de vaststelling van het hof dat, in de gewapende jihadstrijd in Syrië ter vestiging van een kalifaat misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr werden gepleegd. De door de verdachte hooggeprezen video spreekt wat dat betreft boekdelen.
Feit 1Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 15 september tot en met 23 september 2013 (re)tweets als omschreven in de tenlastelegging heeft geplaatst via zijn Twitteraccount [naam 6] ; op 29 juli 2014 heeft de verdachte op zijn account [naam 7] getweet over een video van IS (IS) die "Salilul Sawaarim 4" zou overtreffen.
De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.
In beginsel zal het hof bij de beoordeling van
social mediaberichten (zoals ook tweets) niet bij elk ten laste gelegd bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is. Uiteraard speelt de inhoud van die afzonderlijke berichten wel een rol, maar doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten
in samenhangbezien.
Het hof overweegt ten aanzien van de tweets op het Twitteraccount [naam 6] het volgende. Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie anders dan de algemene, namelijk om te twitteren. Wel kan een zekere samenhang worden gezien in de onderwerpkeuze maar dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen. Wel kan van drie tweets geplaatst op 19 september 2013 worden gezegd dat die opruiend zijn, in die zin dat zij, in samenhang bezien, het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra verheerlijken op een zodanige wijze, dat iemand er daardoor toe gebracht zou kunnen worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië. Die drie tweets acht het hof, in samenhang bezien, opruiend van aard. Verder is het bericht over een martelaar – een commandant van ISIS die het martelaarschap zou hebben ontvangen, geplaatst op 23 september 2013 – op zichzelf beschouwd opruiend.
Voor wat betreft de ten laste gelegde Facebookberichten van de verdachte geplaatst of gedeeld tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 overweegt het hof het volgende. Blijkens het dossier is de strekking van de berichtgeving over die hele periode hetzelfde, en gaat het over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld. Er is een selectie gemaakt uit de vele berichten “omdat”, aldus het proces-verbaal, “de strekking telkens gelijk is”.
Daarbij merkt het hof nog het volgende op.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij
social mediaer om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.
Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1B (tweede cumulatief/alternatief)
social media(Twitter en Facebook) in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De
social mediawaren immers toegankelijk voor eenieder.
Feit 2Hierboven heeft het hof (onder de overweging ten aanzien van feit 1) aangegeven wanneer er sprake is van opruiing in de zin van de wet en op welke wijze het hof de ten laste gelegde feiten benadert.
A
[internetsite 1]Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in eind april 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen en heeft de site ingericht. Hij was eindredacteur. Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 mei 2013 en 27 augustus 2014 op de website [internetsite 1] zijn geplaatst.
De politie heeft de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014.
Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. [medeverdachte 4] heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis, heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam ' […] ' al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [verdachte] (de islamitische bijnaam van de verdachte) . Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al-Assad” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars.
"Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam. En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij : “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!”
social mediaom gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden met betrekking tot – kort gezegd – de gewapende strijd in Syrië – een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Ook de stelling dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] – voor een Nederlandse site – goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende 'twist' .
De volgende vraag is: was er bij de verdachte sprake van het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] ? Was zijn (intellectuele) bijdrage aan het beheer van deze website van voldoende gewicht?
De verdachte leverde een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van de verdachte waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , [medeverdachte 4] . Er is sprake van medeplegen.
B [I]
Ook over [I] werd overleg gevoerd door de verdachte en [medeverdachte 4] . Uit het dossier blijkt echter niet van een nauwe en bewuste samenwerking op dit punt, en daarom zal de verdachte hiervan worden vrijgesproken.
C Diverse films op de website www.youtube.com
Film ‘Sta op voor Syrië’
Film ‘video Al Adnani’
D Het plaatsen van Facebookberichten
Uit hetgeen op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de door het openbaar ministerie bij requisitoir met name genoemde personen ( [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] ) ten aanzien van in dit onderdeel van de tenlastelegging genoemde gedragingen.
Resteert de vraag omtrent verdachtes handelen ter zake de Facebookpagina's [naam 5] .
[naam 3]’, waarbij dan op beide pagina’s wordt gedoeld.
Is de Facebookpagina
[naam 3], gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend te noemen?
[K], put haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en plaatst onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten en berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Men is ook op zoek naar nieuwe redacteuren en leest dan bij ‘voorwaarden’ (onder meer) “wij delen positief nieuws over #Dawlah_Islamiya en #Jabhat_Nosrah, (…) wij bieden geen podium aan Sjieten, PKK/YPG, FSA/Jahba Islammiyah etc, groepen”.
Voor wat betreft de Facebookberichten genoemd onder D. overweegt het hof nog het volgende.
social media: het gaat erom de aandacht van lezers te trekken en ze tot ‘volgen’ te verleiden en derhalve vervullen ook berichten die mogelijk op zichzelf beschouwd niet opruiend zijn een rol. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt bovendien versterkt door het gegeven dat de ‘content’ (de inhoud van de berichten) permanent is op te roepen.
Het hof zal ten aanzien van het onder D. ten laste gelegde komen tot een bewezenverklaring waarin niet (de categorieën) berichten afzonderlijk zullen worden benoemd en bewezen.
De ten laste gelegde berichten die het openbaar ministerie aan de categorisering ten grondslag heeft gelegd, zijn opruiend, als gezegd omdat zij op een website met een opruiende strekking staan, waarin een en ander in samenhang moet worden bezien. Het hof schaart zich niet (geheel) achter de conclusies die het openbaar ministerie heeft neergelegd in de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging, nog daargelaten dat, meer in het algemeen conclusies zich niet lenen voor bewezenverklaring. Vandaar dat die onderdelen uit de tenlastelegging zullen worden gestreept.
Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 2B (tweede cumulatief/alternatief)
Het hof overweegt dat het onder 2A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De Facebookpagina's van [naam 3] en [verdachte] en de website [internetsite 1] waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.
