Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
de rechthebbende) een bewind ingesteld met benoeming van [de bewindvoerder] tot bewindvoerder (hierna:
de bewindvoerder).
erflaatster) overleden. Zij heeft geen echtgenoot, geregistreerd partner, kinderen of ouders achtergelaten. Erflaatster heeft in haar laatste testament haar [broer] tot enige erfgenaam benoemd. Hij heeft de nalatenschap op 9 januari 2023 verworpen. Dat betekent dat de wet de ouders van erflaatster en haar broers en zussen, onder wie de rechthebbende, als erfgenamen tot de nalatenschap van erflaatster roept (art. 4:10 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW). De ouders van erflaatster zijn vóór erflaatster overleden. Of naast de rechthebbende nog andere broers of zussen of hun afstammelingen als erfgenaam optreden is niet duidelijk.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij heeft de rechtbank verzocht om haar machtiging te verlenen om de nalatenschap van erflaatster te mogen verwerpen.
het hof). Zij heeft het hof verzocht om hetzij haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen dan wel te oordelen dat voor verwerping van de nalatenschap in dit geval geen machtiging van de kantonrechter nodig is (omdat dit als het ware tot de gewone autonomie van de rechthebbende behoort), zodat de rechthebbende door een verklaring bij de griffie kan verwerpen.
Vraag A
4.Juridisch kader
verwerpingvan een nalatenschap kent Titel 1.19 geen afzonderlijke regeling. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de verwerping van een nalatenschap een beschikkingshandeling is die valt onder het bereik van art. 1:441 lid Pro 2, aanhef en onder a, BW. [19] De bewindvoerder behoeft voor deze handeling toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter.
de verhoudingtussen de genoemde twee artikelen. Ik vermeld hier de volgende passage:
slechtsbetrekking heeft op ouders, voogden en curatoren van handelingsonbekwamen. [37] In deze zaak vielen alle goederen van twee kinderen onder een meerderjarigenbewind. Na het overlijden van hun moeder heeft de bewindvoerder namens de kinderen de nalatenschap beneficiair aanvaard. Uit de voorlopige beschrijving van de nalatenschap bleek dat deze een positief saldo kende. De bewindvoerder diende bij de kantonrechter een verzoek in om ontheven te worden van de verplichting tot wettelijke vereffening. Na te hebben geoordeeld dat hij geen enkele reden heeft om te betwijfelen dat alle schulden probleemloos uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, overwoog de kantonrechter:
Expertgroep Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap(CBM) heeft het
Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht(LOVT) van de rechtspraak aanbevelingen gedaan aan kantonrechters belast met de behandeling van bewindszaken: de Aanbevelingen meerderjarigenbewind (hierna ook:
de Aanbevelingen). [38] De Aanbevelingen strekken landelijk, dus in alle rechtbanken, tot uitgangspunt. [39] De Aanbevelingen onder E.1 t/m E.6, opgenomen onder het kopje ‘Erfrecht’, luiden als volgt:
Expertgroep Erfrechtvan het
Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel, Kanton en Toezicht(LOVCK&T) is belast met advisering op het gebied van het erfrecht aan het LOVCK&T, mede met het oog op gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de verschillende rechtbanken. Om te komen tot die gewenste uniformering heeft de expertgroep een Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter (hierna:
de Handleiding) opgesteld. [42] Evenals de Aanbevelingen strekt de Handleiding landelijk tot uitgangspunt. [43] In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken. De Handleiding is niet alleen bedoeld voor de kantonrechters, maar ook voor de erfgenamen en (juridisch) professionals die bij de afwikkeling van nalatenschappen zijn betrokken. De Handleiding bevat enerzijds uitleg over en toelichting op een groot aantal wetsartikelen en bevat anderzijds aanbevelingen. In de Handleiding staat onder het kopje ‘Machtiging voor aanvaarding of verwerping’, opgenomen onder ‘Inhoudelijke opmerkingen vooraf’, de volgende passage:
