ECLI:NL:PHR:2025:1270

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
24/02982
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens (mede)plegen van diverse feiten uit de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie

In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor het (mede)plegen van verschillende feiten uit de Opiumwet, waaronder het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. De zaak is voortgekomen uit het strafrechtelijk onderzoek 'Verdejo', waarbij de verdachte betrokken was bij activiteiten rondom een loods in [plaats]. In deze loods werden diverse voertuigen waargenomen die gerelateerd waren aan hennephandel. De verdachte is bij arrest van 25 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, waarbij drie middelen van cassatie zijn voorgesteld. De eerste twee middelen zijn gericht tegen de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie, terwijl het derde middel betrekking heeft op de afwijzing van een verzoek om medeverdachten als getuigen te horen. Het hof heeft de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie bevestigd, waarbij het hof heeft overwogen dat er sprake was van een gestructureerde samenwerking tussen de verdachten gericht op het plegen van misdrijven. De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de organisatie, die als oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen van grote hoeveelheden hennep en hasj. Het hof heeft de verweren van de verdediging verworpen en de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02982
Zitting18 november 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 juli 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-001854-21), middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juli 2021, wegens:
- in de zaak met parketnummer 02-090890-19: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- in de zaak met parketnummer 02-044490-21 onder feit 1: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, vierde lid en vijfde lid van de Opiumwet”;
- in de zaak met parketnummer 02-044490-21 onder feit 2: “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden (met aftrek van voorarrest). [1]
1.2
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De zaak vloeit voort uit het strafrechtelijk onderzoek met de naam Verdejo, en speelt zich (met name) af rondom een loods aan de [a-straat 1] te [plaats] , op welk adres bij de Kamer van Koophandel een autobedrijf was geregistreerd. Bij de loods werden diverse voertuigen waargenomen die, rechtstreeks of via de tenaamgestelde of bestuurder, te relateren waren aan hennephandel. Op basis van camerabeelden is vastgesteld dat zeven verdachten in deze zaak, in wisselende samenstelling en op wisselende momenten, in de loods aanwezig waren en dat in de loods regelmatig derden verschenen waarna (na sluiting van de rolluiken en activering van beveiligingscamera’s buiten de loods) pakketten werden uitgeladen, de inhoud werd gekeurd en de pakketten, soms na te zijn omgepakt, in een andere auto werden geladen. Gedurende het onderzoek zijn een aantal van deze auto’s afgevangen en werden hierin softdrugs aangetroffen, en eenmalig amfetamine en cocaïne. De verdachte is veroordeeld ter zake van twee specifieke feiten (opzettelijk aanwezig hebben van hennep en afleveren, verstrekken en vervoeren van hasjiesj) en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (Ow).
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. De eerste twee middelen zijn gericht tegen de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie. Het derde middel heeft betrekking op de afwijzing van het verzoek de medeverdachten te horen als getuige, in het kader van de verdenking van dit feit.
1.4
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02940, 24/02974, 24/02933 en 24/03275. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.De bewezenverklaring

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

02-090890-19
op 15 april 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 3,12 kilo hennep zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
02-044490-21
1.
in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 te [plaats] heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede en derde en vierde en vijfde lid, namelijk het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 aanhef en onder A en B en C van de Opiumwet,
te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van:
- grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en
- grote hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;
2.
op 25 november 2019 te [geboorteplaats] opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van 2.218 gram, hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.2
De rechtbank heeft in het vonnis enkele algemene (aan bespreking van de ten laste gelegde feiten voorafgaande) bewijsoverwegingen opgenomen, die blijkens het arrest door het hof zijn bevestigd. [2] Deze overwegingen houden onder meer het volgende in:

Algemeen
(…)
Uit de beschrijving van de camerabeelden komt ook duidelijk het beeld naar voren van een soepele samenwerking tussen de verdachten. Er is sprake van een modus operandi. Op momenten dat een derde de loods betreedt, treden verdachten als groep naar voren waarbij ieder zijn eigen rol vervult. Gezien wordt onder meer dat derden door de aanwezige verdachten worden begroet, de roldeuren worden gesloten, camera’s die zicht hebben op hetgeen buiten de loods plaatsvindt worden aangezet en worden bekeken, handschoenen worden aangedaan en er spullen worden overgeladen van de ene naar de andere auto. Sommige verdachten helpen daar dan bij en anderen staan ernaar te kijken. In wisselende samenstellingen worden handelingen door de verdachten verricht, die ook per moment en per verdachte kunnen variëren.”
“(Mede)plegen
(…)
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de strafbare handelingen ten aanzien van de softdrugs pleegde in vereniging met anderen. Er werd dusdanig als groep opgetreden dat dit kan worden geduid als een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachten waren in wisselende samenstelling vaak in een loods aanwezig, kennelijk met de bedoeling een bijdrage aan de handel in drugs te leveren. Als groep zijn op veel momenten handelingen verricht: rolluiken gaan dicht, camera’s gaan aan, mensen begroeten elkaar en pakketten worden uitgeladen, de inhoud wordt gekeurd door ruiken en bekijken en - soms na te zijn omgepakt - in een ander voertuig geladen. Op een oppervlakte van slechts enkele vierkante meters, staan verdachten allemaal (en soms letterlijk) met hun neus boven op deze handelingen, die worden verricht voor, tijdens en/of nadat er een derde de loods in komt gereden. De aandacht van alle aanwezigen richt zich op hetgeen er op dat moment in de loods plaatsvindt. Deze feiten en omstandigheden, te zien gedurende de gehele periode van observatie, in onderling verband en in samenhang te zien, vertonen een nauwe samenwerking waarbij men klaarblijkelijk helemaal op elkaar is ingespeeld. Kennelijk was het voor een ieder duidelijk wat er door wie moest gebeuren en werd daar ook naar gehandeld zonder dat hierover overleg ter plaatse nodig was. Het kan niet anders zijn dan dat dit na onderlinge afstemming plaatsvond. Ook wanneer de bijdrage van een verdachte op enig moment enkel bestond uit het op korte afstand toekijken, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het terugkerende patroon en de genoemde omstandigheden waarbij deze verdachten op andere momenten wel een actieve bijdrage hadden, sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen. Verdachten waren (behoudens die gevallen waarin de rechtbank ten aanzien van en bepaalde verdachte tot vrijspraak komt) met maar één doel samen aanwezig in de loods, namelijk om de handel in drugs soepel te laten verlopen en zij traden als zodanig ook als groep op jegens de andere bezoekers van de loods.
(…)
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] ook wetenschap had van de aard van de activiteiten die in de loods plaatsvonden en overweegt daartoe het volgende.
Het betreft een feit van algemene bekendheid dat hennep een sterke geur met zich meebrengt. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte in de nabijheid van de pakketten hennep heeft gestaan en/of handelingen heeft verricht met betrekking tot deze pakketten. [verdachte] moet een hennepgeur hebben geroken en wist aldus dat er sprake was van handel in hennep. Dat er een sterke geur in de loods aanwezig was, blijkt ook uit de camerabeelden waarop is te zien dat er na een transactie kennelijk luchtverfrisser in de loods werd gespoten, een handeling die kennelijk was bedoeld om de sterke geur in de loods te maskeren.
