Conclusie
[verzoeker 1]. Verzoekers gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) als
[verzoeker]Verweerster 1 als
Getir. Verweersters 2 t/m 4 gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) als
Mubadala. En verweersters 5 t/m 9 gezamenlijk als
G Squared.
OK) de verzoeken van [verzoeker] heeft afgewezen. Daartegen komt hij in cassatie op. Ik meen dat de klachten falen.
1.Feiten
proces-verbaal). De feitelijke achtergrond van deze zaak is uiteengezet op p. 4-6 van het proces-verbaal. [1] Dit behelst het volgende.
[betrokkene 1]), van AlixPartners, is op verzoek van Mubadala benoemd als (mede)bestuurder van Getir. In juni 2024 heeft Mubadala tegen verpanding van de aandelen in Getir Turkije een aanvullend krediet verstrekt van USD 250 miljoen, waarbij de Founders afstand hebben gedaan van hun overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van Getir. Partijen hebben een aandeelhoudersovereenkomst gesloten en de statuten van Getir zijn gewijzigd. [betrokkene 1] is benoemd tot uitvoerend bestuurder van Getir, [verzoeker 1] is teruggetreden als CEO en samen met zijn zoon [betrokkene 2] en [verzoeker 2] benoemd tot niet uitvoerend bestuurder. Op voordracht van G Squared en Mubadala zijn twee andere niet uitvoerend bestuurders benoemd. Tegelijkertijd zijn partijen een Term Sheet overeengekomen waarin zij onder meer hebben opgenomen dat op nader uit te werken voorwaarden een Hive-Out zou plaatsvinden waarbij de kern-onderneming van Getir in Turkije tegen kwijtschelding van de schulden aan Mubadala zou worden toebedeeld en [verzoeker] de aandelen zou verkrijgen in de andere - deels verlieslatende - dochterondernemingen van Getir, waaronder Getir Finance. In juli 2024 is [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) benoemd als onafhankelijke uitvoerend bestuurder.
transactie) wenst te komen waarbij kort gezegd alle door Getir gehouden aandelen in Getir Turkije en haar (andere) dochterondernemingen worden overgedragen aan Mubadala tegen kwijtschelding van de schulden uit hoofde van de aan Getir verstrekte kredieten en leningen en waarbij Mubadala voor de afwikkeling van haar activiteiten aan Getir een aanvullend krediet zal verstrekken van USD 10 miljoen.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
grond onder 1.wordt het volgende voorop gesteld. Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarvan is sprake indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming. [2]
Engagement Letteris uitdrukkelijk opgenomen dat “
AlixPartners’ sole duty of care under this agreement is to the Company as the client of AlixPartners”. [verzoeker] hebben destijds met de benoeming van [betrokkene 1] als bestuurder van Getir ingestemd en zij hebben zich daar tot voor kort ook niet tegen verzet. [verzoeker] hebben ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] zich desondanks bij zijn taakvervulling niet uitsluitend zou hebben laten leiden door de belangen van Getir en haar onderneming. Ten aanzien van [betrokkene 3] is zelfs niet gesteld waarom ook bij hem sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang dat hem ervan had moeten weerhouden deel te nemen aan de beraadslaging en de besluitvorming in het bestuur van Getir over de door Mubadala voorgestelde transactie. De slotsom is dat de
grond onder 1.geen doel treft.
grond onder 2.wordt vooropgesteld dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Bij haar besluitvorming komt het bestuur beoordelingsvrijheid toe. De Ondernemingskamer treedt in beginsel niet in de merites van bestuurlijke beslissingen wanneer daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen.
