ECLI:NL:PHR:2025:1165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
23/03301
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van voorbereidingshandelingen hennepteelt en bewijsvoering

In deze zaak gaat het om de verdachte, een rechtspersoon, die is veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor hennepteelt, zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. De verdachte is bij arrest van 17 augustus 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,00 en verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen. De Hoge Raad heeft op 4 november 2025 de conclusie van de procureur-generaal ontvangen, waarin wordt gesteld dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar dat het cassatieberoep voor het overige moet worden verworpen. De zaak betreft de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen en voorwerpen die zij voorhanden had, bestemd waren voor de illegale hennepteelt. De rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat de verdachte een onderneming dreef die zich richtte op de verkoop van producten die gebruikt kunnen worden voor de professionele hennepteelt. De verdachte heeft een groot aantal hennepzaden en kweekmaterialen verkocht, en de bewijsvoering heeft aangetoond dat de verdachte op de hoogte was van de bestemming van deze producten. De Hoge Raad concludeert dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeboden voorwerpen en stoffen voor de illegale hennepteelt waren bestemd. De uitspraak van het hof wordt in stand gehouden, met uitzondering van de hoogte van de opgelegde geldboete, die wordt verminderd naar de gebruikelijke maatstaf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03301
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] (thans [verdachte] B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte [1] is bij arrest van 17 augustus 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden, verkopen of voorhanden hebben, en gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, veroordeeld tot een geldboete van € 30.000,00. Daarnaast heeft het hof de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen (9 pagina’s, genummerd 234 tot en met 242) verbeurdverklaard, met uitzondering van de op de lijst vermelde bedrijfsadministratie en hennepzaden. Het hof heeft bevolen dat de hennepzaden worden onttrokken aan het verkeer en gelast dat de bedrijfsadministratie (pandcodes 5004, 5005 en 5006) wordt teruggegeven aan de verdachte.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03303, 23/03304, 23/03305 en 23/03306. In de samenhangende zaken 23/03304 en 23/03305 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaken 23/03303 en 23/03306 heeft de Hoge Raad op 26 november 2024 al uitspraak gedaan, omdat in die zaken geen schrifturen zijn ingediend. Het cassatieberoep is in deze beide zaken niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting. Het tweede middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen, voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 en 5 van de Opiumwet (hierna: Opw) strafbaar gestelde feiten.

2.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 29 juni 2016 tot en met 26 juni 2017 te [vestigingsplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in een bedrijfspand, gelegen aan de [a-straat 1] , stoffen en voorwerpen heeft te koop aangeboden, verkocht of voorhanden gehad, te weten
- potgrond
- isolatiemateriaal
- groei- en bloeimiddelen
- verwarmingen
- kachels
- luchtbevochtigers
- slangklemmen
- watersproeiers
- hygrometers
- insectenbestrijdingsmiddelen
- waterpompen
- koppelingen
- waterslangen
- buizen
- zekeringen
- stroomkabels
- installatiekabels
- ventilatoren
- kweekmediums
- stekkentrays
- pluggen
- bloempotten
- vijverfolie
- watervaten
- hennepzaadjes
- gripzakjes
- handschoenen
- big shoppers
- assimilatielampen
en gegevens voorhanden heeft gehad, te weten klappers, inhoudende onder meer folders, prijslijsten, catalogussen, bestellijsten betreffende (informatie met betrekking tot) hennepzaden en materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek, waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
2.2
Het hof heeft op grond van het bepaalde in art. 423 lid 3 Sv de bewijsvoering van de rechtbank (de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering), voor zover deze is weergegeven onder ‘4.3 Het oordeel van de rechtbank’ (pagina 3 tot en met 12 van het vonnis) overgenomen en overwogen dat deze bewijsvoering als in het arrest herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De bewijsvoering van de rechtbank houdt in (zonder overneming van voetnoten):
“4.3 Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 26 juni 2017 heeft de politie Limburg onder leiding van de officier van justitie een onderzoek ingesteld in het bedrijfspand van de verdachte, gelegen aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] . Het onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van meldingen van omwonenden, ontvangen TCI-informatie en bevindingen van de politie ter plaatse, gedaan op 14, 16 en 19 juni 2017. De verdachte is blijkens informatie van de Kamer van Koophandel op 29 september 2016 opgericht en drijft een onderneming met de activiteiten: - winkels in bloemen en planten, zaden en tuinbenodigdheden; - groothandel in overige machines, apparaten en toebehoren voor industrie en handel; en - groothandel in emballage. Bestuurder en enig aandeelhouder van de verdachte is [A] B.V. [A] B.V. is eigendom van en wordt bestuurd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De holding is gevestigd op het adres van [betrokkene 2] . Beiden zijn zelfstandig bevoegd om op te treden namens de holding. De door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedreven onderneming – hierna: [verdachte] – bestaat al sinds 1 januari 1998. De bedrijfsactiviteiten vonden voor 29 september 2016 plaats binnen een vennootschap onder firma met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als vennoten.
Het bedrijfspand van de verdachte bestaat uit meerdere ruimten, te weten een winkelgedeelte toegankelijk vanaf de [a-straat] , een kelder, een kantoorgedeelte en twee achterliggende loodsen. De loodsen liggen daarbij geschakeld naast elkaar, waarbij de eerste loods toegankelijk is vanuit de winkel en de tweede loods vanuit de eerste loods. De loodsen zijn aan de achterkant te benaderen via de Heisterberg.
De omstandigheden
Tijdens het onderzoek op 26 juni 2017 werden in het bedrijfspand op 26 juni 2017 onder meer aangetroffen:
- 55 zakken royal mix potgrond, 51 50-literzakken potgrond, 20 zakken light mix potgrond en 5 zakken potgrond perlite;
- 52 zakken isolatiemateriaal;
- een grote hoeveelheid groei- en bloeimiddelen in klein- en grootverpakkingen (waaronder jerrycans, 5 en 10 liter);
- 8 honeywell standkachels en 6 atomic c2000 kachels;
- 8 luchtbevochtigers airsonic professionel healthcare;
- 14 zakken inhoudende slangklemmen en 1 doos met 150 slangklemmen:
- 5 watersproeiers;
- 1 HC 0810 aquaking hydrometer en 21 thermo-hygrometers;
- insectenbestrijdingsmiddelen;
- 11 dompelpompen en 39 vijverpompen;
- koppelingen;
- waterslangen:
- buizen;
- 6 doosjes inhoud 25 zekeringen 35 ampère en grijze sorteerdoos met diverse passchroeven en zekeringen:
- 4 dozen stroomkabel met stekker en 7 rollen stroomdraad wit:
- installatiekabels;
- ventilatoren; - 45 dozen agrawool en 646 zakken kokossubstraat;
- stekkentrays;
- 157 dozen paperpot pluggen 84 tray per doos en 3 dozen steenwol blok 2700 stuks;
- 1800 zwarte plastic bloempotten in verschillende maten;
- vijverfolie;
- (opvouwbare) watervaten;
- in twee koelkasten in totaal meer dan 60.000 gefeminiseerde en autoflower hennepzaden;
- 4 verschillende formaten zwarte strijkzakken en een grote hoeveelheid vacuumzakken;
- gripzakjes in diverse maten;
- latex handschoenen;
- een grote hoeveelheid zogenaamde bigshoppers.
In klappers boven het bureau achter de balie in het winkelgedeelte bevonden zich onder andere de folder ‘Always in Control’ met informatie over klimaatbeheersing, kunstlicht, ventilatie, luchtzuivering, voedingscomputers en plantenpotten, een folder van 123 Grüntechniek met afbeeldingen en prijzen van kweektenten, slakkenhuizen, assimilatielampen, strijkzakken, gripzakken, sporttassen, digitale weegschaal, plantenpotten en steenwolkweekmedium (Agrawool) en de catalogus van HGP Groothandel waar blijkens de inhoudsopgave kunnen worden betrokken goederen voor klimaatbeheersing (o.a buisventilatoren, slakhuisventilatoren, softboxen, koolstoffilters, ventilatoren, kachels, CO2 apparatuur, luchtbevochtigers), verlichting en elektra, irrigatie, groeimedia, voeding, EC en PH meetapparatuur, folie, bestrijdingsmiddelen, scharen/trimmachines, bouw- en verpakkingsmaterialen en tenten en toebehoren. Op het bureau en in de la van het bureau werden ook klappers met prijslijsten en folders aangetroffen van bedrijven die goederen aanbieden op gebied van luchttechniek (Cli-mate), lichttechniek (Dutch Light Solutions), groeimiddelen, folies en kweeksysternen. Op het bureau lagen een drietal bestellijsten. Op een van de lijsten stond met pen opgeschreven en ingevuld: “2x groeimiddelen, 1x tumble trimmer, 10x clipfan, 200 Ultimate verloop stukken in diverse maten, 1x Empire light 2000 (koolstoffilter) en 50x 25 liter potten”.