Daarbij zijn er in de auto van [verdachte] onder de bijrijdersstoel aantekeningen aangetroffen met hoeveelheden en de termen ‘nat’ en ‘droog’. Ook de vermelding van deze in de hennephandel gebruikte termen duidt op wetenschap bij [verdachte] dat er sprake was van hennep. Verdachte heeft er geen andere verklaring voor gegeven.
2.3
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie als volgt overwogen:

Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot het onder parketnummer 02-044490-21 onder 1 tenlastegelegde
De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet. Deze gronden komen - kort gezegd - op het volgende neer. Niet kan worden bewezen dat sprake was van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Als al sprake was van een organisatie, kan niet worden bewezen dat die organisatie als oogmerk had het plegen van drugsdelicten. Bovendien is er geen bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie. De verdachte heeft geen aandeel gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het bedoelde oogmerk en ook het vereiste opzet ontbrak bij de verdachte, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Juridisch kader
Aan de verdachte is tenlastegelegd het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht). De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk, kort gezegd:
- het voorbereiden en/of het in de uitoefening van een bedrijf of beroep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj en/of
- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine.
Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop.
Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.
Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een misdrijf / misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een misdrijf / misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.
Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten — in het kader van de criminele organisatie — verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming bij de afzonderlijke de verdachte gaat er om of kan worden vastgesteld:
- of de verdachte - in zijn algemeenheid - wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.
Beoordeling
Het hof overweegt, gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank, het volgende.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, dat er in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Uit de camerabeelden blijkt dat alle zeven in de tenlastelegging genoemde verdachten in de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 zeer regelmatig, en sommigen zelfs vrijwel dagelijks, aanwezig zijn geweest in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] en dat zij daar, in wisselende samenstellingen, activiteiten hebben verricht die verband houden met de handel in hennep en hasj. Deze activiteiten worden per dag beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen. Het gaat dan onder meer om het uit-, in- en/of overladen van hennep en hasj en het keuren en herverpakken ervan.
Voor zover de verdediging heeft betwist dat de verdachte een of meer van dergelijke gedragingen heeft begaan en/of dat hij alleen in de loods kwam om te ‘chillen’ zonder enige betrokkenheid te hebben gehad bij de drugshandel, vindt het zijn weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder in de beschrijving van de camerabeelden. Het hof voegt daaraan toe, dat het bovendien niet geloofwaardig is dat als personen bezig zijn met verboden drugshandel in een loods, zij tegelijkertijd anderen toelaten in die ruimte om daar alleen te ‘chillen’. De handel in drugs gaat immers gepaard met grote risico’s voor de betrokkenen, vanwege de geldwaarde van die drugs, de veelal grote contante geldbedragen die in die handel omgaan en de kans op ontdekking door concurrenten of de politie. Om deze risico’s zo klein mogelijk te houden, zullen alleen rechtstreeks betrokkenen tot dit proces worden toegelaten en zullen pottenkijkers die alleen in de loods aanwezig willen zijn om te ‘chillen’ daarbij normaal gesproken niet worden getolereerd.
Uit de bewijsmiddelen komt voorts naar voren dat de handel niet beperkt bleef tot enkele dagen, maar dat sprake was van een komen en gaan van leveranciers en afnemers en een continu proces van ontvangst en levering van partijen drugs, waarbij iedere genoemde verdachte gedurende de gehele periode op vele dagen was betrokken. Gedurende 54 observatiedagen werden enkele tientallen afzonderlijke transacties waargenomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof ook de duurzaamheid van de organisatie.
Op de camerabeelden, zoals beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, is te zien dat er bijna dagelijks handelingen werden verricht die te maken hadden met de handel in softdrugs. Weliswaar zijn niet alle waargenomen pakketten afgevangen, maar nu de gedragingen van de verdachte en de medeverdachten met en rond die pakketten steeds vergelijkbaar waren met de gedragingen die zijn waargenomen bij de pakketten die wel zijn afgevangen en waarvan is vastgesteld dat die softdrugs bevatten en ook de verpakkingen van die pakketten telkens min of meer gelijk waren, heeft het hof geen enkele aanleiding om eraan te twijfelen dat al die pakketten telkens hasj of hennep bevatten en dat die gedragingen betrekking hadden op de handel daarin. De verdachte en de medeverdachten hebben ook niet verklaard dat het om iets anders zou gaan dan om hasj of hennep.
Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat er sprake was van stelselmatige activiteiten met een vaste modus operandi, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel softdrugs te verhandelen. Daarmee staat voor het hof vast dat de handel in softdrugs het oogmerk was van de organisatie.
Met de rechtbank stelt het hof verder vast dat ook de (verlengde) uitvoer van softdrugs tot het oogmerk van de organisatie behoorde. De loods waar de drugs werden verhandeld bevindt zich niet ver van de Belgische grens en gedurende het onderzoek zijn meerdere malen auto’s met Belgische kentekens de loods in- en uitgereden die hennep of hasj kwamen halen of brengen. Enkele malen is een auto met verdovende middelen die de loods had verlaten bovendien op weg naar België onderschept.
Het hof is van oordeel dat de gedragingen met betrekking tot de softdrugs kunnen worden aangemerkt als te zijn begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op het grote aantal transacties in een betrekkelijk korte tijd, de hoeveelheid verhandelde drugs, de vaste manier van werken en de mate waarin de verdachten op elkaar waren ingespeeld. Een en ander is duidelijk niet het werk geweest van personen die ‘het erbij deden’, maar van professionals.
Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter.
Alle verdachten hebben in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die de verdachte leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de bewijsmiddelen.
Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op geroutineerde wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Het hof merkt alle verdachten dan ook aan als deelnemer aan de criminele organisatie.
Wat betreft de tenlastegelegde periode overweegt het hof als volgt. De aanleiding van het onderzoek ‘Verdejo’ is onder andere geweest de controle van een Chrysler Grand Voyager met verborgen ruimtes en met als bestuurder [betrokkene 1] op 20 november 2018. Na het plaatsen van een peilbaken werd dit voertuig op 26 en 27 november 2018 gezien aan de [a-straat 1] te [plaats] . Daarna werden de verdachten in het onderzoek ‘Verdejo’ op verschillende data bij de loods gezien. Tevens is waargenomen dat er auto’s af en aan reden; auto’s en bestuurders die te relateren waren aan hennephandel. Op 8 januari 2019 werd op het adres van voornoemde [betrokkene 1] 38 kilo hennep en 1 kilo hasj aangetroffen.
Het hof stelt op basis hiervan vast dat er vanaf november 2018 gedragingen zijn waargenomen, die vergelijkbaar zijn met de gedragingen zoals die hierboven zijn beschreven en die verband houden met de handel in drugs.
Ondanks dat er niet bij alle waarnemingen sprake is geweest van een ‘afvang’, kan er naar het oordeel van het hof wel worden bewezen dat ook in de periode voorafgaand aan de observatie van de loods in [plaats] , te weten van november 2018 tot en met 21 februari 2019 al sprake was van drugshandel door de criminele organisatie waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd.