2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”
Art. 132 Sr Pro:“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. […]
3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”
eerste middelziet op de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 2A en 2B tenlastegelegde feiten, voor zover deze betrekking hebben op “het plaatsen van (een) Facebookbericht(en) [...] op de Facebookpagina “ [naam 5] ”. Het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om in zoverre geen van de door het Openbaar Ministerie op de tenlastelegging geïndividualiseerde berichten bewezen te verklaren, maar wel bewezen te verklaren dat de verdachte zich door het plaatsen van een of meer Facebookberichten op die pagina aan de delicten van art. 131 Sr Pro en art. 132 Sr Pro heeft schuldig gemaakt. Tegen deze beslissing keert het middel zich met twee klachten. Ten eerste zou het hof een uitleg aan de tenlastelegging hebben gegeven die met de strekking ervan en met de bedoeling van de opsteller onverenigbaar is. Ten tweede klaagt het middel – in mijn woorden – dat dit onderdeel van de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, doordat uit de bewijsvoering niet (voldoende) kan worden afgeleid dat de verdachte als pleger dan wel als medepleger verantwoordelijk is voor de op de Facebookpagina [naam 3] geplaatste berichten.
anderedan de tenlastegelegde berichten en dat zou dan tegen de achtergrond van wat het hof ten aanzien van de aan de tenlastegelegde zinsnede “althans uitingen van gelijke aard en/of strekking” heeft overwogen weer tot de slotsom kunnen leiden dat het hof de grondslag van de tenlastelegging, zoals door het hof zelf uitgelegd, heeft verlaten. [14] Het hof heeft echter de bij de wijziging tenlastelegging toegevoegde zinsnede evenmin bewezenverklaard. Noch de gespecificeerde uitingen, noch de algemene subsidiaire “uitingen van gelijke aard en/of strekking” maken dus deel uit van de bewezenverklaring. Dat het hof (ook) niet voor de subsidiaire variant heeft gekozen, laat zich overigens goed verklaren. Uit de nadere bewijsoverwegingen blijkt namelijk dat het hof weliswaar van oordeel is dat de aan de verdachte tenlastegelegde uitingen (deels) kunnen worden bewezenverklaard, maar ook dat het hof welbewust ervan heeft afgezien nader te specificeren van
welkeuitingen het bewezen verklaart dat de verdachte ze – al dan niet in vereniging met een of meer anderen en/of als functioneel dader – op de Facebookpagina [naam 3] heeft geplaatst.
beheervan deze Facebookpagina wordt de verdachte evenwel niet tenlastegelegd. Wat aan hem wordt verweten, is het
plaatsen van opruiende berichten op die pagina, al dan niet in vereniging.
beherenvan die pagina, dan is naar mijn inzicht in zoverre de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Ik meen echter dat een dergelijke bedoeling het hof niet voor ogen heeft gestaan, nu, als opgemerkt, uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat het hof de verdachte het
plaatsenvan één of meer van de berichten op de Facebookpagina [naam 3] aanrekent. Het hof heeft dus kennelijk met zijn bewezenverklaring niet beoogd de verdachte te veroordelen wegens
anderedan de tenlastegelegde gedragingen, zodat derhalve in die zin van een grondslagverlating geen sprake is.
social mediaberichten niet bij elk tenlastegelegd bestand afzonderlijk zal ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is, en dat de inhoud van die afzonderlijke berichten uiteraard een rol [speelt], maar dat doorslaggevend is de vraag wat de strekking van de berichten is
in samenhangbezien. Een stap te ver naar mijn mening, gaat het hof met zijn overweging dat de strekking van een website of een Facebookpagina opruiend is en dat daarom de via dat medium gepubliceerde (tenlastegelegde) uitingen, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het enkele feit dat zij op die website of Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien. En ten aanzien van de berichten op de Facebookpagina [naam 3] overweegt het hof geen van de berichten afzonderlijk te zullen beoordelen – dit is gezien de bewezenverklaring en bewijsvoering geen kennelijke vergissing –, en lijkt het hof ervan te zijn uitgegaan dat – omgekeerd – de context van die opruiende Facebookpagina hier allesbepalend is en dat ten gevolge daarvan elk op die Facebookpagina geplaatst bericht reeds zonder meer opruiend is, ongeacht de inhoud en strekking van dat bericht zelf. Voor de duidelijkheid parafraseer ik de desbetreffende overwegingen van het hof (vgl. randnummer 14). Het hof stelt zich eerst de vraag of de Facebookpagina [naam 3] , gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend is te noemen. Deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord. Het hof stelt vervolgens vast dat deze Facebookpagina onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K] kent, haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen put, die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten plaatst evenals berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Het hof oordeelt dat de pagina opruiend is en de verdachte, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk is. Dan overweegt het hof voor wat betreft de berichten op Facebookpagina [naam 3] genoemd onder D., dat de al eerder omschreven benadering van het hof met zich brengt dat
de tenlastegelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk(mijn cursivering, EH) zullen worden beoordeeld maar
in samenhang. Dat brengt, aldus het hof, vervolgens mee dat tenlastegelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn
vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt en dat ook voor déze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media
.Dit oordeel is, meen ik, minst genomen niet (zonder meer) begrijpelijk. Het laat zich in mijn ogen niet (goed) denken dat een medium (in zijn geheel) van dien aard is dat in elk zich voordoend geval de enkele omstandigheid dat een uiting door middel van dat medium is gedaan, alleen al om die reden zelfstandig een voltooid opruiingsdelict – of breder: een voltooid uitingsdelict – oplevert, zelfs als op zichzelf genomen de inhoud en de strekking van de uiting onschuldig zijn. [16]
plegervan het plaatsen van de individuele berichten moet worden aangemerkt, kan dat niet worden afgeleid uit de door het hof gebezigde bewijsvoering. De bewijsmiddelen houden in zoverre immers slechts in dat de verdachte één van de redacteuren van de Facebookpagina [naam 3] was, dat hij stukken postte op deze pagina, dat tien redacteuren allen onder dezelfde naam postten, dat er dertig tot vijftig berichten per dag werden geplaatst en dat de verdachte de strekking van de pagina en het type berichten dat erop werd geplaatst kende. Daaruit volgt echter niet dat de verdachte de pleger is van het plaatsen van de 25 in de bewijsmiddelen opgenomen berichten op die Facebookpagina.
tweede middelbevat diverse deelklachten die zijn gericht tegen de bewezenverklaringen van de op dagvaarding I onder 1A, 1B, 2A en 2B tenlastegelegde feiten. Gemeenschappelijk aan deze deelklachten is in de kern, dat het hof aan de in de bewezenverklaring van de op dagvaarding I onder feit 1A en 2A tenlastegelegde feiten voorkomende woorden “heeft opgeruid tot enig strafbaar feit”, respectievelijk de in de bewezenverklaringen van de op de dagvaardingen I onder feit 1B en 2B tenlastegelegde feiten te lezen zinsnede “waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid”, een onjuiste, want te ruime, uitleg zou hebben gegeven, althans het oordeel dat van “opruien tot enig strafbaar feit” sprake is, mede in het licht van de dienaangaande door de verdediging gevoerde verweren, onbegrijpelijk zou zijn of ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
het plegen vanenig strafbaar feit, opdat ook bijvoorbeeld de opruiing tot medeplichtigheid als misdrijf strafbaar zou zijn. [23] Over de keuze voor strafbaarstelling van opruiing tot enig strafbaar feit, houdt de memorie van toelichting nog in:
leges imperfectae) en behoort ook de opruijing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te wezen. Er bestaat geen regtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruijing tot eene daad die zelve straffeloos is.” [24]
Art. 131. De Hooge Raad besliste o. a. bij arrest van 17 November 1890 (
Weekblad van het Rechtn°. 5967):
1°. dat bij art. 131 niet Pro. strafbaar is gesteld de opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wet tegen welker overtreding geen straf is bedreigd;
2°. dat voor de toepasselijkheid van dit artikel bij de opruiing rechtstreeks een bepaald strafbaar feit, zij het ook niet door eigen woorden der wet, moet zijn aangeduid.