Verbalisant [verbalisant 2] , om wiens ondersteuning was verzocht door het onderzoeksteam in verband met zijn ervaring met de aanpak van de illegale versnelde kweek van hennepplanten en het ruimen van hennepkwekerijen, heeft over de bij de verdachte aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen gebruikt worden bij de illegale hennepteelt en dat hij goederen van de aangetroffen merken (CANNA, Hortifex, Aptus, Plagron, Biogreen, FERRO en HYDRO) geregeld tegenkomt bij de illegale teelt van hennepplanten.
Van verschillende goederen die niet zijn aangetroffen in het bedrijfspand zijn wel in- en verkoopfacturen van na 1 maart 2015 aangetroffen in de administratie van [verdachte] . Het betreft in- en verkoop van onder meer assimilatielampen, koolstoffilters, slakkenhuisafzuigers in geluidsarme boxen, buisventilators, elektrische knipmachines, kweektenten, wegwerpoveralls en watergekoelde airco’s.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de hennepzaden onder meer werden verkocht via de website www. [B] .nl. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben dit ter zitting bevestigd. Naar de website is door het onderzoeksteam onderzoek gedaan. Het adres van de verdachte in [vestigingsplaats] stond als bezoekadres op de site vermeld. Op de website was onder het kopje ‘Over Ons’ te lezen ‘Welkom bij [B] online, de online-shop gespecialiseerd in gefeminiseerde zaden in alle aantallen! Al onze zaden zijn vrouwelijk! Wij bieden U verschillende betaalmethodes, ook contante betaling bij levering.’ Elders op de website werd klanten verder de mogelijkheid aangereikt om ook bij bestellingen per post contant te betalen (‘contant in envelop’).
De website bevatte een volledige handleiding over de kweek van cannabis. De beschrijving van de kweekruimte benoemt wat je nodig hebt voor de meest elementaire inrichting namelijk een lamp (met reflector en ballast), een schakelkast, een filter, een ventilator, potten, een thermometer, een hygrometer, reflecterende muren en een kachel, waarna elk element wordt uitgelegd. Op de site werd ook het zogenoemde 12/12 systeem gepromoot. Op de site was te lezen dat met dit systeem 7 maal per jaar kan worden geoogst en men niet meer afhankelijk is van stekken. ‘De tijden dat je kwekerij leeg staat, omdat er geen stekken te krijgen zijn, zijn voorgoed voorbij’. Wietzaadjes hebben verder het voordeel dat ze legaal zijn, goedkoper dan stekken en makkelijk te transporteren (‘1000 zaadjes passen gewoon in je broekzak’). Op de site werd uitgelegd wanneer je moet starten met het voor laten groeien van de plantjes en hoe je dit moet aanpakken. Daarbij was onder meer te lezen: ‘Verder heb je een plek nodig om je plantjes voor te groeien. Dat kan een kweektent zijn of een zelf ontworpen kweekkast. In een kweektent van 120x120x200 cm passen met gemak 300 plantjes als je potten van 9x9x10 gebruikt.’ [B] adverteerde blijkens aangetroffen facturen in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 op [internetsite 1] en [internetsite 2] . In het bedrijf zijn verder facturen aangetroffen van verkopen na 1 maart 2015 van grotere aantallen zaden door [verdachte] aan bedrijven en een particulier.
Er heeft ook onderzoek plaatsgevonden naar de verkoopadministratie van [verdachte] . Daarbij bleek dat een aanzienlijk aantal van de verkopen per kas verliepen. De verkopen werden dag bijgehouden op een dagomzetstaat. De ontvangen contanten zijn afgestort op de ING bankrekening van de verdachte. Er is door het onderzoeksteam een overzicht gemaakt van alle in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 in de administratie aangetroffen contante stortingen met betrekking tot de omzet. Daaruit bleek dat in 2015 vanaf 28 maart 2015 voor een totaal aan € 451.080,- contant is gestort, waaronder 45 biljetten van € 500,-. In 2016 is voor een totaal aan € 643.540,- contant gestort, waaronder 202 biljetten van € 500,-. In 2017 is tot en met 16 juni 2017 voor een totaal aan € 290.000,- contant gestort, waaronder tot 4 januari 2017 4 biljetten van € 500,-. Vanaf 4 januari 2017 is op 34 van de 36 stortingsbewijzen niet zichtbaar in welke coupures er is gestort.
Uit de verkoopadministratie bleek verder dat de Duitse onderneming [C] de grootste afnemer is geweest van [verdachte] in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017. [C] heeft in 2015 vanaf juni 2015 voor € 110.760,39, in 2016 voor € 163.022,13 en in 2017 tot mei 2017 voor € 36.045,34 aan goederen bij [verdachte] ingekocht.. Het gaat om in totaal 56 facturen die nagenoeg allemaal contant zijn voldaan. Van twee facturen is onbekend gebleven op welke wijze deze zijn betaald. Het bedrijf heeft blijkens de facturen met name technische apparatuur en middelen ingekocht bij de verdachte. [verbalisant 1] relateert ten aanzien van de goederen op de facturen – waaronder assimilatielampen, zogenaamde slakkenhuizen, apparaten voor het verwijderen van onder andere bladeren en apparaten voor klimaatbeheersing – dat hem ambtshalve bekend is dat deze goederen gebruikt worden in hennepkwekerijen.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] komen op inkoopfacturen van [verdachte] en overige administratieve bescheiden beiden voor als contactpersoon van [verdachte] . In de onderzoeksperiode zijn naast [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , 3 personen voor kortere of langere tijd werkzaam zijn geweest voor [verdachte] via een uitzendbureau.
De bewijswaardering
De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet
[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de verdachte worden verdacht van het (gezamenlijk) overtreden van artikel 11a van de Opiumwet, zoals dit artikel sinds 1 maart 2015 luidt. Dat artikel stelt strafbaar hij die ‘stoffen of voorwerpen (...) voorhanden heeft (…), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten’. Artikel 11, derde lid, van de Opiumwet stelt strafbaar hij die ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod’. Het vijfde lid van dat artikel houdt in dat indien ‘een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel’ een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan ‘een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.’ Die algemene maatregel van bestuur is het Opiumwetbesluit.
Op grond van artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit betreft genoemde grote hoeveelheid, voor zover hier relevant, 500 gram hennep of 200 hennepplanten.
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de invoering van artikel 11a van de Opiumwet leidde is door de wetgever uitgebreid ingegaan op de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 11a van de Opiumwet.
In de Nota naar aanleiding van het Verslag is daarover onder meer het volgende aangegeven:
‘Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (...) Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht.
In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2012 met een schriftelijke reactie op de in eerste termijn bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer gestelde vragen schrijft de Minister over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder onder meer nog:
‘Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (...) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. Het gaat dus om, het <> en niet om de voorwerpen die ter beschikking worden gesteld. De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal.’
De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet brengt mee dat strafbare voorbereiding ook kan worden bewezen zonder dat een hennepkwekerij is aangetroffen. De voor een veroordeling op grond van artikel 11a van de Opiumwet vereiste bestemming van de stoffen en voorwerpen voor de beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt is niet beperkt tot louter die gezamenlijkheid van goederen waarmee deze strafbare feiten zonder meer kunnen worden gepleegd.