Concluderend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj.
De gevoerde bewijsverweren worden verworpen.”

3.Het eerste middel

3.1
In het eerste middel wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie (en de weerlegging van een gevoerd bewijsverweer). Gesteld wordt dat de bewijsmiddelen waarop het hof de bewezenverklaring heeft gestoeld ontbreken en, in het verlengde hiervan, dat in de nadere bewijsoverwegingen van het hof wordt verwezen naar redengevende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen zouden moeten blijken, terwijl het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de redengevende feiten en omstandigheden heeft aangeduid en daarbij de wettige bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
3.2
Dit middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu sprake is van een kennelijke verschrijving in de bijlage bij het vonnis waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Ik licht dit toe.
3.3
Deelneming aan de criminele organisatie is ten laste gelegd en bewezen verklaard onder feit 1 van de zaak met parketnummer 02-044490-21. Ten aanzien van dit feit heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan. [3] Het hof heeft blijkens het arrest de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen overgenomen (met uitzondering van enkele onderdelen die zagen op harddrugs). De inhoud van de bewijsmiddelen die het hof wel overneemt worden in het arrest als herhaald en ingelast beschouwd.
3.4
Het vonnis bevat een bijlage bewijsmiddelen. In de bijlage is een structuur aangebracht door middel van (tussen)kopjes. In deze rubricering is een fout geslopen: de parketnummers zijn door elkaar gehaald. Voor de duidelijkheid:
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn als volgt opgebouwd:
- 02-090890-19: opzettelijk aanwezig hebben van 3,12 kilo hennep op 15 april 2019
- 02-044490-21
- Feit 1: deelneming aan een criminele organisatie ex art. 11b Ow in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019
- Feit 2: opzettelijk afleveren, verstrekken en vervoeren van 2.218 gram hasjiesj op 25 november 2019
De tussenkopjes in de bijlage met bewijsmiddelen zijn anders genoemd:
- 02-090890-19
- Feit 1
- Feit 2
- 02-044490-21
Die indeling is incorrect: de zaak met eerstgenoemd parketnummer kent namelijk maar één feit, terwijl onder de zaak met laatstgenoemd parketnummer twee feiten zijn opgenomen.
3.5
Het is echter evident wat de rechtbank, en middels bevestiging eveneens het hof, heeft bedoeld. Bij de indeling is de juiste volgorde aangehouden, maar is per abuis de deelneming aan een criminele organisatie gerubriceerd als feit 2 onder het eerste parketnummer (in plaats van feit 2 onder het tweede parketnummer).
- De in de bijlage onder “02-090890-19”, “feit 1” opgenomen bewijsmiddelen (p. 15 en 16 van het vonnis) zien op het in de zaak met parketnummer (enige) bewezen verklaarde feit, gepleegd op 15 april 2019. De bewijsmiddelen betreffen (nagenoeg uitsluitend) gedragingen verricht op en rond deze datum.
- De bewijsmiddelen ten aanzien van het feit waarom het de steller van het middel te doen is, feit 1 onder parketnummer 02-044490-21, gepleegd in de periode van 20 november 2018 tot en met 15 april 2019, zijn in de bijlage opgenomen onder het kopje “02-090890-19”, “feit 2” (p. 17 t/m 35 van het vonnis). De bewijsmiddelen betreffen gedragingen gedurende deze periode.
- De in de bijlage onder “02-044490-21” opgenomen bewijsmiddelen (p. 35 en 36 van het vonnis) zien op het in de zaak met dat parketnummer bewezen verklaarde feit 2, gepleegd op 25 november 2019. De bewijsmiddelen betreffen een proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt in deze zaak en ziet op gedragingen op 25 november 2019.
Bevestiging voor deze lezing is ook te vinden in de (hiervoor reeds) weergegeven bewijsoverwegingen ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie. Daarin verwijst het hof onder meer naar activiteiten die blijkens de camerabeelden in de loods werden verricht in die periode; deze activiteiten worden volgens het hof per dag beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen. Dit zijn de bewijsmiddelen die, door een kennelijke verschrijving, in de bijlage bij het vonnis zijn opgenomen onder het kopje “02-090890-19”, “feit 2” (p. 17 t/m 35 van het vonnis). Dat het hof zelf ook verbeterd heeft gelezen volgt bovendien uit de overwegingen van het hof over het gedeeltelijk overnemen van “de door de rechtbank met betrekking tot het onder parketnummer 02-044490-21 onder 1 bewezenverklaarde gebruikte bewijsmiddelen”. Het hof zondert bepaalde onderdelen van die bewijsmiddelen uit van overname en verwijst daarbij naar passages op de pagina’s 19 t/m 22 van het vonnis.
3.6
De Hoge Raad kan bijlage II van het vonnis in voormelde zin verbeterd lezen, zodat aan de klacht de feitelijke grondslag komt te vervallen. Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat (meer inhoudelijke [4] ) klachten met betrekking tot het oordeel van het hof dat de verdacht heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Geklaagd wordt dat (i) het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte aan het verwezenlijken van het oogmerk van de criminele organisatie van voldoende duur en intensiteit is geweest en (ii) dat het oordeel niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een criminele organisatie ex art. 11b Ow wordt in cassatie niet bestreden.
4.2
Het hof heeft de bewezenverklaring van dit feit doen steunen op, onder meer, de volgende bewijsmiddelen, die het hof – met uitzondering van een aantal onderdelen – heeft overgenomen uit het vonnis van de rechtbank::
- “Het proces-verbaal van bevindingen betreffende de handel in verdovende middelen in de loods [a-straat 1] te [plaats] , pagina’s 3199 tot en met 3208:
Met ingang van donderdag 21 februari 2019 tot en met maandag 15 april 2019 werden beelden opgenomen aangaande de activiteiten welke plaatsvonden in genoemde loods. Van deze activiteiten werden per etmaal processen-verbaal gemaakt, welke reeds in het dossier gevoegd zijn. Op maandag 15 april 2019 werd vastgesteld dat de inhoud van de op die dag aangeboden strijkzakken, inhoudende sealbags, hennep bevatten. Deze strijkzakken werden die ochtend gebracht door verdachte [betrokkene 2] en in de Mini-Cooper van [medeverdachte 2] geladen. Bij de aanhoudingen werd de Mini-Cooper inbeslaggenomen en werd de inhoud van de strijkzakken bekeken. In de strijkzakken zaten een tweetal sealbags. Eén sealbag bleek na weging ongeveer 1 kilogram hennep te bevatten, dus per strijkzak wordt een gewicht gehanteerd van 2 kilogram hennep, mits anders waarneembaar en overeenkomstig het volume van de strijkzak.