Volkomen terecht. Het artikel handelt alleen over opruiing tot een
strafbaarfeit en de wetgever wilde zelfs niet verder gaan, want de Memorie van Toelichting tot dit artikel zegt: “Het is ook niet raadzaam afzonderlijk melding te maken van opruiing tot ongehoorzaamheid aan de wetten, verordeningen of beschikkingen van het bevoegd gezag. Immers voor zoover de niet-naleving van deze voorschriften met eenige straf bedreigd wordt, is elke daarmede strijdige handeling een strafbaar feit en bijgevolg de opruiing tot zoodanige handeling reeds krachtens art. 140 (131) strafwaardig. En indien aan deze voorschriften de strafbedreiging ontbreekt behelzen zij geen dringend verbod (leges imperfectae) en behoort ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan die voorschriften straffeloos te zijn. Er bestaat geen rechtsgrond om straf te bedreigen tegen de opruiing tot een daad, die zelve straffeloos is”.
Bij de toelichting van art. 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsch-Indië, dat in den hierbedoelden zin eene uitbreiding bevat van art 131 van Pro het Nederlandsche Strafwetboek, wordt dit laatste argument bestreden met de volgende opmerking: "Genoemd bezwaar dat er geen rechtsgrond zoude bestaan om in de bedoelde gevallen straf te bedreigen, achten we dan ook in de algemeenheid minder juist. Waar het toch geldt de bestraffing van misdrijven tegen de "openbare orde" begaan, kan het, ook uit een zuiver rechtskundig oogpunt bezien, geene bedenking hebben ook de opruiing tot ongehoorzaamheid aan wettelijke voorschriften of wettelijk verbindende ambtsbevelen tot een misdrijf te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve niet strafbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees bestaat dat een dergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde zal leiden”.
En dit laatste is niet alleen in de Indische maar ook in de Nederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft ook hier te lande geleerd, dat tot bescherming der orde in de samenleving het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. Tegenover de meest gevaarlijke opruiing, die strekt tot omverwerping der bestaande maatschappelijke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden machteloos. Op allerlei wijze kan de algemeene rechtsveiligheid worden bedreigd en in gevaar gebracht door eene opruiing in algemeene termen, zonder dat deze onder art. 131 valt Pro.
Hierin ligt een afdoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding van het artikel. Tot welk gewelddadig verzet in het openbaar ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien maar niet een bepaald strafbaar feit daarbij wordt aangeduid.
De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opruiing strafbaar te stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een feit in strijd met een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande rechtsorde.” [29]
strafbaarfeit, waaruit volgt, dat daarbij zoodanig bepaald feit, al is het niet noodig daartoe de juiste woorden der wet te gebruiken, moet zijn aangeduid, en dat alzoo in dien zin
rechtstreekseen strafbaar feit moet zijn aangewezen, waartoe wordt opgeruid.” [66] Dat opruiing
in die zinvereist dat rechtstreeks een strafbaar feit wordt aangewezen
,dus in de zin dat een bepaald strafbaar feit wordt aangeduid, zij het niet noodzakelijk met de juiste woorden der wet, werd nadien vaste rechtspraak. [67]
NJ1922, p. 177 e.v. van belang, ofschoon het een geval van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag betrof. Bewezenverklaard was dat de verdachte op een openbare vergadering werklozen had aangespoord tot bezetting van openbare gebouwen. Geklaagd werd onder meer dat het ‘bezetten’ van een gebouw zeer goed mogelijk is zonder enig geweld. De Hoge Raad legt echter uit dat het gaat om een bezetting van overheidsgebouwen die volstrekt niet onbezet zijn. Vervolgens overweegt hij dat de met openbaar gezag beklede personen de inbezitneming van die gebouwen niet zullen mogen dulden en ook niet zullen dulden. Omdat deze bezetting derhalve “niet denkbaar is zonder gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, is die aansporing terecht als eene strafbare opruiing aangemerkt”, aldus de Hoge Raad. [69] Het arrest laat zien dat ook van strafbare opruiing sprake kan zijn indien de in de uitingen omschreven daden waartoe wordt aangespoord zelf weliswaar niet zonder meer een “gewelddadig optreden” (of “enig strafbaar feit”) behelzen, maar het niet denkbaar is, of het niet anders kan zijn dan, dat de uitvoering ervan met gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag respectievelijk met enig strafbaar feit gepaard zal gaan.
elkevorm van verheerlijking, vergoelijking, bagatellisering of – wat zij noemt – propaganda ook zonder meer opruiend is in de zin van art. 131 Sr Pro en art. 132 Sr Pro. Dat komt mij juist voor: opruien, aansporen en aanzetten zijn niet hetzelfde als verheerlijken of aanprijzen. Daar staat echter tegenover dat de reden dat het tot een nieuwe strafbaarstelling als hier bedoeld tot op heden niet is gekomen in belangrijke mate erdoor is ingegeven dat de verantwoordelijke ambtsdragers en parlementariërs van oordeel zijn (geweest) dat zo een strafbaarstelling niet nodig is. Niet omdat verheerlijking, vergoelijking en bagatellisering nooit strafwaardig zouden (kunnen) zijn en nooit strafrechtelijke vervolging zouden rechtvaardigen, maar omdat een dergelijke strafbaarstelling overinclusief is, terwijl de strafwaardige varianten van verheerlijking en propaganda ook thans al vervolgbaar zijn, onder meer op grond van art. 131 Sr Pro en/of art. 132 Sr Pro. Dat men bedenkingen heeft bij een aanvullende strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme als zodanig, betekent – ik zou zeggen: uiteraard – niet dat die verheerlijking van terrorisme in het geheel niet strafbaar is.
bepaaldstrafbaar feit een
rechtstreeksverband” moet bestaan, hetgeen in dit geval niet kan worden bewezen, (ii) dat verheerlijking en propaganda niet onder opruiing vallen en (iii) het opzet van de verdachte niet op het opruien tot een terroristisch misdrijf was gericht.