De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van beroepsmatige of bedrijfsmatige teelt van hennepplanten verwezen naar hetgeen over dit aspect is aangegeven in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. In de Nota naar aanleiding van het Verslag staat aangegeven:
‘Bij beroeps- en bedrijfsmatige teelt wordt gekeken naar de wijze van telen, zoals blijkt uit de Aanwijzing Opiumwet van het OM (Staatscourant 20.11, nr. 11 134 van 27 Juni 2011), paragraaf 3.2.1 en bijlage 1. Paragraaf 3.2.1 vermeldt, voor zover hier van belang, dat voor de beoordeling van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van teelt wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder de teelt plaatsvindt. Bij het aantreffen van een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in het algemeen aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal planten is echter niet altijd de doorslaggevende factor voor het bepalen van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt. Ook bij vijf planten of minder kan sprake zijn van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’
In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van 5 planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen.
Hebben [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [verdachte] zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet?
In het bedrijfspand van de verdachte zijn onder meer de volgende producten aangetroffen: verrijkte aarde en potgrond, steenwol en kokos, stekkenpluggen, groei- en bloeimiddelen, producten voor ziektebestrijding waaronder signaleringsvellen, kachels, luchtbevochtigers, hygrometers, waterpompen, waterslangen, ventilatoren en watervaten. De groei- en bloeimiddelen waren in grootverpakkingen (jerrycans) ruim voorhanden. Gebruik van deze stoffen en voorwerpen bij de teelt van hennep zijn indicatoren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Tot het bedrijfsassortiment behoorden verder stekkentrays, simpele zwarte plastic bloempotten in een aantal maten in grote hoeveelheden, vijverfolie, bevestigingsmaterialen voor slangen, stroom- en installatiekabels, zekeringen, gripzakken, strijkzakken, latex handschoenen en bigshoppers. Dit betreffen goederen waarmee beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige kwekerijen plegen te worden ingericht en de opbrengst van die kwekerijen wel wordt vervoerd. [verdachte] verkocht verder ook geselecteerde hennepzaden. Er is een groot aantal gefeminiseerde en autoflower hennepzaden aangetroffen bij het onderzoek op 26 juni 2017. Uit het dossier blijkt verder dat goederen die weliswaar niet bij de verdachte in het bedrijfspand zijn aangetroffen, en die in de regel wel worden aangetroffen bij beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt, bij [verdachte] konden worden besteld. Van deze goederen zijn in de winkel folders, prijslijsten, catalogussen en bestellijsten aangetroffen. Koolstoffilters, assimilatielampen, kweektenten, cannacutters, alles kon en werd geleverd door [verdachte] . Ten aanzien van voormelde stoffen en voorwerpen is niet aannemelijk dat deze worden gebruikt door kleinschalige, niet professionele thuistelers. Gezien de voorhanden en in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 verhandelde stoffen en voorwerpen kan worden bewezen dat [verdachte] stoffen en voorwerpen die bestemd zijn voor beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt (hierna: illegale hennepteelt) te koop heeft aangeboden, verkocht en voorhanden heeft gehad.
Dat illegale hennepteelt ook daadwerkelijk de bestemming van de stoffen en voorwerpen was en dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dit ook wisten, kan worden afgeleid uit de totale bedrijfsvoering, zoals daarvan uit het dossier blijkt. Daarbij is van belang dat de onderneming van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een voormalige growshop betreft, waarvan het (beperkte) assortiment ook na de wetswijziging is gehandhaafd, in combinatie met de verkoop van hennepzaden, die zich niet beperkte tot vijf stuks aan particulieren, en de mogelijkheid tot contante betaling bij [verdachte] .
Het assortiment van [verdachte] beperkt zich ook na 1 maart 2015 tot producten die (mede) kunnen worden gebruikt voor illegale hennepteelt. Overig assortiment ontbreekt. Ook de in- en verkoop van andere goederen beperkt zich tot producten die kunnen worden gebruikt voor illegale hennepteelt. Op de aan haar gelieerde website profileert [verdachte] zich verder als professionele verkoper van gefeminiseerde zaden in alle aantallen. Dat [verdachte] zich uitsluitend zou richten op de niet professionele teelt door thuistelers is gezien het assortiment en de content van de website volstrekt onaannemelijk. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat een noemenswaardig deel van de verkopen van [verdachte] aan particulieren voor de hobbyteelt plaatsvond. Dat een aantal aangetroffen stoffen en voorwerpen afzonderlijk ook kunnen worden gebruikt voor kleinschalige hennepteelt of voor andere doeleinden, maakt dit niet anders. Voor zover de verdachte heeft willen stellen dat zij een groothandel is en dat daarom geen sprake is van verboden verkopen, gaat dit uit van een onjuist begrip van de strafbaarstelling. Dat sprake is geweest van zogenaamde ‘business to business’ handel (althans verkoop aan wederverkopers), maakt niet dat artikel 11a van de Opiumwet geen toepassing zou kunnen vinden, omdat ook bij een dergelijke verkoop sprake kan zijn van de omstandigheid dat de verkoper weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt. Uit het onderzoek is verder gebleken dat klanten bij [verdachte] contant konden betalen. Op de website worden potentiële klanten hier op meerdere plekken op geattendeerd. In de onderzochte periode is vrijwel de gehele omzet contant gerealiseerd, waarbij ook biljetten van € 500,- werden ingenomen. Met het bieden van de mogelijkheid tot contante betaling ook van grote bedragen wordt de illegale hennepteelt bewust gefaciliteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het illegale circuit gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures.
Bij verkoop van stoffen en voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor de illegale hennepteelt onder voormelde omstandigheden is onmiskenbaar dat sprake is van verkoop van stoffen en voorwerpen bestemd voor de illegale hennepteelt en onaannemelijk dat de betrokkenen niet weten dat zij de bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteren. In ieder geval hebben zij door hun handelswijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit het geval was.
Gezien de op 26 juni 2017 bij de verdachte aangetroffen stoffen en voorwerpen, de gedane bevindingen in het bedrijfspand en de administratie van [verdachte] is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 met de activiteiten verricht binnen de onderneming samen schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.
Daderschap van [verdachte]
Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a.
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b.
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c.
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d.
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn via hun holding eigenaar van [verdachte] In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 8 juni 2017 zijn de activiteiten van [verdachte] omschreven als “Winkels in bloemen en planten, zaden en tuinbenodigdheden”, “Groothandel in overige machines, apparaten en toebehoren voor industrie en handel (rest)” en “Groothandel in emballage”. Het samenstel van goederen en voorwerpen dat bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats] is aangetroffen en de goederen en voorwerpen die staan vermeld op de in de administratie van [verdachte] aangetroffen verkoopfacturen vallen onder deze doelomschrijving. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben ter terechtzitting ook verklaard dat de bedrijfsvoering van [verdachte] geheel was gericht op het – rechtstreeks of via wederverkopers – verstrekken van middelen voor hennepteelt. De aan [verdachte] verweten gedraging past derhalve binnen de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en is ook dienstig geweest aan het door [verdachte] uitgeoefende bedrijf. Daarmee kan de ten laste gelegde en bewezenverklaarde gedragingen van (feitelijk) [betrokkene 2] en [betrokkene 1] redelijkerwijs aan [verdachte] worden toegerekend en kan zij derhalve worden aangemerkt als dader.”
2.3
Het hof heeft voorts ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

Bijzondere bewijsoverwegingen (meer subsidiaire verweer)
De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Daartoe is – kort weergegeven – het navolgende aangevoerd:
- ten eerste ontbreekt bij de verdachte de criminele intentie. Hij heeft er alles aan gedaan om erachter te komen wat de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet is;
- ten tweede richtten de verkoopactiviteiten van de verdachte zich op buitenlandse afnemers en groothandels. Verkooptransacties met buitenlandse afnemers leveren geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet op;
- ten derde stelt artikel 11a van de Opiumwet slechts strafbaar het faciliteren van grootschalige, bedrijfsmatige- of beroepsmatige hennepteelt. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake nu – buiten de legale transacties met buitenlandse wederverkopers – uitsluitend aan thuistelers is verkocht. Op de verdachte rust in dat verband geen onderzoeksplicht, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Voor zover het verweer inhoudt dat de verdachte geen criminele intentie had op het overtreden van artikel 11a van de Opiumwet, vindt het zijn weerlegging in de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de criminele intentie niet reeds ontbreekt wanneer voorafgaand onderzoek wordt gedaan naar de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet. Evenmin brengt het gegeven dat de verdachte de wet niet zou hebben willen overtreden, met zich dat hij – daarom – geen criminele intentie had. Sterker, uit hetgeen de medeverdachte [betrokkene 1] heeft teruggekoppeld gekregen in reactie op zijn verzoeken aan de politie en het Openbaar Ministerie, blijkt nu juist dat de reikwijdte van voormeld wetsartikel ten tijde van de inwerkingtreding daarvan nog niet uitgekristalliseerd was. Niettemin heeft de verdachte goederen te koop aangeboden, verkocht of voorhanden gehad die geschikt zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat het hier hennepgerelateerde spullen waren wisten de verdachte en de medeverdachten en zulks is ook erkend ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 augustus 2023.