Donderdag 21 februari 2019
Op 21 februari 2019, omstreeks 05:41 uur werd door de inzittenden van een Citroen Berlingo een drietal strijkzakken afgeleverd bij de loods. In de strijkzakken zitten henneptoppen, welke niet verpakt zit in sealbags. Gelet op het volume van de strijkzakken in vergelijking met die van sealbags inhoudende 1 kilogram, kan gesteld worden dat in deze drie strijkzakken in totaal 6 kilogram hennep geleverd is. De strijkzakken worden nadien in de Renault Clio van [medeverdachte 6] geladen door [medeverdachte 6] en [verdachte] en rijden afzonderlijk de loods uit.
Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] en [medeverdachte 6] .
Vrijdag 22 februari 2019
Op 22 februari 2019 worden een tweetal boodschappen tassen, inhoudende sealbags en een zestal strijkzakken bekeken, gewogen en herverpakt. [medeverdachte 6] is de persoon welke de hennep kwam brengen. De inhoud van de strijkzakken wordt deels buiten beeld bekeken en herverpakt in sealbags. In totaal worden er een 20 sealbags herverpakt en verdeeld over een 2-tal bigbags. Gelet op vorenstaande kan gesteld worden dat er 20 kilogram hennep geleverd is. Nadien gaan deze bigbags in een Opel, welke in de loods geparkeerd stond. Deze bigbags worden later die nacht door [medeverdachte 6] en [verdachte] overgeladen in de Renault Clio van [medeverdachte 6] en rijden daarmee de loods uit.
Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] en [verdachte] .
(…)
Donderdag 28 februari 2019
Op 28 februari 2019 wordt door [medeverdachte 6] een tweetal kleinere sealbags gebracht, welke door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] tot 1 sealbag wordt samengevoegd, inhoudende 1 kg hennep en in ontvangst genomen door [medeverdachte 6] die de loods verlaat.
Aanwezig bij deze transactie zijn [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] .
Vrijdag 1 maart 2019
Op 1 maart 2019, omstreeks 13:22 uur wordt door [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 5] een bigbag gebracht met de Ford Mondeo. De bigbag blijf in het voertuig, doch enkele sealbags worden eruit gehaald ter kwaliteitscontrole. In elk geval zitten er minimaal 3 sealbags in deze bigbag. Uitgaande van 1 sealbag per kilogram heeft [medeverdachte 5] 3 kilogram gebracht. Deze partij wordt vermoedelijk gekocht door de inzittenden van de Belgische Vw Golf [kenteken 1] , die rond 11:48 uur al in de loods arriveerde. Om 13:29 uur wordt door [medeverdachte 6] de Ford Mondeo de loods uitgereden, gevolgd door de inzittenden van de Belgische Vw Golf [kenteken 1] . Bij deze transactie zijn aanwezig [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . Later op die dag, omstreeks 15:10 uur, wordt door [medeverdachte 6] een bigbag de loods binnengebracht, welke in diens Renault lag. Er werden 6 sealbags a 1 kg hennep geleverd. Deze partij wordt vermoedelijk gekocht door de inzittenden van de Belgische Opel Corsa [kenteken 2] , die rond 13:36 uur arriveerden in de loods en waarbij de bigbag vermoedelijk in de kofferbak van de Corsa gaat. Bij deze transactie zijn aanwezig [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] .
Maandag 4 maart 2019
Op deze dag wordt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] een kartonnen doos de loods binnengedragen en in de Ford Mondeo van [medeverdachte 5] gelegd. Hierna rijden met deze Ford Mondeo weg, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . Van deze doos kon de inhoud niet geduid worden. Gelet op vorenstaande en de wijze waar en waarop deze doos werd overgeladen, kan gesteld worden dat de inhoud zeer waarschijnlijk eveneens verdovende middelen betrof.
(…)
Woensdag 6 maart 2019
Op 6 maart 2019, omstreeks 12:02 uur wordt door de bestuurder van een Audi een bigbag afgeleverd inhoudende sealbags met hennep. Gelet op de telbeweging van [medeverdachte 2] zitten er zes sealbags in deze bigbag, a 1 kg hennep per sealbag is 6 kg aan hennep.
De hennep gaat terug in de bigbag en wordt door [medeverdachte 5] achterin de Ford Mondeo gelegd en door hem buiten op het terrein geparkeerd. Bij deze levering is aanwezig [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , en [verdachte] . Voorts werd door [medeverdachte 3] later een bigshopper gebracht inhoudende 2 sealbags a 1 kg. Deze werd getest en gewogen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Nadien werden de 8 sealbags door [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] herverpakt in nieuwe strijkzakken en overgeladen in de Renault Clio van [medeverdachte 6] , die door [medeverdachte 3] buiten geparkeerd wordt. Deze dag is er 8 kg aan hennep geleverd.
(…)
Maandag 11 maart 2019
Op 11 maart 2019, omstreeks 14:00 uur wordt door [betrokkene 3] hennep gebracht. Onbekend hoeveel doch zichtbaar is in elk geval 1 sealbag. Uitgaande van 1 kg hennep per sealbag is er 1 kg hennep verhandeld.
Aanwezig waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] .
(…)
Vrijdag 15 maart 2019
(…)
Hennep
Omstreeks 12:59 uur werd door een NN man een Jumbo boodschappentas inhoudende 1 sealbag hennep geleverd a 1 kg.
Hierbij waren aanwezig [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Voorts werd omstreeks 14:24 uur door [medeverdachte 6] drie (3) strijkzakken, inhoudende 5 sealbags a 1 kilogram hennep gebracht. Deze gaan na het bekijken terug in de Renault van [medeverdachte 6] en de loods uit.
Hierbij was aanwezig [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 1] .
Vermoedelijk is 1 sealbag verkocht aan een in het proces-verbaal omschreven man NN8. Tevens is er een doos inhoudende 3 sealbags vermoedelijk verkocht aan de in het proces-verbaal omschreven man NN5. Dit houdt in dat er van de 5 sealbags er dus 4 verkocht zijn.
(…)
Maandag 18 maart 2019
Op 18 maart 2019, omstreeks 13:45 uur werd door een NN man een kartonnen doos afgeleverd bij de loods bij [medeverdachte 1] . De doos bleek een strijkzak te bevatten met daarin 1 sealbag met hennep. Deze werd bekeken door [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 5] en herverpakt. Hierna werd de doos achterin de Vw Golf van [medeverdachte 3] gezet en de loods uitgebracht. Omstreeks 15:11 uur werd door [medeverdachte 3] een tweetal strijkzakken inhoudende elk een (1) sealbag de loods ingebracht. De bestuurder van een Belgische Vw Jetta, bekijkt de kwaliteit van de inhoud. De strijkzakken gaan hierna in dozen en terug in de Vw Golf van [medeverdachte 3] , welke in de loods achterbleef.
Hierbij waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig.
(…)
Donderdag 11 april 2019
Op 11 april 2019 te 11:24 uur arriveert de bestuurder van voornoemde Audi A6 weer bij de loods. Uit de kofferbak wordt een bigbag gepakt en overhandigd aan [medeverdachte 2] . De bigbag bleek 5 sealbags a 1 kg hennep te bevatten. Er is dus door de bestuurder van de Audi A6 5 kg hennep geleverd. De bigbag is door [medeverdachte 2] daarna in de Citroen van [medeverdachte 3] gelegd en buiten de loods geparkeerd. Later die dag werd de bigbag uit de Citroen overgeladen in de Renault Clio en reed [medeverdachte 6] daarmee weg. Hierbij waren aanwezig [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .
Maandag 15 april 2019
Op 15 april 2019 werden de genoemde verdachten aangehouden en werd op verschillende locaties doorzoekingen gehouden. Die dag werd reeds waargenomen dat door [betrokkene 2] een partij van, naar later bleek, 12 kilogram hennep is afgeleverd. Voorts werd ten tijde van de aanhoudingen en inval een partij van 2 kilogram hennep in beslag genomen. Deze partij werd zojuist geleverd door de inzittende van een Volkswagen Passat.
(…)
Blijkens vorenstaande kan in elk geval gesteld worden dat in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] , in de periode van 21 februari 2019 tot 15 april 2019 is verhandeld een minimaal totaal van 136 kilogram aan hennep, 424 kg aan hasj,
(…)
- Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 26 augustus 2019, pagina’s 120 tot en met 122 en 125 tot en met 127
Ik huur de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] . Vrienden kwamen daar een hele dag rondhangen. Met vrienden bedoel ik de vrienden die je op de beelden hebt gezien, dat zijn mijn vrienden. [medeverdachte 1] , mijn vriend die altijd bij mij is, [medeverdachte 4] is mijn beste vriend, wij zijn vanaf de geboorte samen, [medeverdachte 2] is mijn vriend, [medeverdachte 5] hoort bij de inboedel, die blowed heel veel, en [medeverdachte 6] is ook mijn beste vriend. Die kleine, [verdachte] , was er ook af en toe.
(…)
- Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 2889:
Op basis van het bekijken van beelden van de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 kan gesteld worden dat:
- [medeverdachte 3] nagenoeg dagelijks de loods opende tussen ongeveer 08:00 uur en 10:00 uur
- [medeverdachte 5] eveneens nagenoeg dagelijks bij de loods was en kort na [medeverdachte 3] arriveerde
- [medeverdachte 2] eveneens nagenoeg dagelijks aanwezig was bij de loods en veelal omstreeks 10:00 uur arriveerde.
- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] veelal doende waren in de loods met het roken van sigaretten, opruimen en vegen van de loods, stofzuigen en schoonmaken van hun eigen auto.
- [medeverdachte 2] veelal in het kantoorgedeelte verbleef en alleen uit het kantoor kwam om te praten met leveranciers/afnemers, het bekijken en testen van verdovende middelen, om te bellen en om eten/drinken te halen.
- tussendoor [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [verdachte] op verschillende tijden arriveerden bij de loods.
- [medeverdachte 3] vaak de monitor met beelden van de kennelijk door hen zelf geïnstalleerde beveiligingscamera aanzette, kort hierop vaak een leverancier de loods binnen reed de roldeur dan gesloten werd
- er een partij verdovende middelen uitgeladen, bekeken, getest en opnieuw in nieuwe strijkzakken verpakt werd. Deze partijen hierna in het voertuig van [medeverdachte 5] , of [medeverdachte 6] of [medeverdachte 3] geladen werd waarna deze auto's de loods verlieten,
- de roldeur hierna weer open bleef staan.
- hierna de loods vaak werd schoongemaakt en luchtverfrisser gespoten werd,
er geen (reparatie)werkzaamheden plaatsvonden aan auto’s, danwel klanten kwamen voor voertuigen, danwel overige goederen.
- de bezoekers van de loods sec mannen betroffen, waarvan nagenoeg alle personen welke geïdentificeerd werden, antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet.
Routine
Op basis van de beelden kon een bepaalde routine worden vastgesteld. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden in de werkwijze bij levering van verdovende middelen en bij het afnemen van verdovende middelen. Daarbij dient vermeld te worden dat deze twee aspecten vaak samengingen. Regelmatig werd er een partij verdovende middelen geleverd en tijdelijk in een voertuig ‘opgeslagen’ en buiten het terrein geparkeerd om nadien weer op dezelfde dag (deels) verkocht te worden.”
4.3
Van deelneming aan een organisatie [5] als bedoeld in art. 11b Ow (een logische specialis van art. 140 Sr; zodat voor de betekenis van de bestanddelen van artikel 11b Ow aansluiting kan worden gezocht bij het juridisch kader voor art. 140 Sr) kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte:
1. behoort tot het samenwerkingsverband en
2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [6]
Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. [7] In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. [8] Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben. [9] Voor het bewijs van deelneming is niet vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat met deelneming is aangevangen op de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum. [10]
4.4
Het hof heeft bewezen geacht dat een organisatie heeft bestaan in de zin van art. 11b van de Opiumwet. Dit samenwerkingsverband heeft zich beziggehouden met het uitvoeren, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Op basis van de camerabeelden heeft het hof vastgesteld dat alle zeven in de tenlastelegging genoemde verdachten in de periode van 21 februari 2019 tot en met 15 april 2019 zeer regelmatig, en sommigen zelfs vrijwel dagelijks, aanwezig zijn geweest in de loods en dat zij daar, in wisselende samenstellingen, activiteiten hebben verricht die verband houden met de handel in hennep en hasj. Deze activiteiten, die per dag worden beschreven in de gebruikte bewijsmiddelen, zijn onder meer het uit-, in- en/of overladen van hennep en hasj en het keuren en herverpakken ervan.
Het hof heeft vastgesteld dat alle verdachten in de ten laste gelegde periode hebben deelgenomen aan de organisatie. Het hof heeft overwogen dat, bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden, op basis van alleen de camerabeelden een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten niet kan worden vastgesteld. Wel kan volgens het hof worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden: samen met de anderen werd er op geroutineerde wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Om deze reden heeft het hof alle verdachten aangemerkt als deelnemer aan de criminele organisatie.
Ten aanzien van de verdachte heeft het hof geoordeeld dat de bijdrage die hij heeft geleverd van voldoende intensiteit en duur is geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Zijn opzet, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt volgens het hof reeds uit de bewijsmiddelen. Middels (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis heeft het hof over de wetenschap van de verdachte nog overwogen dat er in de auto van de verdachte onder de bijrijdersstoel aantekeningen zijn aangetroffen met hoeveelheden en de termen ‘nat’ en ‘droog’, welke vermelding van in de hennephandel gebruikte termen volgens het hof duidt op wetenschap dat er sprake was van hennep. Het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte de genoemde gedragingen niet heeft verricht en/of dat hij alleen in de loods kwam om te ‘chillen’ zonder enige betrokkenheid te hebben gehad bij de drugshandel, vindt volgens het hof zijn weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat het bovendien niet geloofwaardig is dat als personen bezig zijn met verboden drugshandel in een loods, zij tegelijkertijd anderen toelaten in die ruimte om daar alleen te ‘chillen’, omdat de handel in drugs gepaard gaat met grote risico’s voor de betrokkenen, vanwege de geldwaarde van die drugs, de veelal grote contante geldbedragen die in die handel omgaan en de kans op ontdekking door concurrenten of de politie. Om deze risico’s zo klein mogelijk te houden, zullen alleen rechtstreeks betrokkenen tot dit proces worden toegelaten en zullen pottenkijkers die alleen in de loods aanwezig willen zijn om te ‘chillen’ daarbij normaal gesproken niet worden getolereerd, aldus het hof.