enkelerijp maken van de geesten of het
enkeleuitspreken van bewondering
in alle gevallenopruiend is, berust dit betoog op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof. [75] Kennelijk heeft het hof bedoeld tot uitdrukking te brengen dat indien wordt beoogd de geesten rijp te maken – door bewondering en verheerlijking – voor strafbare feiten zonder dat letterlijk (in de vorm van een bevel of aanmoediging bijvoorbeeld) wordt aangespoord, zulks onder omstandigheden toch opruiend
kanzijn. Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, acht het hof dus het uiten van grote waardering en bewondering – in casu voor strijders van terreurgroepen in Syrië – onder omstandigheden opruiend. Hetzelfde kan gelden voor het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd, mits het gaat om “een zodanig intense bewondering” dat deze op zichzelf “aanzet tot navolging”. Aldus, enigszins welwillend begrepen, heeft het hof in zijn vooropstellingen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de werkwoordsvorm van opruien, zoals deze voorkomt in art. 131, eerste lid, Sr en art. 132, eerste lid, Sr. Ook niet omtrent de verhouding tussen verheerlijken en opruien.
,maakt dit op zichzelf niet anders. Alhoewel ik de steller van het middel tot op zekere hoogte goed kan volgen, voor zover zij klaagt dat in de benadering van het hof ogenschijnlijk niet de uitingen zelf maar de context van de uitingen beslissend zijn geacht en aldus teveel gewicht aan de context van die uitingen is toegekend, [77] herken ik in die benadering toch al met al geen onjuiste rechtsopvatting. Bij zijn beoordeling heeft het hof niet alléén de context van de uitingen betrokken, maar speelt – naar het hof met zoveel woorden overweegt – de inhoud van de afzonderlijke berichten ook een rol. Onder meer uit de gegeven deelvrijspraken leid ik af dat het hof uiteindelijk toch – als gezegd: de berichten op de Facebookpagina [naam 3] uitgezonderd – per uiting afzonderlijk heeft vastgesteld dat zij in hun context van samenhangende opruiende berichten bezien opruiend zijn. In zijn algemeenheid zijn die oordelen dat de uitingen ”opruien” niet onbegrijpelijk, terwijl mij op basis van het middel en de toelichting daarop niet duidelijk wordt welke uitingen ten gevolge van de benadering van het hof volgens de steller van het middel ten onrechte of onbegrijpelijk als opruiend zijn aangemerkt.
social media-account bezien, spreekt.
altijdhet plegen van terroristische misdrijven inhoudt”, aldus de steller van het middel. [80]
NJ1938/191 al uitgemaakt dat niet hoeft te worden vastgesteld dat bij de verdachte wetenschap bestond dat het feit waartoe wordt opgeruid een strafbaar feit is. In het verlengde daarvan behoeft, naar het mij toeschijnt, de verdachte ook geen opzet erop te hebben dat het feit waartoe hij opruit een terroristische misdrijf is.
derde middelklaagt met meerdere (deel)klachten dat het hof de op dagvaarding I onder 3A tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en/of de op dagvaarding I onder 3B tenlastegelegde “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, ten onrechte heeft bewezenverklaard, althans het deze bewezenverklaring(en) niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed.
3A (eerste cumulatief/alternatief): deelname aan een terroristische organisatie
B. het verspreiden van geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt en
Feit 3[...]
Criminele organisatie
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende.
Samenwerken in gestructureerd verbandHet hof stelt voorop dat van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur onder meer kan worden gesproken wanneer twee of meer personen een gezamenlijk doel hebben waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.
Er werd op de rekening van de Stichting geld ingezameld voor strijders in Syrië en er werd overleg gevoerd over de verdeling van geld ter plaatse.
Al met al is naar het oordeel van het hof sprake van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 Sr.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in het openbaar is opgeruid en dat in het openbaar opruiende teksten, berichten en films zijn verspreid, waarin het martelaarschap in het kader van de gewapende jihadstrijd in Syrië werd verheerlijkt en mede daardoor werd aangezet tot meedoen aan die strijd. Dit heeft in elk geval op
social mediaplaatsgevonden. Verder is actie ondernomen om strijders te werven voor de gewapende strijd en ook om die strijd te financieren.
social media– bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie.
enkelecontact houden met iemand die
sympathieën heeftmet de jihad buiten de reikwijdte van het nieuwe art. 205, eerste lid, Sr valt. [85]
terroristischemisdrijven moet hebben bevorderd (en hij in algemene zin wist van het oogmerk op
terroristischemisdrijven van de organisatie).
terroristischemisdrijven. In een aantal van die zaken was, evenals in de onderhavige zaak, aan de verdachte tenlastegelegd dat hij had deelgenomen zowel aan een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr als aan een organisatie als bedoeld in art. 140a, eerste lid, Sr. [96] In zijn arresten in die zaken problematiseert de Hoge Raad niet de samenloop tussen de 140-organisatie en de 140a-organisatie. De Hoge Raad geeft een oordeel over de vraag of de verdachte door te handelen hoe hij heeft gedaan daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van “het binnen de organisaties bestaande oogmerk”. [97] In het bijzonder relevant is de Hofstadgroep-zaak met vindplaats HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178,
NJ2012/658. De bewezenverklaring hield diverse niet-terroristische misdrijven in, waarop de organisatie het oogmerk had. Het terroristisch misdrijf betrof “bedreigingen met een terroristisch misdrijf”. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond, dat hij naar zulke bijeenkomsten wel eens gewelddadig beeldmateriaal meebracht en actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld "How to catch a wolf", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen. A-G Machielse concludeerde dat het hof hieruit kon afleiden dat de verdachte “een aandeel heeft gehad in gedragingen die verband hielden met
de misdrijven[mijn cursivering, EH] waarop het oogmerk van de organisatie was gericht en de realisering van deze misdrijven daadwerkelijk heeft ondersteund.” [98] De slotsom van de Hoge Raad luidde dienovereenkomstig dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van
het binnen de organisaties bestaande oogmerk[mijn cursivering, EH] en derhalve aan die organisaties heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis” niet onbegrijpelijk was en het middel faalde. Onbesproken blijft of en, zo ja, waarom uit de in het arrest opgesomde gedragingen van de verdachte kon worden afgeleid dat hij een aandeel had in, of ondersteunde, gedragingen die
specifiekbetrekking hadden op het oogmerk van de organisatie op bedreigingen met een terroristisch misdrijf. Omdat ik dat aandeel ook niet direct zie, houd ik het ervoor dat voor “deelneming” aan een organisatie die het oogmerk heeft op misdrijven én op terroristische misdrijven, niet is vereist dat de verdachte een aandeel heeft in, of ondersteunt, gedragingen die strekken tot verwezenlijking van of rechtstreeks verband houden met het oogmerk van de organisatie op de terroristische misdrijven. Die benadering sluit aan bij de ten aanzien van een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr en het oogmerk op uiteenlopende misdrijven gekozen lijn.