Voorts blijkt uit de op die terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte dat door de medeverdachte [betrokkene 1] aan een vertegenwoordiger van [C] is gevraagd waarvoor de bestelde goederen zouden worden gebruikt. Daarop is volgens de verdachte geantwoord dat deze goederen voor de legale hennepteelt waren bestemd en om door te verkopen aan andere landen. Gelet op de omvang van de bestellingen van deze onderneming (waarmee ruim € 300.000,- in de bewezenverklaarde periode was gemoeid) gaf dit medeverdachte [betrokkene 1] – kennelijk – aanleiding om te vragen naar de achterliggende reden van de bestelling. Daaruit – in onderlinge samenhang bezien met de omvang van de bestellingen van [C] – blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte minst genomen ernstige reden had te vermoeden dat deze goederen voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt bestemd waren.
Voor zover het verweer inhoudt dat de verkooptransacties met buitenlandse afnemers/wederverkopers categorisch geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet opleveren, berust dit naar het oordeel van het hof op een te restrictieve uitleg van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, het feit dat goederen die bestemd zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt worden te koop worden aangeboden of verkocht aan een buitenlandse afnemer/wederverkoper in een land waar hennepteelt legaal zou zijn, brengt nog niet met zich dat de desbetreffende goederen ook voor de legale hennepteelt worden gebruikt. Evenmin kan worden uitgesloten dat goederen worden teruggeleverd of gebruikt in Nederland. Dat is in het onderhavige geval te meer niet uit te sluiten nu uit het dossier blijkt dat [C] een (zeer) grote afnemer is geweest van [verdachte] , en is gevestigd aan de [b-straat] in [plaats] te Duitsland, blijkens Google Maps op nog geen tien minuten rijden van de grens met Nederland.
Voor zover het verweer inhoudt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het faciliteren van de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt omdat de verkooptransacties –buiten legale transacties met buitenlandse wederverkopers – betrekking hadden op thuistelers, behoeft het geen bespreking (meer) nu het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat ook het te koop aanbieden en/of de verkoop aan buitenlandse afnemers/wederverkopers onder de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet kan vallen. Ten overvloede merkt het hof in dat kader nog op dat ook indien geen onderzoeksplicht op de verdachte rust, daarmee niet is gezegd dat zijn handelen niet strafbaar kan zijn op grond van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, ook zonder het bestaan van een onderzoeksplicht kunnen er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan een verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat de geleverde goederen zullen worden gebruikt voor de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt.
Hetgeen overigens nog is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwerpt dan ook het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting. Volgens de steller van het middel getuigt deze verwerping van een onjuiste rechtsopvatting en/of is deze ontoereikend gemotiveerd, omdat ook vormverzuimen die zijn begaan buiten het voorbereidend onderzoek ten aanzien van de verdachte aanleiding kunnen geven tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting.
3.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2023 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat de resultaten die zijn voortgekomen uit het onderzoek naar de administratie van de verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat deze administratie in een ander opsporingsonderzoek onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is vernietigd en dat de verdachte daardoor in haar verdediging is geschaad. De verdachte had aan de hand van de administratie willen aantonen dat zij enkel producten verkocht aan bedrijven in landen waarin de hennepteelt is gelegaliseerd, en aan Nederlandse handelsfirma’s. De verdachte zou – anders dan ten behoeve van de kleinschalige ‘thuisteelt’ – geen middelen hebben geleverd aan particulieren, zodat geen sprake is van de voorbereiding van een van de in art. 11 lid 3 en 5 Opw strafbaar gestelde feiten. Het door de verdediging gevoerde verweer houdt onder meer het volgende in:
“Administratie vernietigd
Het feit dat de administratie het belangrijkste middel is om aan te tonen dat de afnemers van de verkooptransacties buitenlandse bedrijven waren weegt zwaar bij een oordeel over de ontvankelijkheid en de schending beginselen van een behoorlijke procesorde in relatie tot art. 359a Sv.
De verdediging betoogt primair dat het OM niet ontvankelijk moet worden verklaard (art. 359a lid 1 sub c). De schending van beginselen van een behoorlijke procesorde is dermate ernstig dat een lichtere sanctie niet volstaat.
Subsidiair moeten de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen worden uitgesloten van het bewijs.
Het bewijs dat cliënten zich niet schuldig hebben gemaakt aan overtreding van art. 11a Opiumwet (het Growshopverbod) is juist vernietigd.
Een aanvullend proces-verbaal van de FIOD d.d. 20 juni 2023 rept over vermoedens dat de administratie op 11 juni 2020 is teruggegeven aan [betrokkene 3] , werkzaam bij een administratiekantoor in [plaats] .
11 juni 2020 is precies de dag van de uitspraak in eerste aanleg. Deze dag werkt kennelijk inspirerend op de verbalisanten van de FIOD.
De boekhouding is tijdens de invallen meegenomen.
Deze is teruggegeven voorafgaand aan de rechtszaak.
Daarop bracht [betrokkene 4] de boekhouding naar de boekhouder. Vervolgens kreeg de boekhouder een inval voor een andere zaak waarvan hij de boekhouding had. Toen heeft de politie ook de boekhouding van [D] meegenomen. Daarop heeft [betrokkene 4] de boekhouding meerdere keren teruggevraagd. Hij kreeg als antwoord dat de boekhouder moest tekenen voor ontvangst. [betrokkene 4] kreeg de boekhouding niet terug. Er was reeds toen een rechterlijke uitspraak dat de boekhouding terug moest naar [verdachte] waarvan [betrokkene 4] en zijn broer eigenaar waren. Uiteindelijk is de boekhouding vernietigd.
Daardoor kan de verdediging alleen met het bestaande dossier aantonen dat er geen illegale verkoopactiviteiten zijn geweest. Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten voor het verweer dat er uitsluitend sprake is geweest van verkooptransacties aan bijna uitsluitend buitenlandse bedrijven volgens het B2B model. In Nederland werd slechts sporadisch verkocht en dan ook alleen aan bedrijven (handelsfirma’s), zeker niet aan particulieren.
ECLI:NL:GHAMS:2016:4150 – Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard in de vervolging omdat een verbalisant inbeslaggenomen administratie niet deugdelijk heeft geverbaliseerd.
In de onderhavige zaak moest de administratie aan cliënten worden teruggegeven. Dat is niet gebeurd. Voor een oordeel over de tenlastelegging kan alleen worden gekeken naar de administratie die zich in het dossier bevindt.
Nu het OM een rechterlijk bevel in de wind heeft geslagen dient dit te leiden tot niet ontvankelijkheid.”
3.3
Het hof heeft in zijn arrest van 17 augustus 2023 het standpunt van de verdediging samengevat en het niet-ontvankelijkheidsverweer, evenals het op dezelfde gronden gevoerde bewijsverweer, als volgt afgewezen:

Bijzondere bewijsoverwegingen (primaire en subsidiaire verweer)
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de administratie van [verdachte] verloren is gegaan onder gezag van het Openbaar Ministerie en dat dit een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te volgen.
De verdediging heeft subsidiair – en op dezelfde gronden – bepleit dat de resultaten die zijn voortgekomen uit het onderzoek naar de administratie van [verdachte] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Ter onderbouwing hiervan is door de verdediging – kort weergegeven – de navolgende gang van zaken geschetst.