Additional Investor Tranche) regeling de mogelijkheid open te houden dat zij tot een bedrag van USD 75 miljoen zouden kunnen mee-investeren in een eventueel nog door te starten onderneming.
distressed going concernveronderstelling wordt gewaardeerd op USD 373,9 miljoen (waarvan USD 82,2 miljoen voor Getir Finance) en de waarde van de door Mubadala onder de transactie te leveren tegenprestatie op USD 532,9 miljoen (inclusief de USD 50 miljoen aanvullende financiering). Nog daargelaten dat zonder aanvaarding van de transactie een
going concernveronderstelling niet realistisch is, kan hieruit niet worden afgeleid dat de minderheidsaandeelhouders door de transactie zouden worden benadeeld. [verzoeker] hebben daartegenover aangevoerd dat de waardering van Getir Finance veel te laag zou zijn omdat Getir Finance kort geleden een Turkse bankvergunning heeft gekregen. Zij verwijzen in dat kader naar een door hen overgelegde
valuation summaryvan een door KPMG Turkije uitgevoerde waardering van de
investment valuevan Getir Finance op ruim USD 500 miljoen. De onderbouwing van deze waardering is echter flinterdun en de veronderstellingen en aannames waarop zij berust zijn dermate speculatief dat de Ondernemingskamer daaraan geen reële waarde kan toekennen. Dat de belangen van de overige aandeelhouders van Getir door de aanvaarding van de transactie onnodig en of onevenredig worden geschaad kan daaruit dan ook niet volgen. In dat kader is nog van belang dat het voorstel om de door Mubadala voorgestelde transactie te aanvaarden in de algemene vergadering van 19 januari 2025 door een ruime meerderheid van de (preferente) aandeelhouders van Getir is goedgekeurd. Ook het
onder 2.gestelde levert geen gegronde redenen op voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Getir.
onder 3.betoogd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Dit is onjuist. Partijen zijn in juni 2024 overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijk uitvoerende bestuurders zouden worden benoemd en dat zij daarnaast ieder ook niet uitvoerende bestuurders zouden kunnen benoemen. Geen van partijen heeft daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir gekregen. Dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala is als gezegd niet gebleken. Mubadala heeft verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir. Bij die stand van zaken kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Voor zover [verzoeker] menen dat zij worden benadeeld omdat Mubadala te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken, geldt dat dit in de kern een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is; [verzoeker] zullen dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter moeten voorleggen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
dat een bestuurder een eventueel tegenstrijdig belang meldt en zich vervolgens buiten de besluitvorming houdt. Doet hij dat niet, dan is het besluit aantastbaar. Doet hij dat wel, dan zie ik geen belemmering voor besluitvorming over de desbetreffende kwestie door de overige bestuurders die geen tegenstrijdig belang hebben. In zoverre is sprake van een gewoon bestuursbesluit. Ik zie geen reden voor een regeling van dwingend recht die zwaarder is dan de gewone besluitvormingsregels voor het bestuur. Er is dan ook geen aanleiding voor een onderscheid tussen beursvennootschappen en niet beursvennootschappen. Overigens vormt de wet geen belemmering voor een
statutairegoedkeuringsregeling indien de vennootschap daaraan behoefte zou hebben. [onderstreping toegevoegd, A-G]
in te dammen, [22] dan “te groot blijft”. Daarbij past het om aan te nemen dat bij een meerhoofdig bestuur, waarvan de minister hier kennelijk uitgaat (en bijvoorbeeld ook aan de orde is in de citaten onder 3.7.10 en in noten 18 en 21 hiervoor), het in uitgangspunt op de weg ligt van de medebestuurder(s) bij wie de tegenstrijdigbelangvraag niet speelt om voor doeleinden van art. 2:239 lid 6 BW te beslissen óf de betrokken bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft. Dit snijdt hout. Te meer in het licht van de - al lang vóór invoering van art. 2:239 lid 6 BW - in de rechtspraak ontwikkelde benadering waarbij, kort gezegd, in tegenstrijdigbelangsituaties van het bestuur wordt verwacht dat het de verschillende belangen gescheiden houdt en dat het zo veel mogelijk zorgvuldigheid en openheid betracht. [23] Daarbij zij nog bedacht dat in de opzet van die bepaling, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis waaronder voornoemde passage, het vaststellen van zo’n tegenstrijdig belang kort gezegd vergt dát in de concrete situatie in redelijkheid kan worden betwijfeld of de bestuurder zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang. Zonder dit laatste, dus een dergelijke feitelijke basis voor het aannemen van een vertroebeld beoordelingsvermogen bij de betrokken bestuurder, is er geen sprake van zo’n tegenstrijdig belang. Zie mede onder 3.7.6 en in noot 21 hiervoor.