lex specialis’ van art. 4:193 lid 2 BW Pro. Veel auteurs gebruiken deze term letterlijk, zij het niet altijd met een nadere motivering. [46] Andere auteurs hanteren de term niet, maar drukken zich zodanig uit dat het daar wel op neer komt. Zo beschouwen Huijgen e.a. art. 4:193 lid 1 BW Pro als hoofdregel, die geldt voor minderjarigen die onder gezag staan van ouders(s) of voogd(en) en personen die onder curatele zijn gesteld. Voor personen wier vermogen onder meerderjarigenbewind is gesteld en waarbij de te erven goederen onder het bewind zouden vallen, geldt de regel van art. 1:441 lid 5 BW Pro, zo stellen zij. [47] Perrick stelt dat de regeling van art. 4:193 BW Pro niet van toepassing is op het geval van wettelijke vertegenwoordiging als bedoeld in Titel 19 van Boek 1 BW. [48] Verstappen schrijft dat art. 4:193 BW Pro niet geldt voor alle gevallen van wettelijke vertegenwoordiging. Daarbij verwijst hij naar art. 1:441 lid 5 BW Pro. [49] In een eerdere publicatie lichtte Verstappen zijn standpunt aan de hand van een historische benadering als volgt toe:
lex specialis’ van art. 4:139 lid 2 BW Pro is het beginsel van proportionaliteit. Kolkman schrijft daarover:
naast elkaarkunnen bestaan en worden toegepast, en dat er dan ook “geen onvermijdelijk exclusieve toepassing” van art. 1:441 lid 5 BW Pro is. [59] Zij gaat vervolgens in op het hiervoor in 4.38 weergegeven – en door het hof in de uitspraak overgenomen – standpunt van Kolkman dat er in het licht van het bestaan van art. 1:441 lid 5 BW Pro geen goede grond bestaat de rechthebbende en de bewindvoerder verder te beknotten dan deze bepaling doet. De auteur wijst er in dat verband op dat, hoe minder deskundig bewindvoerders zijn op het gebied waarop de wetgever met een regeling bescherming beoogt te bieden, des te meer behoefte er aan die bescherming is:
handelen van de bewindvoerderals die laatste een risicovollere wijze van aanvaarding van een nalatenschap wil kiezen. Zou art. 4:193 BW Pro niet van toepassing zijn bij meerderjarigenbewind dan valt ook de bescherming die dat toezicht biedt, weg. In art. 1:441 lid 5 BW Pro heeft de kantonrechter immers geen rol.” [61]
lex specialis’ van art. 4:193 lid 2 BW Pro, zodat de nalatenschap, in weerwil van de hiervoor weergegeven Aanbevelingen meerderjarigenbewind, na verloop van drie maanden
nietvan rechtswege geldt als beneficiair aanvaard.
lex specialis’). In dit artikel, zo stelde Markar, wordt geen termijn genoemd waarbinnen aanvaarding of verwerping moet plaatsvinden, en evenmin wordt daarin bepaald dat de nalatenschap op enig moment van rechtswege heeft te gelden als beneficiair aanvaard. Na eerst te hebben geconstateerd dat het bewind zich mede uitstrekte tot toekomstige goederen van de rechthebbende en daarmee tot de goederen die de rechthebbende uit de nalatenschap van de erflaatster zou ontvangen, zodat aanvaarding en verwerping van de nalatenschap tot de taak van Markar als bewindvoerder behoort (r.o. 5.4), oordeelde het hof als volgt:
6.Slotsom
allebetrokkenen in een nalatenschap. Dat die termijn geldt op basis van de wet leidt in beginsel ook niet tot een ander rechtsgevolg dan wanneer die termijn gesteld zou worden door een mede-erfgenaam of schuldeiser. Ook in dat laatste geval leidt het (laten) verstrijken van de gestelde termijn tot een beperking van de mogelijkheden van de rechthebbende, in die zin dat verwerping van de nalatenschap daarna niet meer mogelijk is. Naar het oordeel van de kantonrechter is in artikel 4:193 lid 1 BW Pro dan ook geen sprake van een buitenproportionele termijn. Hieruit volgt dat het aan het verstrijken van deze termijn in artikel 4:193 lid 2 BW Pro genoemde gevolg, namelijk dat de nalatenschap vanaf dat moment geldt als beneficiair aanvaard namens de rechthebbende, evenmin buitenproportioneel is.