De administratie van [verdachte] is – na inbeslagneming in het kader van de onderhavige strafzaak – teruggegeven. Daarop is deze administratie door verdachte [betrokkene 1] aan de boekhouder van [verdachte] overhandigd. Vervolgens heeft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst onder die boekhouder documenten in beslag genomen in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek. Daarbij is – kennelijk – ook de administratie van [verdachte] (opnieuw) in beslag genomen. Na herhaaldelijke verzoeken door de verdachte, dan wel de medeverdachten, tot afgifte van deze administratie, zou het Openbaar Ministerie hebben geantwoord dat deze administratie slechts kon worden teruggegeven aan de boekhouder, nu de administratie onder hem in beslag genomen was. De boekhouder was op dat moment echter onvindbaar. Later zou de boekhouding zijn vernietigd, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Uit artikel 359a, eerste lid en onder b en c, juncto artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat – wil het hof kunnen bepalen dat de onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs dan wel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is – vereist is dat sprake is van vormen die bij het voorbereidend onderzoek zijn verzuimd, welke bovendien niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.
Het hof is, gelet op de door de verdediging geschetste gang van zaken, van oordeel dat geen sprake is van vormen die bij het voorbereidend onderzoek zijn verzuimd reeds omdat de inbeslagneming, als gevolg waarvan de verdachte en de medeverdachten kennelijk niet (meer) kunnen beschikken over de gehele administratie, heeft plaatsgehad in het kader van een ander opsporingsonderzoek dan het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak. De verdachte en de medeverdachten hebben immers zelf verklaard dat de administratie voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg reeds aan hen was teruggegeven.
Het hof komt derhalve niet toe aan de vraag of met dit verzuim – zo daarvan al sprake zou zijn – rekening dient te worden gehouden in zoverre dat bewijsuitsluiting of de niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie zou moeten volgen.
Voor zover de verdediging nog de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft bepleit omdat over de administratie niet deugdelijk zou zijn geverbaliseerd, overweegt het hof dat over de administratie wellicht summier is geverbaliseerd, maar niet is gebleken dat die verbalisering onjuist is. Bovendien zijn de verdachte en de medeverdachten ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 augustus 2023 geconfronteerd met de resultaten van [verdachte] over de boekjaren 2015, 2016 en 2017, en hebben zij desgevraagd te kennen gegeven dat deze cijfers volgens hen kloppen.”
3.4
Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) volgt dat de toepassing van art. 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. [2] Uit het arrest blijkt dat er onder omstandigheden ruimte kan bestaan om – op een andere grond dan art. 359a Sv – rechtsgevolgen te verbinden aan onrechtmatigheden die zijn begaan
buitenhet voorbereidend onderzoek ten aanzien van de verdachte. Het kan daarbij gaan om een vormverzuim begaan door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, of om een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. [3] Als voorbeelden noemt de Hoge Raad onder meer het handelen door een particuliere beveiliger [4] en het gebruik van resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek als bewijsmateriaal [5] . Als maatstaf geldt in zulke gevallen dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. [6]
3.5
Het oordeel van het hof dat de eventuele vernietiging van de administratie – het hof stelt niet vast dat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden – geen vormverzuim betreft dat is begaan binnen het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit, lijkt mij juist. Immers heeft het hof vastgesteld – en dat wordt door de verdediging ook niet betwist – dat de administratie van de verdachte na inbeslagname in het kader van onderhavige zaak aan de verdachte is teruggegeven. Het door de verdediging gevoerde verweer is summier onderbouwd en houdt niet in dat er een onrechtmatigheid is begaan buiten het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ten aanzien van het in deze zaak ten laste gelegde feit, waaraan buiten het kader van art. 359a Sv een rechtsgevolg moet worden verbonden. Het hof hoefde in zijn reactie op het verweer dus ook niet op deze mogelijkheid in te gaan.
3.6
Ik acht de verwerping van het verweer door het hof te meer niet onbegrijpelijk, omdat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd weinig concreet en innerlijk tegenstrijdig lijkt te zijn. Niet duidelijk is wat onder ‘de administratie’ moet worden verstaan. Het valt in ieder geval op dat delen van de administratie deel uitmaken van het dossier en dat het hof heeft besloten tot teruggave van administratie waarop nog strafvorderlijk beslag lag. Daar komt bij dat de raadsman van de verdachte in zijn pleidooi (weergegeven onder randnummer 3.2) enerzijds stelt dat de administratie van de verdachte is vernietigd, maar anderzijds verwijst naar een proces-verbaal van 20 juni 2023, dat – zo schrijft de raadsman – “rept over vermoedens dat de administratie op 11 juni 2020 is teruggegeven aan [betrokkene 3] ”. [7] Dit proces-verbaal is door de verdediging als bijlage aan de pleitnotitie gehecht en houdt onder meer in:
“In deze e-mailberichten en een daarbij bijgevoegd Excel bestand is onder andere te lezen dat er in het politieonderzoek Monrovia op 10-10-2018 op onderstaande adressen doorzoekingen hebben plaatsgevonden:
-object […] , [c-straat 1] [plaats] en
-object […] . [d-straat 1] [plaats] .
Op beide locaties werden voorwerpen fysiek in beslag genomen. Er werden ter plaatse geen digitale gegevens veilig gesteld (dus geen images gemaakt).
Bij de fysieke voorwerpen bevonden zich gegevensdragers zoals telefoons, computers en usb-sticks. De digitale gegevens op deze gegevensdragers werden op een later moment op het politiebureau veilig gesteld. Deze veilig gestelde digitale gegevens zijn inmiddels gearchiveerd en kunnen slechts met toestemming van het Openbaar Ministerie weer toegankelijk worden gemaakt voor de opsporing.
Het door [betrokkene 5] aan mij verstrekte Excel bestand betreft een lijst met de fysieke voorwerpen die op 10-10-2018 bij de objecten […] en […] in beslag zijn genomen en de status van de afwikkeling van dit fysieke beslag per 05-07-2023.
Op deze lijst staan bij diverse in beslag genomen voorwerpen de namen van toenmalige klanten van [betrokkene 3] vermeld. Ik heb gekeken of hierbij ook voorwerpen stonden met daarbij de naam ‘ [betrokkene 1] ’. Daarbij kwam enkel het volgende voorwerp naar voren:
- inbeslagnamecode B01.160:
‘rode ordner hypotheek [betrokkene 1] R [betrokkene 1] ’. terug gegeven op :‘11-06-2020’
Het merendeel van de op 10-10-2018 in beslag genomen fysieke voorwerpen is op 11-06-2020 terug gegeven. Bij de fysieke voorwerpen die nog niet zijn terug gegevens bevinden zich, voor zover na te gaan, geen voorwerpen met administratie van de gebroeders [betrokkene 1] .
Het vermoeden is dan ook dat de administratie van de gebroeders [betrokkene 1] , waarnaar de raadsman in zijn verzoek verwijst, digitale gegevens zijn die op één of meerdere van de fysiek in beslag genomen gegevensdragers stond(en).
Deze gegevensdragers, met daarop vermoedelijk administratie van de gebroeders [betrokkene 1] zijn op 11-06-2020 terug gegeven aan [betrokkene 3] . Daarmee had [betrokkene 3] sinds die datum weer de beschikking over de administratie van de gebroeders [betrokkene 1] . Volledigheidshalve kan worden vermeld dat er geen in beslag genomen administratie is vernietigd.”
3.7
Uit het proces-verbaal volgt dat er geen inbeslaggenomen administratie is vernietigd. Er zijn alleen fysieke voorwerpen in beslag genomen (waaronder gegevensdragers waarvan de digitale inhoud later is veiliggesteld), waarvan één ordner die kennelijk betrekking heeft op een hypotheek met de naam [betrokkene 1] . Het grootste deel van de inbeslaggenomen voorwerpen is op 11 juni 2020 teruggegeven aan [betrokkene 3] . De betrokken financieel rechercheur geeft aan dat bij de fysieke voorwerpen die nog niet zijn teruggegeven – voor zover na te gaan – zich niet de administratie van de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevindt. Het proces-verbaal waarnaar de verdediging zelf verwijst, spreekt dus de door de verdediging ingenomen stelling dat de administratie is vernietigd tegen, terwijl er naar het zich laat aanzien geen relevante administratie bij de opsporingsautoriteiten is achtergebleven. [8] Daarmee lijkt de grondslag van het toch al summier gemotiveerde verweer te ontvallen. De verwerping van het verweer door het hof is mede gelet hierop niet onbegrijpelijk.