moetdie besluitvorming dan overlaten aan de bestuurders (…) die geen tegenstrijdig belang hebben. [onderstreping toegevoegd, A-G]
De achtergrond van een meldplicht is dat de daartoe krachtens wet en statuten bevoegden de nodige maatregelen kunnen nemen, waaronder in de eerste plaats ervoor zorgen dat de betrokken functionaris met het tegenstrijdige belang niet zal deelnemen aan de besluitvorming.De wetsgeschiedenis vermeldt als reden voor het doen van een melding dat op deze manier leden van de raad van commissarissen de betreffende commissaris kunnen adviseren over de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang. Ik zie dit meer als een verwijzing naar een feitelijke vorm van risicobeheersing door toepassing van het meer-ogenprincipe.
Na melding kunnen de functionarissen met elkaar over de relevante feiten spreken en met elkaar gezichtspunten uitwisselen over de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang. Dit kan de gedachten daarover bij de betrokkenen scherpen, ook bij de geconflicteerde functionaris. Dat kan ertoe bijdragen dat de betrokkene uit eigen beweging afziet van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Een advies van de overige, niet-geconflicteerde functionarissen over de vraag of een tegenstrijdig belang aanwezig is, heeft overigens geen bindende, of beslissende kracht. Wel zijn zij het[dus die “overige, niet-geconflicteerde functionarissen”, A-G]
die in de eerste plaats moeten beslissen of inderdaad sprake is van een tegenstrijdig belang en of zij de geconflicteerde functionaris zullen uitsluiten van beraadslaging en besluitvorming; in die situatie is immers deelname daaraan in ieder geval niet uitsluitend ter discretie van de mogelijk geconflicteerde functionaris. De niet-geconflicteerde functionarissen dienen juiste toepassing van de tegenstrijdig belangregeling te waarborgen, en ervoor te zorgen dat eventuele benodigde maatregelen worden genomen.Als er een geschil ontstaat over de vraag of in strijd met de tegenstrijdig belangregeling is gehandeld, zal uiteindelijk de rechter beoordelen of daar sprake van is, waarbij enige andersluidende beslissing van bij de vennootschap betrokkenen geen relevantie heeft voor de toepasselijkheid van artikel 2:129 lid 6 respectievelijk 2:140 lid 5 BW. [onderstreping toegevoegd, A-G] [40]
(…)
sub(sub)onderdelen 1.2.1-1.2.2.
daadwerkelijkheeft laten leiden door een ander belang dan dat van Getir (in het bijzonder door het belang van Mubadala bij de door haar voorgestelde transactie). Dit blijkt uit zinsneden in het bestreden oordeel waarin de OK rept van “heeft laten leiden” en “zou hebben laten leiden”. Aldus heeft de OK de door haar terecht vooropgestelde maatstaf (dit betreft de eerste alinea als geciteerd onder 2.7 hiervoor) te beperkt ingevuld of toegepast, door niet te beoordelen of in redelijkheid kan worden
betwijfeldof [betrokkene 1] zich uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Getir.