Wat betreft de tenlastegelegde periode heeft het hof – op basis van onder meer de (middels een peilbaken of ter plekke door verbalisanten waargenomen) aanwezigheid van auto’s die in verband konden worden gebracht met drugshandel en de aanwezigheid van diverse verdachten – vastgesteld dat vanaf november 2018 gedragingen zijn waargenomen, die vergelijkbaar zijn met de gedragingen zoals op basis van de camerabeelden is beschreven en die verband houden met de handel in drugs. Ondanks het feit dat niet bij alle waarnemingen sprake is geweest van een ‘afvang’, kon naar het oordeel van het hof wel worden bewezen dat ook in de periode voorafgaand aan de observatie van de loods in [plaats] , te weten van november 2018 tot en met 21 februari 2019 al sprake was van drugshandel door de criminele organisatie waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt (voorts) dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals betrokken of aanwezig was bij het verrichten van de door het hof genoemde activiteiten die verband houden met de handel in hennep en hasj. De verdachte heeft strijkzakken en bigbags met hennep in auto’s (over)geladen, de inhoud van een sealbag bekeken en herverpakt en is aangekomen of vertrokken met auto’s waar deze in werden vervoerd. Hij was daarnaast aanwezig bij diverse transacties, waarbij ik opmerk dat niet van elke transactie tot in de detail is beschreven wie welke handeling heeft verricht. Wel wordt in de bewijsmiddelen op basis van de camerabeelden een bepaalde routine beschreven, die naast het uitladen, bekijken, testen en opnieuw in strijkzakken verpakken en daarna in een auto inladen van partijen softdrugs, ook het openen en sluiten van de roldeur en schoonmaken en ‘zuiveren’ van de loods met behulp van luchtverfrisser omvatte. Daarbij waren drie medeverdachten nagenoeg dagelijks, vanaf een vast tijdstip, aanwezig bij de loods en arriveerden de verdachte en drie andere medeverdachten “tussendoor” en “op verschillende tijdstippen”.
4.5
Het hof heeft op basis van genoemde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte van voldoende intensiteit en duur is geweest, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van deelneming aan een criminele organisatie. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het samenwerkingsverband. Dat oordeel is, mede in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.
4.6
Aan de begrijpelijkheid van dit oordeel doet niet af dat uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat de verdachte op 11 van de daarin beschreven dagen aanwezig is geweest in de loods, dat op 4 dagen specifieke gedragingen van de verdachte worden beschreven, dat zijn aanwezigheid in de loods bij transacties gedurende een periode van 23 aaneengesloten dagen niet in de bewijsmiddelen wordt vermeld en dat dit eveneens geldt voor de waarnemingen die zijn gedaan in de periode voordat observatie middels camerabeelden werden ingezet. Daarbij merk ik op dat, zoals hiervoor reeds vooropgesteld, voor een veroordeling ter zake van deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan alle door deze organisatie gepleegde feiten en evenmin dat hij daarvan wetenschap had. Voor zover de steller van het middel dit als uitgangspunt neemt, berust dit op een onjuiste rechtsopvatting. Met betrekking tot de bewezen verklaarde periode wijs ik er, voor de volledigheid nogmaals, op dat voor het bewijs van deelneming niet is vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat met deelneming is aangevangen op de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum. Met het oordeel dat ook in de periode voorafgaand aan de observatie van de loods in [plaats] , te weten van november 2018 tot en met 21 februari 2019 al sprake was van drugshandel door de criminele organisatie waaraan de verdachte een bijdrage heeft geleverd heeft het hof niet meer vastgesteld dan dat de criminele organisatie waaraan de verdachte (op enig moment) een bijdrage heeft geleverd in die periode al actief was. Voor zover tot slot wordt gesteld dat het hof bij de bewezenverklaring als (onjuist) uitgangspunt heeft genomen dat elke aanwezige, ongeacht de bijdrage, betrokken is bij de handel in verdovende middelen die in de loods plaatsvindt en bovendien deelneemt aan de criminele organisatie, volg ik de steller van het middel evenmin. Een dergelijk uitgangspunt volgt, gelet op de hiervoor beschreven door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet uit het arrest. Daarmee slaagt ook de hierop gestoelde motiveringsklacht niet.
4.7
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] te horen als getuigen. Volgens de steller van het middel zijn de medeverdachten ten onrechte niet aangemerkt als getuigen à charge. Betoogd wordt dat de vraag of een getuige als belastend moet worden beschouwd moet worden beoordeeld op basis van meer dan alleen de (al dan niet afgelegde) verklaring. Nu de aanwezigheid in de loods van de als getuigen verzochte medeverdachten in belastende zin is meegewogen in de bewezenverklaring van de deelname aan een criminele organisatie, dient de verdachte in de gelegenheid gesteld te worden dat belastende element te toetsen middels een verhoor als getuige, waarin de door het hof gegeven belastende waarde van hun aanwezigheid getoetst had kunnen worden, zo meent de steller van het middel. Geklaagd wordt dat het hof een verkeerde maatstaf heeft toegepast en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, in het licht van hetgeen is aangevoerd.
5.2
De verdediging heeft verzocht zes medeverdachten te (doen) horen als getuige. Ter zitting van 3 november 2022 heeft het hof dit verzoek afgewezen. Het hof heeft de getuigen aangemerkt als getuigen à décharge en bij de afwijzing van het verzoek in aanmerking genomen dat de getuigen noch de verdachte een verklaring hebben afgelegd, zodat het onduidelijk is over welke de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden deze getuigen dan zouden moeten verklaren of welke ontlastende lezing van de verdachte deze getuigen dan zouden moeten bevestigen.
5.3
Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdediging het verzoek om de medeverdachten als getuige te horen herhaald (met uitzondering van één medeverdachte die inmiddels toch door de raadsheer-commissaris was gehoord). Dit verzoek is als volgt gemotiveerd:
“10. Uw hof heeft tijdens een pro-formazitting op 3 november 2022 voor wat betreft de verzoeken tot het horen van de zes getuigen vastgesteld dat het weliswaar medeverdachten binnen hetzelfde tenlastegelegde criminele samenwerkingsverband betreft, maar geen getuigen die al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring hebben afgelegd met een belastende strekking en ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen. Dat betekent dat het verzoek tot het horen van deze getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Naar het oordeel van uw hof is in het verzoek onvoldoende, concreet gemaakt waarom het horen van deze getuigen in het kader van de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de. beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuigen redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden. Daarbij heeft uw hof in aanmerking genomen dat deze getuigen noch de verdachte zelf in deze zaak op enig moment een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd zodat het onduidelijk is over welke de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden deze getuigen dan zouden moeten verklaren c.q. welke ontlastende lezing van de verdachte deze getuigen dan zouden moeten bevestigen. Uw hof name aan dat bij die stand van zaken kan de verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van het verzoek. Uw hof zag bij die stand van zaken evenmin de noodzaak van het verhoor van de opgegeven getuigen.
11. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze redenering van het hof onjuist is op het punt dat deze getuigen in deze zaak op enig moment een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd. Immers is dit niet ten aanzien van alle medeverdachten correct, omdat een aantal medeverdachten in zijn strafzaak wel degelijk een verklaring heeft afgelegd. Voor de medeverdachten die tot nu toe geen inhoudelijke verklaring hebben afgelegd, geldt het volgende. Hun positie als verdachte, heeft kennelijk geleid tot het beroep op het zwijgrecht, maar of dat als getuige ook zo is, valt op voorhand niet te voorspellen. Bovendien zijn zij als verdachte, gehoord in een veel vroeger stadium van de procedure. Het is bepaald niet ondenkbaar dat de medeverdachten op dit moment wel voornemens zijn te gaan verklaren, zowel als verdachte als getuige. De enkele stelling dat de medeverdachten zich in een eerder stadium van de procedure in hun eigen zaak als verdachte op hun zwijgrecht hebben beroepen en dus niet als getuige kunnen worden aangemerkt, overtuigt niet.
12. Sterker nog, uit jurisprudentie van het EHRM komt duidelijk naar voren dat het enkele gegeven dat een verdachte gebruikmaakt van zijn zwijgrecht geen reden mag zijn om een verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen. De motivering die door het hof is gebruikt voor het afwijzen van de verzoeken, namelijk dat die onvoldoende waren onderbouwd, kan op grond van het arrest Keskin ook niet mee als rechtvaardiging dienen. Daarnaast heeft de verdediging vanaf de het eerste verzoek om de getuigen te horen, dit uitgebreid gemotiveerd. Dat de verzoeken telkens gehandhaafd zijn, doet geen afbreuk aan de eerder motivering die hierbij keer op keer onveranderd bleef en dus voor elke verzoek opnieuw gold.
13. Bovendien gaat uw hof er dan vanuit dat het alleen een afgelegde verklaring van een medeverdachte is die in dit verband relevant is. Daarmee is echter het begrip ‘witness’ te beperkt uitgelegd. Het begrip ‘prosecution witness’ wordt namelijk door het EHRM gedefinieerd als:
‘persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution’
14. Het EHRM kiest in deze definitie voor de term deposition hetgeen letterlijk vertaald afzetting betekent. Er is niet gekozen voor een term die uitsluitend kan worden uitgelegd als verklaring door bijvoorbeeld de term statement, declaration, testimony, etc. Naar de mening van de verdediging gaat het recht om een ‘witness’ te horen verder dan alleen het geval waarin een verklaring in letterlijke zin is afgelegd. Indien een getuige in het dossier een 'afzetting' achterlaat die als belastend kan worden beschouwd en op die wijze van belang is voor de bewijsvoering jegens cliënt, is sprake van een prosecution witness en kan aan de motivering voor het verzoek een dergelijke getuige te horen niet de eisen gesteld worden die tot voor kort aan dergelijke verzoeken werden gesteld.
15. Gelet op de wijze waarop het EHRM de rechten van verdachten om getuigen te horen beoordeeld is dit ook geen verwonderlijke uitkomst. Het gaat, het EHRM niet zozeer om het horen van de getuige op zich maar om de overall fairness van de procedure. Van overall fairness kan alleen sprake zijn indien de verdachte op voldoende wijze in de gelegenheid is geweest het belastende bewijs te toetsen.
16. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de medeverdachten welke deel zouden uitmaken van hetzelfde criminele samenwerkingsverband als belastende getuigen zijn aan te merken, ook al hebben zij wellicht geen verklaring afgelegd. Hun aanwezigheid in de loods in [plaats] , de onderlinge verbanden tussen hen en met cliënt, alsmede het feit dat zij gebruik maken van hun zwijgrecht zijn voor cliënt als belastend. Het zijn immers de beelden uit de loods en de personen die daarop te zien zijn die voor de advocaat-generaal aanleiding vormen cliënt te verdenken van deelname aan een criminele organisatie. De getuigen hebben dus wel degelijk een belastende afzetting in het dossier achtergelaten.
17. Alleen wanneer de medeverdachten op geen enkele wijze, dus ook niet bijvoorbeeld hun aanwezigheid in de loods in [plaats] in belastende zin in de bewijsconstructie worden betrokken, zou cliënt niet geschaad worden in zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld artikel 6 EVRM. Als dergelijk omstandigheden wel in de bewijsconstructie worden betrokken zonder dat cliënt in de gelegenheid is geweest die omstandigheden te toetsen middels een verhoor als getuige, is sprake van een schending van artikel 6 EVRM omdat de procedure als geheel unfair is. Cliënt is dan niet, althans onvoldoende in de gelegenheid geweest het belastende bewijs te toetsen, terwijl daar geen rechtvaardiging voor bestaat.
18. De verdediging handhaaft dan ook de verzoeken tot het horen van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] die, anders dan [medeverdachte 3] , nog niet bij de RhC in Den Bosch zijn gehoord.”
5.4
Het hof heeft in zijn arrest als volgt overwogen:

Herhaald verzoek tot het horen van getuigen
Ter terechtzitting in hoger beroep op 3 juni 2024 heeft de verdediging haar bij appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van getuigen, welk verzoek zij op de regiezitting van het hof op 12 oktober 2022 nader heeft toegelicht en welk verzoek door het hof op de terechtzitting van 3 november 2022 is afgewezen, herhaald, behalve ten aanzien van de getuige [medeverdachte 3] . Het verzoek strekt zich derhalve niet langer uit tot laatstgenoemde getuige.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdediging heeft bij appelschriftuur, voor zover nog relevant, verzocht om het horen van getuigen, te weten:
1. [medeverdachte 2] (medeverdachte);
2. [medeverdachte 1] (medeverdachte);
3. [medeverdachte 4] (medeverdachte);
4. [medeverdachte 6] (medeverdachte);
5. [medeverdachte 5] (medeverdachte).
Het betreft medeverdachten binnen de tenlastegelegde criminele organisatie.
Vooropgesteld moet worden dat de verdachte het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen.
In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins- een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).
Het hof stelt vast dat de verzochte getuigen weliswaar medeverdachten binnen hetzelfde tenlastegelegde criminele samenwerkingsverband zijn, maar geen getuigen die al eerder een verklaring hebben afgelegd met een belastende strekking. Dat betekent dat het verzoek tot het horen van deze getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).
Voor zover deze getuigen gehoord zouden moeten worden als ‘getuige a décharge’, kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december2018, appl. no. 36658/05, Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van dergelijke verzoeken als voornaamste toets wordt aangelegd of het verzoek om de ontlastende getuige door de verdediging voldoende beargumenteerd c.q. onderbouwd is en of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden.
Het hof is van oordeel dat de verdediging in het (herhaalde) verzoek onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom het horen van deze getuigen in het kader van de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuigen redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden. Het hof neemt daarbij in aanmerking, dat voor zover deze getuigen al op enig moment een inhoudelijke verklaring hebben afgelegd, zij alleen (in ontlastende zin) hebben verklaard over zichzelf en niet over anderen.