Rechtszekerheid
5.Bevindingen
vertegenwoordigt de bewindvoerder”) moet de beschermingsbewindvoerder worden gekwalificeerd als een wettelijke vertegenwoordiger. De mogelijke samenloop van art. 1:441, lid 2 en lid 5, BW en 4:193 BW is door de wetgever niet uitdrukkelijk onder ogen gezien, zodat uit de wetsgeschiedenis niet eenduidig is op te maken hoe met die samenloop dient te worden omgegaan.
nieteen wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van art. 4:193 lid 1 BW Pro, dan brengt dit mee dat het bepaalde in het tweede lid ook niet van toepassing is. Het niet kwalificeren van de bewindvoerder als een wettelijke vertegenwoordiger in de zin van art. 4:193 lid 1 BW Pro heeft tot gevolg dat art. 4:192 BW Pro in beeld kan komen. Als de bewindvoerder (al dan niet samen met de rechthebbende) niet binnen afzienbare tijd een keuze maakt tussen zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping, dan kan de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen voor het maken van een keuze (art. 4:192 lid Pro 2). Het laten verlopen van die termijn zonder een keuze te hebben gedaan zou dan volgens art. 4:192 lid 3 BW Pro meebrengen dat de rechthebbende wordt geacht de nalatenschap
zuiverte hebben aanvaard. Dit lijkt zich niet te verhouden tot de bescherming die het bewind de rechthebbende zou moeten bieden.
verworpen. Die vraag beantwoord ik als volgt.
ook de rechthebbendetijdens het bewind met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter kan verwerpen. Het indienen door de rechthebbende van een verzoek op de voet van dit artikel om hem te machtigen een aan hem toekomende nalatenschap te verwerpen, brengt in mijn visie om de hiervoor in 5.15 genoemde reden eveneens mee dat de lopende termijn in de zin van art. 4:193 lid 1 BW Pro van rechtswege wordt geschorst vanaf de dag van ontvangst van het verzoekschrift.
afwijst, dan dient zijn beschikking te worden aangemerkt als een (vervangende) verklaring tot beneficiaire aanvaarding. Daarmee wordt zoveel mogelijk tegemoetgekomen aan het bepaalde in art. 4:193 BW Pro.
lex specialis’ van art. 4:193 BW Pro, zodat de nalatenschap na verloop van drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de rechthebbende toekomt,
nietvan rechtswege geldt als beneficiair aanvaard. De bewindvoerder moet dan op enig moment, dat ook na het verstrijken van de genoemde termijn kan liggen, één van de volgende keuzes uitbrengen: (i) beneficiaire aanvaarding, (ii) zuivere aanvaarding met toestemming van de rechthebbende of (iii) verwerping met toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter. Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat de beschermingsbewindvoerder
nieteen wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van art. 4:193 lid 1 BW Pro, en daarmee prejudiciële vraag A ontkennend beantwoorden, dan komt wel mogelijk art. 4:192 BW Pro in beeld. Het laten verlopen van een op verzoek van een belanghebbende door de kantonrechter aan de bewindvoerder gestelde termijn voor het maken van een keuze (art. 4:192 lid 2 BW Pro) brengt dan mee dat de rechthebbende wordt geacht de nalatenschap
zuiverte hebben aanvaard (art. 4:192 lid 3 BW Pro). Zoals gezegd, lijkt dit zich niet te verhouden tot de bescherming die het bewind de rechthebbende zou moeten bieden. Evenwel zou ook hier kunnen worden betoogd dat de bewindvoerder in het geval dat de kantonrechter op de voet van art. 4:192 lid 2 BW Pro een termijn stelt voor het maken van een keuze, gewoon gedwongen wordt om in actie te komen. Hij moet dan (in overleg met de rechthebbende) binnen de gestelde termijn een keuze maken. Daar is op zich niets op tegen.