Conclusie
Inleiding
De overwegingen en beslissingen van het hof voor zover hier relevant
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
III. Het namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel
Het juridisch kader
Kamerstukken II2014/15, 34 086, 3, p. 116). De op gijzeling toegesneden terminologie is evenwel in art. 60a Sr niet aangepast. Niettemin is er naar het mij toeschijnt geen reden te bedenken waarom art. 60a Sr thans voor wat betreft de gijzeling anders moet worden uitgelegd dan voorheen ten aanzien van de vervangende hechtenis. Ook in het licht van de voormelde uitspraak van HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1226 houd ik het ervoor dat bij de genoemde meerdaadse samenloop ook de totale duur van in een zaak aan meerdere opgelegde schadevergoedingsmaatregelen gekoppelde gijzelingen tezamen genomen een periode van een jaar niet mag overschrijden. Ik neem aan dat ook het hof van dit maximum is uitgegaan. Het valt immers op dat het hof de duur van de gijzeling in het ene geval heeft bepaald op 304 dagen en in het andere geval op 61 dagen, en dat dit een en ander bij elkaar opgeteld een totaal van 365 dagen oplevert. Kennelijk heeft het hof aldus willen voldoen aan het bepaalde in art. 36f, vijfde lid derde volzin, Sr en de rechtspraak van de Hoge Raad door de gezamenlijke duur van beide gijzelingen niet boven een jaar te laten uitstijgen.
NJ2020/409 volgt dat een wijziging van de aard van de sanctie die bij niet-betaling is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel een verandering van regels van sanctierecht oplevert. Aangezien de wijziging van art. 88 Sr Pro per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak mede bepalend is voor de toepasselijke maximale duur van deze aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden sanctie, moet deze wijziging eveneens worden aangemerkt als een verandering van regels van sanctierecht. De nieuwe regel, die met ingang van 1 januari 2020 gold, is voor de verdachte gunstiger. Dat betekent dat de wijziging van art. 88 Sr Pro per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak met onmiddellijke ingang moet worden toegepast.
NJ2019/468, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad, mede onder verwijzing naar het overzichtsarrest met betrekking tot de benadeelde partij van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379, m.nt. Vellinga, het toepasselijke rechtskader op de volgende wijze geëxpliciteerd:
de aannamedat sprake is van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’, is verdere motivering vereist. [7] In dat geval zijn nadere vaststellingen nodig met betrekking tot de
daadwerkelijknadelige gevolgen die de normschending voor de benadeelde partij heeft gehad. De aanwezigheid van de relevante nadelige gevolgen van de normschending kunnen dan immers niet als zo voor de hand liggend worden aangemerkt dat hun bestaan kan worden verondersteld. De vaststellingen met betrekking tot deze gevolgen zullen dan, zo komt mij voor, in de regel moeten worden ontleend aan wat daarover door of namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de immateriële schade is aangevoerd. Dat betekent dat in alle gevallen waarin niet vanwege de door de rechter vastgestelde concrete aard en de ernst van de normschending, en de veronderstelde nadelige gevolgen daarvan, kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, vereist is dat de benadeelde partij onderbouwd dient aan te voeren welke nadelige gevolgen zij daadwerkelijk heeft ondervonden van de normschending die is gelegen in het bewezenverklaarde feit. Op degene die zich op aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ beroept, rust dus in beginsel een onderbouwingsplicht. [8]
NJ2019/468 m.nt. Vellinga en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379, m.nt. Vellinga. Bij de toepassing van dit – juiste – rechtskader heeft het hof feitelijk vastgesteld dat de benadeelde partij geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Het hof heeft verder geoordeeld dat zich hier niet een situatie voordoet waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat ten aanzien van de benadeelde partij van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Bij dat oordeel heeft het hof klaarblijkelijk in aanmerking genomen dat, naar het oordeel van het hof, “hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld - hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn - ontoereikend [is] om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’”. Op grond van het vorenstaande heeft het hof geconcludeerd dat geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor de vergoeding van de gevorderde immateriële schade zodat de vordering tot schadevergoeding in zoverre moet worden afgewezen.
verondersteld, zal een concrete onderbouwing door de benadeelde partij op dat punt kunnen worden gemist.
NJ2019/468 m.nt. Vellinga blijkt dat
niet is uitgeslotendat de door een woninginbraak veroorzaakte normschending vanwege, eensdeels, de concrete aard en ernst daarvan en, anderdeels, de daadwerkelijke nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, een toewijsbare vordering tot vergoeding van immateriële schade kan opleveren, geeft steun aan deze vaststelling. Uit dit arrest van 15 oktober 2019 kan namelijk worden afgeleid dat wanneer, zoals ook in de voorliggende zaak het geval is, de relevante normschending is gelegen in een bewezenverklaarde woninginbraak, met betrekking tot de concrete aard en ernst van die normschending
enerzijds, en de daadwerkelijke nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij
anderzijds, nadere vaststellingen door de rechter moeten (kunnen) worden gedaan. Ten behoeve van dergelijke nadere vaststellingen is nodig dat de benadeelde partij nadere gegevens verschaft met betrekking tot, ten minste, de als immateriële schade aan te merken nadelige gevolgen die zij heeft ondervonden van de woninginbraak. Doet zij dit niet of onvoldoende, dan is naar het mij voorkomt de niet-toewijzing van de vordering lastig te vermijden, aangezien vanwege de ontbrekende onderbouwing de door de Hoge Raad vereiste nadere vaststellingen door de feitenrechter niet of nauwelijks kunnen worden gedaan. [10]
NJ2019/379, m.nt. Vellinga (rov. 2.8.3 en 2.8.6) blijkt dat de strafrechter ervoor kan kiezen de vordering af te wijzen “in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan” en dat “de begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk [is] van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd”.
nietis aangevoerd dat de op dat moment kennelijk gevoelde redenen om de vordering voor de strafrechter niet nader te onderbouwen, in de toekomst, op een moment waarop de vordering ten overstaan van de burgerlijke rechter zal moeten worden onderbouwd, niet meer als kennelijke belemmering voor die onderbouwing aanwezig zullen zijn.