Bij deze stand van zaken is het hof van, oordeel dat de verdediging niet in enig belang wordt geschaad door afwijzing van het verzoek.
Het hof wijst af het herhaalde verzoek tot het horen van getuigen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
5.5
Voor de bespreking van het middel is het volgende juridisch kader van belang. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland [11] heeft aanleiding gegeven de eisen met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd. In de terminologie van het EHRM betreft het dan ‘prosecution witnesses’ of getuigen à charge. Die bijstelling houdt – kort gezegd en voor zover hier van belang – in dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. [12] Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. [13]
5.6
Gelet op het voorgaande heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Daarbij merk ik nog op dat de bijstelling naar aanleiding van het Keskin-arrest door de Hoge Raad duidelijk wordt beperkt tot gevallen waarin een belastende
verklaringis afgelegd door een getuige. De Hoge Raad oordeelde reeds dat de Keskin-bijstelling niet van toepassing is op getuigen die hebben deelgenomen aan met de verdachte gevoerde WhatsApp-gesprekken, waarvan een weergave is opgenomen in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen [14] of op uitlatingen die zijn gedaan in OVC-gesprekken [15] of heimelijk afgeluisterde telefoongesprekken die voor het bewijs werden gebruikt. [16] In deze situaties geldt de in HR 4 juli 2017 [17] neergelegde regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Het arrest van 20 april 2021 heeft daarin geen verandering gebracht. Ik merk op dat in genoemde zaken de vraag aan de orde was of een
uitlatingkon worden gekwalificeerd als belastende
verklaringin de zin van het Keskin-arrest. In de onderhavige zaak is van zo’n uitlating geen – ik zou willen zeggen: niet eens – sprake.
5.7
De focus van de Hoge Raad op de vraag of sprake is van een belastende
verklaringlijkt mij overigens in lijn met de rechtspraak van het EHRM, waarin de termen ‘witness’ en ‘prosecution witness’ als volgt worden ingevuld:
“The Court reiterates in this respect that the term “witness” has an “autonomous” meaning in the Convention system (see Vidal v. Belgium, 22 April 1992, § 33, Series A no. 235‑B). The guarantees provided by Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention apply to a deposition which may serve to a material degree as the basis for a conviction (see Lucà v. Italy, no. 33354/96, § 41, ECHR 2001‑II).” [18]
“As is apparent from the text of Article 6 § 3 (d) (see paragraph 25 above), this provision sets out a right relating to the examination of witnesses against the accused. The Court has defined such witnesses, to whom it also frequently refers as “prosecution witnesses”, as persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution (see Lucà v. Italy, no. 33354/96, § 41, ECHR 2001‑II).” [19]
En waarin het recht om een “prosecution witness” te horen wordt toegelicht – en wordt verwezen naar het afleggen van een “statement”:
“As regards the right to the examination of prosecution witnesses, the Court has held that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings (see Lucà v. Italy, cited above, § 39, and Al–Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], nos. 26766/05 and 22228/06, § 118, ECHR 2011).” [20]
5.8
Voor de lezing die de steller van het middel voorstaat (“deposition” moet niet worden vertaald als “verklaring” maar – abstracter – als “afzetting in het dossier”) zie ik geen aanknopingspunten. [21] In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de medeverdachten in de onderhavige zaak als belastende getuigen worden aangemerkt omdat het hof hun “aanwezigheid in het dossier” en “de wijze waarop [zij] zich tot [de verdachte] verhouden” in belastende zin heeft meegewogen – ik begrijp: omdat het hof hun rol heeft betrokken in de bewezenverklaring van deelneming aan de criminele organisatie. In deze uitleg van het Keskin-arrest zou, zo dunkt mij, (nagenoeg) in elke zaak de medeverdachte moeten worden aangemerkt als een belastende getuige, los van een (al dan niet) afgelegde verklaring. Immers zou elk belastend element dat ziet op een (gedraging van een) medeverdachte deze medeverdachte dan tot getuige à charge maken. De jurisprudentie van de Hoge Raad geeft geen aanleiding te veronderstellen dat die lezing voor juist moet worden gehouden.
5.9
Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de medeverdachten niet als getuigen à charge moeten worden aangemerkt niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht ik, ook in het licht van hetgeen hieromtrent is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
5.1
Het middel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van het in de zaak met parketnummer 02-044490-21 onder feit 1 tenlastegelegde en de opgelegde straf en in zoverre opnieuw recht gedaan. Anders dan de rechtbank, heeft het hof niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat de criminele organisatie tevens als oogmerk had het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of amfetamine. Het hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep – met verbetering en aanvulling van gronden – bevestigd.
2.In het arrest is opgenomen dat het hof zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met inbegrip van de beslissing op het beslag, met verbetering en aanvulling van de gronden, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder’ parketnummer 02-044490-21 onder 1 tenlastegelegde en de opgelegde straf.
3.Zie voetnoot 1.
4.Blijkens de toelichting wordt dit middel voorgesteld “indien en voorzover uw Raad de bewijsmiddelen in bijlage II bij het vonnis, in weerwil van het hiervoor gestelde middel, beschouwd als zijnde allemaal gebruikt als bewijsmiddel voor het onder parketnummer 02/044490-21 onder feit 1 ten laste gelegde”.
5.Van een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr (en dus ook in art. 11b Ow) is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen, vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.2.
6.Zie onder meer HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362, m.nt. N. Jörg. rov. 2.4.3. en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264.
7.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, NJ 2022/362, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.3.
8.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858 (niet gepubliceerd),
9.HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651.
10.HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, rov. 2.3 en HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, rov. 3.4.
11.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (
12.Dat betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Art. 6 EVRM verzet zich er bovendien niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, bijvoorbeeld omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de feiten en omstandigheden die door de verdachte worden betwist door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
13.Zie, op de eerste plaats, HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
14.HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:177,
15.HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461; HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1465; HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1549.
16.HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1549.
17.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
18.EHRM 4 mei 2017, nr. 15485/09 (Chap Ltd t. Armenië), par. 47.
19.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland), NJ 2021/93, m.nt. W.H. Vellinga, par. 40.
20.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland), NJ 2021/93, m.nt. W.H. Vellinga, par. 44.
21.Ik wijs er wel op dat het EHRM in de zaak Mirilashvili tegen Rusland heeft overwogen dat er “duidelijke aanwijzingen” zijn dat art. 6 lid 3 sub d EVRM mogelijk ook zou kunnen worden toegepast op ander bewijs dan “getuigen”. Zie EHRM 5 juni 2009, nr. 6293/04 (Mirilashvili tegen Rusland), par. 159. Opgemerkt zij evenwel dat sub d zowel de getuige à charge als de getuige à décharge betreft. Zie ook de conclusie van A-G Harteveld voorafgaand aan de zaak waarin de uitlatingen in WhatsApp-gesprekken centraal stonden van 11 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:17, randnr. 3.15 e.v.