3.8
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stoffen, voorwerpen en gegevens die zij voorhanden had en heeft verkocht bestemd waren tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw strafbaar gestelde feiten. Het middel houdt in de kern in dat de verdachte alleen middelen heeft verkocht aan buitenlandse afnemers en – in kleine hoeveelheden – aan particulieren, zodat de middelen niet waren bestemd tot de in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw omschreven feiten. Het hof zou deze aangedragen alternatieve gang van zaken onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen.
4.2
De steller van het middel richt zich met name tegen de hieronder weergegeven overwegingen, waarin het hof het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verdachte enkel leverde aan bedrijven in landen waarin de hennepteelt is gelegaliseerd en aan kleinschalige particuliere telers, verwerpt (reeds weergegeven onder randnummer 2.3):
“Voor zover het verweer inhoudt dat de verkooptransacties met buitenlandse afnemers/wederverkopers categorisch geen overtreding van artikel 11a van de Opiumwet opleveren, berust dit naar het oordeel van het hof op een te restrictieve uitleg van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, het feit dat goederen die bestemd zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt worden te koop worden aangeboden of verkocht aan een buitenlandse afnemer/wederverkoper in een land waar hennepteelt legaal zou zijn, brengt nog niet met zich dat de desbetreffende goederen ook voor de legale hennepteelt worden gebruikt. Evenmin kan worden uitgesloten dat goederen worden teruggeleverd of gebruikt in Nederland. Dat is in het onderhavige geval te meer niet uit te sluiten nu uit het dossier blijkt dat [C] een (zeer) grote afnemer is geweest van [verdachte] , en is gevestigd aan de [b-straat] in [plaats] te Duitsland, blijkens Google Maps op nog geen tien minuten rijden van de grens met Nederland.
Voor zover het verweer inhoudt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het faciliteren van de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt omdat de verkooptransacties –buiten legale transacties met buitenlandse wederverkopers – betrekking hadden op thuistelers, behoeft het geen bespreking (meer) nu het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat ook het te koop aanbieden en/of de verkoop aan buitenlandse afnemers/wederverkopers onder de reikwijdte van artikel 11a van de Opiumwet kan vallen. Ten overvloede merkt het hof in dat kader nog op dat ook indien geen onderzoeksplicht op de verdachte rust, daarmee niet is gezegd dat zijn handelen niet strafbaar kan zijn op grond van artikel 11a van de Opiumwet. Immers, ook zonder het bestaan van een onderzoeksplicht kunnen er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan een verdachte weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat de geleverde goederen zullen worden gebruikt voor de grootschalige, beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt.”
4.3
Uit de eerste onder 4.2 geciteerde alinea blijkt volgens de steller van het middel dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op de intentie waarmee de verdachte de voorwerpen voorhanden had en heeft verkocht: omdat de verdachte niet de intentie had dat de middelen werden gebruikt voor de illegale grootschalige of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, zou volgens de steller van het middel geen sprake zijn van een overtreding van art. 11a Opw. Ten aanzien van de tweede alinea neemt de steller van het middel het standpunt in dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het verweer dat in Nederland alleen werd verkocht aan kleinschalige particuliere telers, en dat zodoende de grootschalige of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt niet werd gefaciliteerd. Het hof had dit verweer niet onbesproken mogen laten, omdat het oordeel van het hof dat de verkoop van middelen aan buitenlandse afnemers kan vallen onder het bereik van art. 11a Opw getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
4.4
Voor strafbaarheid van de in art. 11a Opw omschreven handelingen is vereist dat de verdachte
weet of ernstige reden heeft om te vermoedendat de middelen die aanwezig zijn
bestemd zijntot – kort gezegd – de grootschalige of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Het schuldverband komt dus tot uitdrukking in een culpoze en een doleuze variant. De parlementaire stukken bij de invoering van art. 11a Opw houden over het bestemmingsvereiste en dit schuldverband in:
“Voor een veroordeling ter zake van overtreding van het nieuwe artikel 11a zal het openbaar ministerie moeten bewijzen dat betrokkene wist dat of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verrichte handelingen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van lijst II middelen of van grote hoeveelheden van die middelen. (…) Bij de lijst II middelen zal het in de praktijk om voorbereidingshandelingen met betrekking tot de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt gaan of teelt van grote hoeveelheden hennep. Van strafbare voorbereiding is sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan. Dit wordt door de leden van diverse fracties ook onderkend. Daarentegen zal de verkoop van alledaagse voorwerpen in een bouwmarkt of tuincentrum niet snel onder de voorgestelde strafbaarstelling gebracht kunnen worden. Daarvoor is immers nodig dat ten aanzien van concrete transacties tevens bewezen wordt dat bij de verkoper sprake was van een criminele intentie in de zin van wetenschap of de aanwezigheid van een ernstige reden om te vermoeden dat de verkochte goederen bestemd waren voor de illegale hennepteelt, hetgeen de verdachte er niet van heeft weerhouden om van de gedragingen af te zien. Voor een bewezenverklaring van een strafbare voorbereidingshandeling zal in die gevallen dus meer afhangen van het aantonen van de criminele intentie.” [9]
4.5
In aansluiting op de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328 overwogen dat voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opw vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. [10]
4.6
Het bestanddeel ‘bestemd’ heeft dus geen zuiver objectieve betekenis. Vastgesteld zal moeten worden dat de middelen (in hun onderlinge samenhang beschouwd) geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt (de middelen zijn dan
objectiefbestemd tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw omschreven feiten), [11] maar alleen dat lijkt voor een bewezenverklaring van het bestanddeel niet voldoende: volgens de Hoge Raad is voor de bewezenverklaring van de bestemming tevens van belang wat het uiteindelijke doel is ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht. In de zaak die centraal stond in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018 werd tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte geconstateerd dat in de meterkast de elektriciteit- en gasmeter ontbraken, terwijl in de woning wel stroom aanwezig was en gas werd afgenomen, en werden in de kelder twee kweekinrichtingen zonder hennepplanten aangetroffen. De verdachte verklaarde dat er bij hem in de kelder eerder een hennepplantage was aangetroffen en dat de voorwerpen die daarmee verband hielden destijds niet zijn opgeruimd. Hij verklaarde verder: “(i)k heb de kelder waarin de goederen zijn aangetroffen dichtgemaakt. Ik heb het luik nog wel eens geopend, maar maakte dat vervolgens dicht. Ik vind het goed zo dacht ik.” Het hof had deze verklaring voor het bewijs gebezigd, en daarmee achtte de Hoge Raad de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. [12] Uit de bewijsmiddelen volgde wel dat er middelen voorhanden waren die objectief geschikt waren voor de grootschalige, dan wel beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat de verdachte wetenschap had ten aanzien van de
objectievebestemming van die middelen (de verdachte verklaart immers zelf dat eerder een hennepplantage is aangetroffen in zijn kelder, dus hij zal weten dat de middelen die nog aanwezig zijn in de kelder daartoe geschikt zijn), maar uit de bewijsmiddelen bleek niet dat aan de middelen enige actuele criminele bestemming werd gegeven. In dit geval was zelfs sprake van een contra-indicatie van zo’n criminele bestemming: de verdachte verklaarde immers dat hij het luik dicht had gemaakt, waardoor de kelder niet meer in gebruik was.
4.7
Het bestanddeel ‘bestemd’ heeft naast een objectieve dus ook een subjectieve component: de middelen zullen in objectieve zin geschikt en in subjectieve zin bestemd (in de zin van bedoeld) moeten zijn voor het plegen van een van de in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw omschreven feiten. [13] De subjectieve bestemming lijkt niet telkens zelfstandig te hoeven worden vastgesteld. Wanneer een verdachte een growshop uitbaat die zich richt op de Nederlandse professionele hennepteelt, dan ligt in dat handelen doorgaans al besloten dat het handelen een criminele bestemming heeft: de grootschalige en beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt is in Nederland immers strafbaar gesteld in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw. [14] In andere gevallen kan het nodig zijn dat de feitenrechter over die criminele bestemming nadere vaststellingen doet. Wanneer bijvoorbeeld door een medewerker van een tuincentrum middelen worden verkocht die geschikt zijn voor de hennepteelt, dan is het doorgaans niet de medewerker die aan de middelen een criminele bestemming geeft, maar de koper. [15] De strafbaarheid van de medewerker van het tuincentrum kan vervolgens schuilen in het weten, dan wel ernstige reden hebben om te vermoeden dat de koper de voorwerpen aanschaft ten behoeve van de illegale hennepteelt. Blijkt uit het dossier niet dat de koper enig crimineel doel nastreefde met de aankoop van de middelen, dan zou de medewerker van het tuincentrum niet strafbaar moeten zijn op grond van art. 11a Opw: wanneer er immers geen crimineel doel bestaat, wordt er ook niets
voorbereid.