onder meererin dat hij bestuurder was van de [C] , de huurovereenkomst voor het pand van de Stichting namens die Stichting is aangegaan, dat hij betrokken was bij de website [internetsite 1] , contact onderhield met strijders in Syrië, als woordvoerder van de organisatie naar buiten trad, een aantal van de openbare bijeenkomsten (mede) organiseerde en dat hij – ik voeg toe: onder meer door het plegen van uitingsdelicten – een aanzienlijke rol had bij het uitdragen van de denkbeelden van de organisatie. Die vaststellingen vinden steun in de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen houden over de rol van de verdachte meer in. Zonder volledig te willen of hoeven zijn, noem ik:
vierde middelklaagt dat de bewezenverklaring van het op dagvaarding II onder 1A aan de verdachte tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan volgen dat de bewezenverklaarde uiting ‘aanzet tot haat’ tegen mensen wegens hun ras en/of godsdienst in de zin van art. 137d, eerste lid, Sr.
1A (eerste cumulatief/alternatief: aanzetten tot haat, discriminatie en geweld door twee of meer verenigde personenhij op meerdere tijdstippen op 4 juli 2014 en 24 juli 2014
te Den Haag
- “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa ya'ud",
- althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
- “127.
- De uitspraak die aan mij wordt toegeschreven is: ‘Khaybar Khaybar ya Yahoud, Jaysh Muhammed sa ya’oud.’ Deze heb ik inderdaad uitgesproken. De vertaling kan als volgt weergeven worden: ‘Khaybar Khaybar O joden, het leger van Muhammed zal wederkeren.’
- 128. Een
- als
- Op vrijdag 4 juli 2014 vond in de gemeente Den Haag een demonstratie c.q. manifestatie plaats. Deze was aangemeld door [verdachte] . De demonstratie c.q. manifestatie vond plaats aan het Hobbemaplein.
- 129. Een
- als
- Ik heb samen met een gecertificeerde tolk de beelden bekeken die door TV West zijn gemaakt op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein te Den Haag tijdens een pro-ISIS demonstratie.
- Tijdens de demonstratie wordt door een voor mij onbekende man (NN1) het volgende gescandeerd:
- Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud’.
- Dit wordt meerdere malen herhaald door NN1 en nagezegd door meerdere demonstranten.
- De tolk gaf aan dat de tekst het volgende betekent: ‘Khaybar, Khaybar, Joden, het leger van Mohammed zal terugkeren’.
- Aan het einde van het filmpje worden wederom bovenstaande woorden gescandeerd. Op dat moment heeft een voor mij onbekende man (NN2) de microfoon in zijn handen en roept deze woorden. De woorden worden door meerdere demonstranten herhaald, waaronder NN1.
- als
- Ik herkende de persoon als NN2 aangeduid in het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2014142552-2 aan de hand van het filmbeeldmateriaal van de betoging op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein. Ik herkende NN2 als zijnde: [verdachte] .
- 131. Een
- als de op 6 juli 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 23] :
- Ik doe aangifte van bedreiging van een bevolkingsgroep en van discriminatie vanwege de uitspraak/uitspraken die zijn gedaan tijdens de demonstratie op 4 juli 2014 op het Hobbemaplein te Den Haag.
- Ik doe aangifte omdat de volgende uitspraken bedreigend cq discriminerend zijn:
- Khabar khabar ya Yahudm Yaish Muhammad Sawa ya'ud.
- De letterlijke vertaling is:
- Joden herdenk Khabar, de troepen van Muhammed komen er aan.
- 132.
- als
- Op donderdag 24 juli 2014 vond in de gemeente Den Haag een demonstratie c.q. manifestatie plaats. Deze was aangemeld door [verdachte] . De demonstratie c.q. manifestatie vond plaats aan de Hoefkade.
- als
- Op 24 juli 2014 werd door [verdachte] op de Hoefkade te Den Haag een demonstratie georganiseerd.
- Rond 18:50 uur ving de demonstratie aan. Ik zag hierbij dat [verdachte] zich op het trottoir van de Hoefkade liet omcirkelen door meerdere demonstranten.
- Ik zag demonstranten geplastificeerde A4tjes uitdelen aan omstanders. Een aantal van deze mensen deed ook feitelijk mee aan het scanderen van teksten.
- 134.
- als
- Op 24 juli 2014 bevond ik mij op de Hoefkade te Den Haag.
- Ik herkende binnen de groep demonstranten de mij ambtshalve bekende [verdachte] . [verdachte] was gekleed volgens Orthodox Islamistische stijl. Hij droeg een crèmekleurig gewaad bestaande uit een lang shirt en een boek met de pijpen boven de enkels.
- Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jais Muhammad, sa yahud.
- Ik heb [verdachte] recht aan kunnen kijken en ik zag dat hij de uitspraak Khaybar, Khaybar, ya yahud, Jais Muhammad, sa yahud deed. Ik zag en hoorde dat de groep om hem heen deze uitspraak herhaalde.
- 135.
- Ik bekeek een uitzending van Nieuwsuur waarin een reportage werd uitgezonden samen met een tolk. Gedurende deze reportage werden ook beelden van de demonstratie van 24 juli 2014 uitgezonden. Ik zag dat een gedeelte van de toespraak van [verdachte] werd uitgezonden. Ik zag het volgende:
- [verdachte] staat op het trottoir van de Hoefkade en wordt door demonstranten en/of omstanders omringd. Hij heeft een microfoon in zijn hand en spreekt daardoor. Vervolgens wordt door meerdere personen de Arabische tekst geroepen: “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa sa'ud!”
- Hierbij zie ik dat [verdachte] met de microfoon in zijn hand van links naar rechts draait. Hierbij zie ik dat hij de microfoon voor zijn mond houdt. Hierbij zie ik hem de tekst “Khaybar, Khaybar, ya yahud, jaishu Mohammed sa sa'ud!” meespreken.
- 136.
- Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
- Khaybar Khaybar, ya Yahud, jaysh Muhammad sa-yahud (moet zijn: ya'ud), Khaybar Khaybar, o joden, het leger van Muhammad zal terugkeren.
- Dit was een leuze geroepen tijdens een demonstratie in Den Haag.
- Deze uitspraak zou opgevat kunnen worden als haat zaaien tegen of bedreiging van joden: de spreker roept dat in de toekomst moslimmilitanten de joden zullen verslaan zoals ze dat ook tijdens het leven van Mohammed eens gedaan hebben.”
- 107. Met betrekking tot het bewijs van het op dagvaarding II onder 1A aan de verdachte tenlastegelegde feit heeft het hof in zijn uitspraak het volgende overwogen:
- “
- Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vanwege het tonen/dragen van de zogenoemde IS vlag/zegelvlag tijdens de bijeenkomsten op 4 juli 2014 en 24 juli 2014 in Den Haag heeft aangezet tot haat tegen Joden dan wel discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden dan wel Joden heeft beledigd.
- Dat die vlag in zijn algemeenheid wordt gebruikt als symbool van een terroristische organisatie, met een gedachtengoed dat uitgaat van een discriminatoire behandeling van anders gelovigen zoals door de advocaten-generaal is betoogd, is daarvoor onvoldoende. Ook wanneer de uitlatingen die gedaan zijn in samenhang met die vlag worden beschouwd is dat naar het oordeel van het hof onvoldoende om met betrekking tot die vlag tot een veroordeling van de verdachte te komen.
- De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.
- Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat de verdachte op beide data samen met anderen “Khaybar Khaybar, ya yahud, Jaish Muhammad, sa yahud” heeft geroepen en dat hij zelf op 24 juli 2014 ook “Moeten de effecten van de Europeanen voelen door onze eigen heilige land aan die vuile Joden te geven” heeft geroepen.
- Naar het oordeel van het hof is er geen bewijs, op grond waarvan de verdachte mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor de leuzen die op 24 juli 2014 daarna door anderen zijn geroepen en die in de tenlastelegging staan vermeld, welke leuzen zonder meer aangemerkt moeten worden als aanzettend tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen Joden en als beledigend voor Joden.
- Er zijn geen wettige bewijsmiddelen in het dossier voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met degenen die die leuzen hebben geroepen. Een al dan niet stilzwijgende afspraak of een vorm van taakverdeling is niet komen vast te staan.
- De twee leuzen die door de verdachte zelf zijn geroepen zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat van een belediging als bedoeld in artikel 137c Sr kan worden gesproken.
- De verdachte zal daarom van het hem onder 1B ten laste gelegde worden vrijgesproken.”
States Parties condemn all propaganda and all organizations which are based on ideas or theories of superiority of one race or group of persons of one colour or ethnic origin, or which attempt to justify or promote racial hatred and discrimination in any form, and undertake to adopt immediate and positive measures designed to eradicate all incitement to, or acts of, such discrimination and, to this end, with due regard to the principles embodied in the Universal Declaration of Human Rights and the rights expressly set forth in article 5 of this Convention, inter alia:
(b) Shall declare illegal and prohibit organizations, and also organized and all other propaganda activities, which promote and incite racial discrimination, and shall recognize participation in such organizations or activities as an offence punishable by law;
(c) Shall not permit public authorities or public institutions, national or local, to promote or incite racial discrimination.” [105]
(9) Met „haat” wordt bedoeld haat, ingegeven door ras, huidskleur, godsdienst, afstamming of nationale of etnische afkomst.
[...]
Artikel 1 Delicten Pro die verband houden met racisme en vreemdelingenhaat
1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:
a) het publiekelijk aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd;
[...]”
On hate speech” aangenomen, waarin de regeringen worden opgeroepen om ter bestrijding van hate speech de benodigde maatregelen te nemen. In die aanbeveling moet de term hate speech “be understood as covering all forms of expression which spread, incite, promote or justify racial hatred, xenophobia, anti-Semitism
or other forms of[mijn cursivering, EH] hatred based on intolerance, including: intolerance expressed by aggressive nationalism and ethnocentrism, discrimination and hostility against minorities, migrants and people of immigrant origin.” [115] Dat is een brede definitie, waaronder dus in elk geval alle vormen van xenofobie en – voor de beoordeling van het middel vooral van belang – antisemitisme moeten worden begrepen.
gevoel van diepe afkeer, gepaard met verlangen om die persoon te zien ondergaan, al of niet ook om hem leed te doen”. In de Duitse juridische literatuur vinden we haat omschreven als heftige emotionele gevoelens van vijandschap. Remmelink benoemt ‘haat’ in de context van art. 137d Sr als “
verachting of een prijsgeving aan de verachting”. [119] Fennema beschrijft haat als “
een (collectief) gevoel of dispositie”. [120] Gemeenschappelijk aan deze omschrijvingen is dat een gevoel centraal staat. Ook bij de beschrijving die Van Stokkom et al. geven, komt een gevoel naar voren: aanzetten tot haat is “
het (opzettelijk) agiteren, het opruien door openlijk uiting te geven aan vijandschap of grove minachting”. [121] Het gaat, deze omschrijvingen overziende, om “
het bezigen van uitdrukkingen die geëigend zijn om gevoelens van haat op te roepen of te versterken” [122] .”
isaangezet, dat wil zeggen daadwerkelijk de beoogde, hevige emotie heeft gevoeld, maar enkel of de uiting kan worden geacht in zijn algemeenheid geschikt te zijn om bij een toehoorder gevoelens van haat tegen de groep mensen teweeg te brengen of te versterken.
diepeafkeer, of een diepgewortelde verachting, te bewegen of om zo een hevige emotie te versterken. [124]
vijfde middelricht diverse klachten tegen het oordeel van het hof dat “het bewezenverklaarde” [129] strafbaar is. De kern van de klachten is dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet worden beschermd door de vrijheden van godsdienst en meningsuiting getuigt van één of meer onjuiste rechtsopvattingen, althans op één of meer onderdelen mede in het licht van de door de verdediging gevoerde verweren onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuitingNamens de verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting (artikel 9 en Pro 10 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Het beroep stuit naar het oordeel van het hof af op artikel 17 EVRM Pro. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat de verdachte de vrijheid van meningsuiting heeft ingezet voor doeleinden die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM: zij hebben, geïnspireerd door religieus fundamentalisme, aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin altijd terroristische misdrijven worden gepleegd. Dat kan worden gekwalificeerd als te zijn gericht op de vernietiging van de in het Verdrag beschermde rechten en vrijheden. Daarom ontvalt aan hem al bij voorbaat de bescherming van artikel 9 en Pro 10 EVRM (vergelijk ook EHRC 2017/169. EHRM, 27-6-2017, 343678/14).
Het hof overweegt daarbij nog, dat ook een materiële toets op basis de artikelen 9 en 10 EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Het EVRM zelf en de beperkingssystematiek van het EVRM brengen dat met zich mee. Volledigheidshalve zal het hof de daaromtrent gemaakte afwegingen hieronder weergeven.
Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op artikel 9 EVRM Pro (godsdienstvrijheid), dat bescherming biedt aan uitingen voor zover zij naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging vormen. De bewezenverklaarde uitingen die oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd – en dus opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden – kunnen naar objectieve maatstaven niet worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst.
De verdediging heeft verder bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door artikel 10 EVRM Pro. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepaling toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheid vormt.
Toetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.
ratione materiaeonverenigbaar is met het Verdrag. [135] Gelet op het doel van de bepaling en de ingrijpende consequenties van de toepassing ervan, kan de verdragsbepaling volgens het EHRM alleen directe toepassing vinden “on an exceptional basis and in extreme cases”. [136] De Hoge Raad heeft dit laatste eveneens benadrukt. [137]
Belkacem/België. [146] Belkacem, ten tijde van de feiten leider en woordvoerder van de organisatie Sharia4Belgium, klaagde in Straatsburg dat zijn recht op vrije meningsuiting was geschonden bij de strafvervolging ter zake van door hem op YouTube geplaatste video’s. In deze video’s riep hij op om niet-moslims te “domineren” en te “bestrijden”. Het EHRM overweegt niet te twijfelen aan de haatdragende strekking van zijn boodschap en sluit zich aan bij de nationale rechter die had vastgesteld dat de klager trachtte haat, discriminatie en geweld te zaaien tegen alle personen die geen moslim zijn. Een dergelijke algemene en heftige aanval acht het EHRM in tegenspraak met de aan het Verdrag ten grondslag liggende waarden van tolerantie, sociale vrede en gelijkheid. Met betrekking tot de door Belkacem uitgedragen wens Sharia te vestigen, stelt het Hof de zaak vervolgens tegenover
Gündüz/Turkije, waarin het Hof eerder had geoordeeld dat het enkele verdedigen van de Sharia, zonder oproep tot geweld om deze te vestigen, niet als
hate speechkan worden beschouwd. [147] In
Belkacemis van zo een oproep tot geweld wél sprake. Het EHRM verklaarde de klager op grond van art. 17 EVRM Pro niet-ontvankelijk.
Roj TV A/S/Denemarken. [148] De klager in die zaak is een Deens(e) bedrijf en televisiezender. Nadat Turkse autoriteiten zich over de zender hadden beklaagd en in Duitsland reeds een verbod op de zender was uitgevaardigd, is het bedrijf in Denemarken vervolgd en veroordeeld voor het ‘promoten’ van een binnen Europa algemeen als terroristisch beschouwde organisatie, te weten de Koerdische PKK. De Deense rechter stelde vast dat de klager via de televisie-uitzendingen gedurende vier jaar “had promoted the PKK’s terror operation”. De feitenrechter oordeelde dat de eenzijdige verslaggeving met “repetitive incitement to participate in fights and actions, incitement to join the organisation/the guerrilla, and the portrayal of deceased guerrilla members as heroes, amounted to propaganda for the PKK, and that it could not only be considered a declaration of sympathy.” Geconstateerd was ook dat de klager in die jaren in significante mate werd gefinancierd door de PKK. Het EHRM benadrukt vervolgens dat de nationale rechter de televisie-uitzendingen uitvoerig heeft bestudeerd en de zaak in drie instanties heeft beoordeeld, waarbij ook het recht van de verdachte op vrije meningsuiting is betrokken. Na het beoordelingskader voor toepassing van art. 17 EVRM Pro te hebben vooropgesteld, verklaart het Hof de klacht
ratione materiaeniet-ontvankelijk. Daartoe hecht het veel gewicht aan de vaststelling van de nationale rechter. Het EHRM komt tot de conclusie dat:
Ibragim Ibragimov e.a./Rusland. [149] In die zaak leidde noch directe toepassing noch indirecte toepassing van art. 17 EVRM Pro het EHRM tot de slotsom dat art. 17 EVRM Pro aan een beroep op het EVRM in de weg stond. Integendeel, het EHRM constateerde een schending van art. 10 EVRM Pro. Over het onderzoek van de nationale rechter in die zaak was het Straatsburgse Hof duidelijk niet ingenomen. [150] De nationale rechter had boeken als ‘extremistisch’ gekwalificeerd, maar zich daarbij vrijwel geheel verlaten op het oordeel van een deskundige zonder zelf te identificeren
welkeuitingen in die boeken extremistisch waren. Voor zover wel kon worden opgemaakt welke concrete uitingen waren bedoeld, kon het EHRM de kwalificatie als extremistisch niet volgen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het EHRM niet toestaat dat de nationale rechter, die concrete uitingen heeft geïdentificeerd en niet-onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat zij in onderlinge samenhang bezien aanzetten tot geweld, niet zou mogen beslissen dat deze uitingen op grond van art. 17 EVRM Pro collectief geen bescherming aan het EVRM kunnen ontlenen.
Met de staatscommissie en de indieners van wetsontwerp 11 051 beantwoorden wij de vraag ontkennend.
Vooreerst kan men betwijfelen of een grondwetsartikel op dit stuk een maatschappelijke of politieke ontwikkeling als hier bedoeld kan tegenhouden. Verder bieden de beperkingsclausules van de verschillende artikelen – gewezen zij bijv. op de artikelen 1.7 en 1.8 – reeds de nodige mogelijkheden om bepaalde maatregelen te treffen, indien dat ooit wenselijk mocht worden.” [151]
In de memorie van toelichting is er reeds op gewezen, dat de beperkingsclausules voldoende mogelijkheden inhouden om de in dit opzicht noodzakelijke maatregelen te treffen. Van die mogelijkheid is reeds in verschillende gevallen gebruik gemaakt, zoals ook in het voorlopig verslag wordt opgemerkt. Wij wijzen hierbij nog op het volgende.
In het wetsontwerp zijn alle grondrechten, welke de burger het recht tot bepaalde gedragingen verschaffen, voorzien van een beperkingsclausule. Dit brengt mee, dat de wetgever de uitoefening van een grondrecht, ook wanneer daardoor iemand anders in zijn grondrecht wordt aangetast, aan beperkingen kan onderwerpen. Deze mogelijkheid heeft de wetgever, zoals reeds werd opgemerkt, op verschillende wijzen benut. Belangrijke voorbeelden daarvan biedt het Wetboek van Strafrecht, waarin tal van strafbaarstellingen voorkomen welke (mede) dienen om de burgers in hun grondrechtelijke belangen te beschermen. Gewezen zij onder meer op de artikelen 137c en volgende, welke tot doel hebben het recht om niet naar ras gediscrimineerd te worden te beschermen tegen een te ver gaande uitoefening van het recht gedachten of gevoelens te openbaren. Een ander voorbeeld biedt artikel 1401 Burgerlijk Pro Wetboek. Dit artikel, dat gericht is tegen het begaan van onrechtmatige daden, kan ook in die gevallen worden ingeroepen waarin de betreffende daad wordt verricht in de uitoefening van een grondrecht, zoals sommige meningsuitingen welke iemands persoonlijke levenssfeer aantasten.