4.8
In de zaak die in deze conclusie centraal staat, heeft de rechtbank de volgende vaststellingen gedaan over de in het bedrijfspand van de verdachte aangetroffen middelen (reeds weergegeven onder 2.2, maar hier voor het lezersgemak herhaald):
“In het bedrijfspand van de verdachte zijn onder meer de volgende producten aangetroffen: verrijkte aarde en potgrond, steenwol en kokos, stekkenpluggen, groei- en bloeimiddelen, producten voor ziektebestrijding waaronder signaleringsvellen, kachels, luchtbevochtigers, hygrometers, waterpompen, waterslangen, ventilatoren en watervaten. De groei- en bloeimiddelen waren in grootverpakkingen (jerrycans) ruim voorhanden. Gebruik van deze stoffen en voorwerpen bij de teelt van hennep zijn indicatoren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Tot het bedrijfsassortiment behoorden verder stekkentrays, simpele zwarte plastic bloempotten in een aantal maten in grote hoeveelheden, vijverfolie, bevestigingsmaterialen voor slangen, stroom- en installatiekabels, zekeringen, gripzakken, strijkzakken, latex handschoenen en bigshoppers. Dit betreffen goederen waarmee beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige kwekerijen plegen te worden ingericht en de opbrengst van die kwekerijen wel wordt vervoerd. [verdachte] verkocht verder ook geselecteerde hennepzaden. Er is een groot aantal gefeminiseerde en autoflower hennepzaden aangetroffen bij het onderzoek op 26 juni 2017. Uit het dossier blijkt verder dat goederen die weliswaar niet bij de verdachte in het bedrijfspand zijn aangetroffen, en die in de regel wel worden aangetroffen bij beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt, bij [verdachte] konden worden besteld. Van deze goederen zijn in de winkel folders, prijslijsten, catalogussen en bestellijsten aangetroffen. Koolstoffilters, assimilatielampen, kweektenten, cannacutters, alles kon en werd geleverd door [verdachte] . Ten aanzien van voormelde stoffen en voorwerpen is niet aannemelijk dat deze worden gebruikt door kleinschalige, niet professionele thuistelers. Gezien de voorhanden en in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 verhandelde stoffen en voorwerpen kan worden bewezen dat [verdachte] stoffen en voorwerpen die bestemd zijn voor beroeps- of bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt (hierna: illegale hennepteelt) te koop heeft aangeboden, verkocht en voorhanden heeft gehad.”
4.9
Uit de combinatie van de in het bedrijfspand aangetroffen voorwerpen en stoffen, de schaal waarop deze middelen voorhanden waren en de aard van de middelen die bij de verdachte konden worden besteld, heeft het hof – met de rechtbank – afgeleid dat de stoffen en voorwerpen die de verdachte voorhanden had in objectieve zin bestemd zijn voor de grootschalige of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Dat de middelen deze objectieve bestemming hebben, wordt in cassatie niet betwist. Evenmin wordt – zowel in cassatie als in hoger beroep – betwist dat de verdachte van de geschiktheid van deze middelen ten behoeve van de grootschalige hennepteelt op de hoogte was. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 augustus 2023 verklaren de rechtsgeldig vertegenwoordigers van de verdachte bijvoorbeeld:
“U, voorzitter, houdt voor dat de rechtbank op pagina 10 van het vonnis overweegt: “Het assortiment van [verdachte] beperkt zich ook na 1 maart 2015 tot producten die kunnen worden gebruikt voor illegale hennepteelt. Overig assortiment ontbreekt.” Wij verklaren daarop dat je veel van die spullen voor van alles kunt gebruiken. U, voorzitter, vraagt ons of wel alles wat we daar hadden staan gebruikt kon worden voor de hennepteelt. Wij verklaren daarop dat alles daarvoor kon worden gebruikt.”
4.1
De vraag die in cassatie centraal staat, is of het handelen van de verdachte heeft gestrekt ter voorbereiding of vergemakkelijking van de
illegalehennepteelt, zoals bedoeld in art. 11 lid 3 en lid 5 Opw. Immers neemt de steller van het middel (in navolging van de verdediging in feitelijke aanleg) het standpunt in dat alleen werd verkocht aan bedrijven in landen waarin de hennepteelt is gelegaliseerd en aan kleinschalige thuistelers. De middelen zouden in
subjectieve zindus niet bestemd zijn tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 of lid 5 Opw omschreven feiten.
4.11
Dat de illegale hennepteelt daadwerkelijk de bestemming van de stoffen en voorwerpen was en dat de rechtsgeldig vertegenwoordigers van de verdachte dit ook wisten, leidt de rechtbank – en daarmee het hof – af uit de totale bedrijfsvoering. Daarbij heeft het hof onder meer van belang geacht dat de onderneming een voormalige growshop betreft waarvan het assortiment – dat beperkt is tot producten die kunnen worden gebruikt voor de hennepteelt – is gehandhaafd na de wetswijziging van 1 maart 2015 waarbij art. 11a Opw is ingevoerd, en dat de verdachte hennepzaden verkocht aan particulieren in hoeveelheden groter dan vijf stuks. Ook de wijze waarop de verdachte zich op haar website profileert (als professionele verkoper van gefeminiseerde zaden in alle aantallen), waarbij actief de mogelijkheid tot contante betaling van grote bedragen wordt aangeboden, draagt daaraan volgens rechtbank en hof bij. Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat onmiskenbaar is dat sprake was van de verkoop van stoffen en voorwerpen objectief bestemd voor de illegale hennepteelt, terwijl de onderneming bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat de aangeboden voorwerpen en stoffen voor die bedrijfs- of beroepsmatige illegale hennepteelt waren bestemd.
4.12
Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de alternatieve bestemmingen (de thuisteelt en de legale hennepteelt in het buitenland) die de verdediging in hoger beroep heeft aangedragen. De stelling dat de verdachte zich uitsluitend richtte op thuistelers werd door de rechtbank en het hof volstrekt onaannemelijk geacht. Aan dat oordeel is ten grondslag gelegd dat de verdachte zich op haar (Nederlandstalige) website profileerde als verkoper van hennepzaden in alle aantallen, en dat het assortiment en de inhoud van de website van de verdachte ook voor het overige was gericht op de grootschalige, professionele hennepteelt. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de werkelijke verkoop van hennepzaden zich niet beperkte tot vijf stuks aan particulieren; het hof heeft in ieder geval ten aanzien van één particulier vastgesteld dat grotere aantallen hennepzaden werden geleverd. [16] Het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet (uitsluitend) strekte tot het faciliteren van de kleinschalige hennepteelt, acht ik in het licht van deze vaststellingen niet onbegrijpelijk.
4.13
Onder randnummer 4.7 merkte ik op dat de criminele bestemming van de middelen niet telkens zelfstandig hoeft te worden vastgesteld. Die bestemming hoeft niet noodzakelijk te worden afgeleid uit hetgeen kan worden vastgesteld over de daadwerkelijke verkoop die plaatsvond (wie waren de afnemers, en wat waren zij met de middelen van plan?), maar kan ook volgen uit de aard van het handelen van de verdachte. Ook wanneer middelen enkel
voorhanden zijn,kunnen zij immers al bestemd zijn tot het plegen van een van de in art. 11 lid 3 of lid 5 strafbaar gestelde feiten. In onderhavige zaak heeft het hof onder meer vastgesteld dat de website van de verdachte op verschillende plaatsen vermeldde dat contant kon worden betaald (ook per post), dat de website volledige handleidingen bevatte voor de kweek van cannabis, dat een systeem werd gepromoot waarmee zeven maal per jaar kan worden geoogst (de website vermeldt hierover: “De tijden dat je kwekerij leeg staat, omdat er geen stekken te krijgen zijn, zijn voorgoed voorbij”), en dat op de website een kweektent werd geadviseerd van 120x120x200 cm, waarin “met gemak 300 plantjes (passen) als je potten van 9x9x10 gebruikt”. De verdachte richtte zich met deze adviezen en mogelijkheden kennelijk op een Nederlandse markt, gelet op het Nederlandse webadres (www. [B] .nl) en de Nederlandse voertaal van de website. In dit licht acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte ernstige reden had om te vermoeden, dan wel wist dat zijn handelen strekte ter voorbereiding dan wel vergemakkelijking van de in art. 11 lid 3 of lid 5 omschreven strafbare feiten, niet onbegrijpelijk.