Uit deze voorbeelden blijkt, dat in het bestaande Nederlandse recht reeds een pakket van bescherming tegen aantasting van grondrechten door grondrechten aanwezig is. Daarbij is in het algemeen deze constructie gevolgd, dat het startpunt van de bescherming in wetgeving is gelegen, die verder voor een belangrijk deel door middel van rechtspraak wordt geëffectueerd. Zou men hieraan nu een grondwettelijke bepaling als artikel 17 van Pro het Europese Verdrag toevoegen, dan zou dat aan de vraag waar de vrijheidsgrenzen van de burger bij de uitoefening van grondrechten liggen een sterk politieke component toevoegen en de beantwoording van die dikwijls politieke vraag niet in de eerste plaats aan de politiek verantwoordelijke organen maar primair aan de rechterlijke macht opdragen. De rechter zou dan bij voorbeeld de vraag moeten beantwoorden op welk moment iemand het recht op vrijheid van meningsuiting verliest als hij wijzigingen in het bestaande staatkundige bestel bepleit; godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke opvattingen van andersdenkenden bestrijdt; de ongelijkheid van man en vrouw belijdt; e.d.
Wij menen, dat, wanneer een dergelijke veelomvattende beperkingsbevoegdheid in één (te) simpele formule zou worden neergelegd, dit te zeer ten koste zou gaan van het waarborgkarakter van de grondrechten en de rechterlijke macht te zeer voor politieke strijdvragen zou plaatsen. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor een systeem, dat de wetgever de gelegenheid biedt in te grijpen in die gevallen waarin naar zijn oordeel de uitoefening van een grondrecht verder moet worden beperkt; bij voorbeeld op de wijze als in artikel 137c Wetboek van Strafrecht is geschied. De beperkingsclausules voorzien daarin.” [152]
Belkacem.Een verschil tussen die zaak en de onderhavige zaak is volgens de steller van het middel dat in die zaak werd opgeroepen tot het plegen van geweld in en het omverwerpen van het openbaar gezag van een Partijstaat bij het EVRM, zijnde een democratische rechtsstaat. Ik lees de beslissing van het EHRM echter zó dat het totalitaire gevaar dat van de uitingen van Belkacem over de Sharia uitging een tweede zelfstandige grond vormt voor toepassing van art. 17, naast de eerste grond dat de klager opriep tot geweld tegen niet-moslims. Voor de stelling dat aansporingen tot haat en/of geweld louter met de onderliggende waarden van het EVRM in strijd kunnen komen indien en voor zover die haat en/of dat geweld zijn gericht tegen mensen die zich binnen de Raad van Europa bevinden, zie ik in de Straatsburgse rechtspraak geen enkele steun, in het bijzonder ook niet in de hiervoor besproken zaak
Roj TV A/S/Denemarken.Het EHRM besteedt in die Deense zaak geen enkele aandacht aan de vraag of de door de klager in die zaak aangemoedigde organisatie de rechtsvrede van een bij het EVRM aangesloten land (in dat geval bijv. Turkije) bedreigt.
Roj TV A/S/Denemarken,dan springen vooral de overeenkomsten tussen beide zaken in het oog. Evenals de Deense zaak betreft het hier de strafvervolging ter zake van onder meer het verbaal ondersteunen van deelneming aan binnen de Raad van Europa algemeen als terroristisch aangemerkte organisaties. De in die Deense zaak vastgestelde “repetitive incitement to participate in fights and actions” en “incitement to join the organisation” sluiten vrijwel naadloos aan op de door het hof in de onderhavige zaak bewezenverklaarde opruiingsdelicten. Daar staat wel tegenover dat in de Deense zaak niet een aantal berichten van een individu op
social mediaen bijdragen aan opruiende webpagina’s, maar televisie-uitzendingen gedurende vier jaar en met een groot bereik waren bewezenverklaard. Het komt mij echter voor dat dit mogelijke verschil in intensiteit, duur en frequentie van de delicten het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk maakt. [154]
Güler en Uğur/Turkije).
hebbenen ze eventueel te
wijzigen.Dit eerste aspect heeft betrekking op het ‘forum internum’ van het individu en is absoluut van aard. Art. 9, tweede lid, EVRM biedt alleen grond om inbreuken op het tweede aspect van de vrijheid, de vrijheid om de door art. 9 beschermde Pro gedachten en overtuigingen al dan niet openlijk te
manifesteren,te legitimeren. [158]
S.A.S./Frankrijkover het Franse boerkaverbod:
Guide on Article 9 of the Convention. [165] In veel van de in dit indrukwekkende overzicht genoemde gevallen was het verband tussen de gedragingen waarin de klager is beperkt enerzijds en de door art. 9 EVRM Pro beschermde opvatting anderzijds wel te ontwaren, maar toch onvoldoende voor een manifestatie. De namens de verdachte gestelde relatie van zijn opruiende uitingen met zijn godsdienst, staat daarmee in schril contrast.
Güler en Uğur/Turkijein de cassatieschriftuur overtuigt mij allerminst dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Heel anders dan de verdachte in de onderhavige zaak, waren de wegens propaganda voor een terroristische organisatie strafrechtelijk veroordeelde klagers in die zaak veroordeeld omdat zij hadden deelgenomen aan een religieuze ceremonie ter herdenking van drie door ‘security forces’ gedode PKK-leden. Die ceremonie had een islamitisch karakter (mevlût); tijdens de ceremonie werden onder meer passages uit de Koran voorgedragen en werd gebeden. Het EHRM stelde vast dat niet ter discussie staat dat
mevlût“is a religious ceremony commonly celebrated by Muslims in Turkey”. De enkele omstandigheid dat de ceremonie was georganiseerd “on the premises of a political party in which symbols of a terrorist organisation were displayed did not deprive the participants of the protection guaranteed by Article 9 of the Convention.” [166] Het ligt nogal voor de hand dat deelneming aan een religieuze ceremonie in beginsel wordt beschouwd als de ‘manifestatie’ van een religie, tenzij bijzondere omstandigheden dat anders maken. Evident is naar mijn idee dat hetzelfde niet kan worden gezegd van de uitingen op Twitter, Facebook en websites zoals gedaan en verspreid door de verdachte.
accessibilityen
foreseeabilitydie het EHRM van de wettelijkheid van een grondrechtbeperking vergt.
De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is.”
zesde middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.