4.14
In het kader van het verweer dat de verdachte leverde aan buitenlandse bedrijven in landen waarin de hennepteelt is gelegaliseerd, heeft het hof vastgesteld dat het Duitse [C] van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 de grootste afnemer is geweest van de verdachte. In die periode kocht het bedrijf voor zo’n € 320.000,00 [17] aan goederen in bij de verdachte, en werden nagenoeg alle facturen contant voldaan. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat door de medeverdachte [betrokkene 1] aan een vertegenwoordiger van het Duitse bedrijf is gevraagd waarvoor de bestelde goederen zouden worden gebruikt, en dat daarop is geantwoord dat deze goederen voor de legale hennepteelt waren bestemd en om door te verkopen aan andere landen. [18] Het hof leidt uit de grote omvang van de bestellingen en het feit dat medeverdachte [betrokkene 1] kennelijk aanleiding zag om navraag te doen naar de achterliggende reden van de bestelling, af dat de verdachte minst genomen ernstige reden had te vermoeden dat deze goederen voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt bestemd waren. Daarbij heeft het hof in reactie op het verweer van de verdachte overwogen dat wanneer goederen die bestemd zijn voor de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt te koop worden aangeboden of verkocht aan een buitenlandse afnemer/wederverkoper in een land waarin hennepteelt legaal zou zijn, dit nog niet meebrengt dat de desbetreffende goederen ook voor de legale hennepteelt worden gebruikt.
4.15
Dat de verdachte ook voorwerpen verkocht aan een bedrijf in een land waarin de hennepteelt legaal zou zijn, [19] doet aan het oordeel van het hof dat de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeboden voorwerpen en stoffen voor de bedrijfs- of beroepsmatige illegale hennepteelt waren bestemd, niet af. Wanneer een verdachte weet dat hij voorwerpen voorhanden heeft die geschikt zijn voor de professionele hennepteelt, terwijl die teelt in ieder geval in Nederland, maar ook in diverse andere landen illegaal is, dan mag van de verdachte grote voorzichtigheid worden verwacht omtrent de verkoop aan buitenlandse bedrijven. In het onderhavige geval is door het hof vastgesteld dat door het Duitse [C] voor zeer grote bedragen bij de verdachte is ingekocht en dat vrijwel al deze betalingen contant (in grote coupures) zijn voldaan. [20] Die omstandigheid had bij de verdachte de alarmbellen moeten laten afgaan. Dat is in zekere zin ook gebeurd, want het hof heeft vastgesteld dat de verdachte navraag heeft gedaan bij het Duitse bedrijf over de vervolgbestemming van de geleverde middelen. Met het enkele antwoord dat de middelen bestemd waren voor de legale hennepteelt en om te worden doorverkocht, had de verdachte onder de voorliggende omstandigheden – zo sluit ik me bij het hof aan – geen genoegen mogen nemen. Het oordeel van het hof dat de verdachte onder deze omstandigheden bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat hij ook met de verkoop aan buitenlandse bedrijven [21] de illegale hennepteelt faciliteerde [22] , acht ik niet onbegrijpelijk.
4.16
Het tweede middel faalt.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 24 augustus 2023. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is in de cassatiefase nu reeds overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De verdachte wordt in de uitspraken van de rechtbank en het hof aangeduid als ‘ [verdachte] ’. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) van 8 juni 2017, waarnaar de rechtbank in haar vonnis verwijst (voetnoten 2, 4 en 69) volgt dat [verdachte] bekend staat onder KvK-nummer […] en is ingeschreven op de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] . De enig aandeelhouder van de onderneming is [A] B.V. Uit het uittreksel van de KvK van 8 juni 2017 ten aanzien van [A] B.V., dat zich bevindt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de bestuurders zijn van [A] B.V. Uit een bevraging van het KvK-register door de griffie van de Hoge Raad op 9 oktober 2025 blijkt dat onder het KvK-nummer […] nu ‘ [verdachte] B.V.’ geregistreerd staat, ingeschreven op de [a-straat 2] [vestigingsplaats] . De enig aandeelhouder van deze onderneming is [A] B.V., en de oprichtingsdatum van [verdachte] B.V. is gelijk aan die van [verdachte] Uit het voorgaande volgt dat sprake is van dezelfde rechtspersoon, met thans een andere naam. Dat wordt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , de rechtsgeldige vertegenwoordigers van [verdachte] , ook bevestigd op de terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2023. Zij verklaren: “(w)ij hebben zowel [verdachte] als [A] B.V. opgericht. We zijn allebei ultimate beneficial owner (UBO) van [verdachte] en – via [A] B.V., – middellijk bestuurder van [verdachte] Verder zijn we allebei 50% aandeelhouder van [A] B.V. [A] B.V. is enig aandeelhouder van [verdachte] Inmiddels heet [verdachte] anders, namelijk [verdachte] , en houdt het bedrijf zich bezig met de verkoop en installatie van airconditioning systemen. Die naamswijziging heeft ongeveer twee jaar geleden plaatsgevonden. [A] B.V. zit er nog steeds tussen als holding.”
2.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
3.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
4.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
5.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
6.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.2.2.
7.VS: [betrokkene 3] was de boekhouder van de verdachte.
8.Voor de goede orde merk ik op dat de administratie waarop de verdediging doelt (en waarnaar in het onder 3.6 weergegeven proces-verbaal wordt verwezen) andere administratie betreft dan de bedrijfsadministratie ten aanzien waarvan het hof in het onderhavige arrest de teruggave heeft gelast.
10.HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,
11.In HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2959 oordeelde de Hoge Raad dat de op art. 11a Opw toegesneden bewezenverklaring niet zonder meer uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad mede in aanmerking dat de verdediging had aangevoerd dat de aangetroffen koolstoffilters waren beschadigd en in de kweektent gaten zaten. Getwijfeld kon dus worden aan de objectieve geschiktheid van de goederen voor de grootschalige of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Daarnaast is het de vraag of er sprake was van een actuele criminele bestemming, zie nader onder de randnummers 4.6 en 4.7 van deze conclusie.
12.HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,
13.Zie de annotatie van Rozemond bij HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,
14.Vgl. concl. A-G Spronken voor HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1311 (ECLI:NL:PHR:2022:604), randnummer 5.5 en concl. A-G Aben voor HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1843 (ECLI:NL:PHR:2024:1090), randnummers 13 en 14.
15.Zie de annotatie van Rozemond bij HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,
16.Bij de beoordeling of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt wordt onder meer waarde toegekend aan de hoeveelheid planten die zijn aangetroffen. Bij het aantreffen van vijf planten of minder wordt doorgaans aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen, hoewel het aantal planten niet in alle gevallen doorslaggevend is. Zie onder meer
17.Uit de bewijsvoering blijkt dat in de periode van 1 maart 2015 tot en met 26 juni 2017 een bedrag van in totaal € 1.384.620,- met betrekking tot omzet contant werd gestort. [C] was in die periode dus ongeveer goed voor een kwart van de (contante) omzet.
18.Daarbij merkt het hof op dat [C] is gevestigd in [plaats] , op nog geen tien minuten rijden van de Nederlandse grens.
19.Dat het – in zijn algemeenheid – juist is dat het in de bewezenverklaarde periode in Duitsland legaal was om hennep te telen, betwijfel ik. Pas op 1 april 2024 is het
20.Het hof stelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het illegale circuit gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld, doorgaans in grote coupures.
21.Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ook aan een Spaans bedrijf leverde. Voor zover ik kan overzien is ook daar hennepteelt slechts onder zeer strikte voorwaarden toegestaan.
22.Zie ook de annotatie van Rozemond bij HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328,