volledig onafhankelijk van Mubadala”. [65] Verzoekers vragen zich af hoe de verweerders dat rijmen met de volgende feiten:
persoonlijkeen voor art. 2:239 lid 6 BW relevant belang heeft bij aanvaarding door Getir van de voorgenomen transactie. [77] Met (ii) brengt de OK verder tot uitdrukking dat hier geen sprake is van een situatie waarin “de wederpartij van de rechtspersoon de continuïteit van het inkomen van die bestuurder waarborgt” (zie de spreekaantekeningen, nr. 2.11, derde zin). Ook dit is prima te volgen. [betrokkene 1] is immers als herstructureringsdeskundige werkzaam voor AlixPartners (en tegen die achtergrond op Mubadala’s verzoek benoemd als een van de uitvoerend bestuurders van Getir), dus niet louter of primair actief als bestuurder van Getir. Het gaat hier bovendien om “de beloning” van AlixPartners, niet van [betrokkene 1] .
“Mubadala Fee Backstop Arrangement”).
(…)
“wrongdoings by the majority shareholder and by the board of directors at Getir BV”. We totally refute the suggestion that there is any basis for such an investigation, and our clients will provide such assistance to Getir BV and any affected directors as may be reasonably necessary to oppose such spurious claims. Without any waiver of privilege, our clients have also instructed Dutch counsel and are fully prepared to bring your own numerous breaches of fiduciary duties to the attention of the Enterprise Chamber, including those breaches notified to you in our second letter of 2 January 2025 and mentioned above. Our clients’ rights in that regard remain fully reserved.
vermogensrechtelijk, maar raakt positie en functioneren (organen) vennootschap”)
onder 3.betoogd dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Dit is onjuist. Partijen zijn in juni 2024 overeengekomen dat [betrokkene 1] en later [betrokkene 3] als onafhankelijk uitvoerende bestuurders zouden worden benoemd en dat zij daarnaast ieder ook niet uitvoerende bestuurders zouden kunnen benoemen. Geen van partijen heeft daarmee een doorslaggevende stem in het bestuur van Getir gekregen. Dat [betrokkene 1] zich uitsluitend zou laten leiden door de belangen van Mubadala is als gezegd niet gebleken. Mubadala heeft verder met circa 29% van de aandelen geen overwegende zeggenschap in de algemene vergadering van (preferente) aandeelhouders van Getir.
Mubadalaten onrechte heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de Term Sheet, maar ook heeft betoogd dat
Getir(die mede
partijwas bij de Term Sheet) dat ten onrechte heeft geweigerd en/of in het licht van de weigering van Mubadala onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met de belangen van [verzoeker] en/of ten onrechte heeft meegewerkt aan de vervanging van afspraken in de Term Sheet door afspraken (de transactie) die voor Mubadala extreem veel voordeliger en voor [verzoeker] onevenredig nadelig uitpakken. [81] In ieder geval heeft de OK niet kenbaar en gemotiveerd op dat betoog gerespondeerd.
Getirniet over het hoofd ziet, maar kenbaar en gemotiveerd behandelt in het kader van - wat de OK duidt als - de
tweedegrond van het verzoek van [verzoeker] Deze behandeling betreft het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.8 hiervoor, dat in cassatie niet wordt bestreden. Dit laatste geldt ook voor haar samenvatting van deze tweede grond (zie onder 2.6 hiervoor).
(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat deze bestuurders zich hebben ingespannen om de door Mubadala in het kader van de transactie toegezegde aanvullende financiering te verhogen van USD 10 miljoen naar USD 50 miljoen, en voor de overige aandeelhouders door middel van de AIT-regeling (
Additional Investor Tranche) de mogelijkheid open te houden dat zij tot een bedrag van USD 75 miljoen zouden kunnen mee-investeren in een eventueel nog door te starten onderneming.)
(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat daarbij meerdere alternatieve scenario’s zijn overwogen, waaronder het aangaan van een transactie met een derde partij en het proberen alsnog uitvoering te geven aan de Term Sheet, waarbij telkens de slotsom was dat geen van deze alternatieven een realistische kans van slagen had en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een faillissement. En dat deze bestuurders verder hebben geconstateerd dat het vanuit het perspectief van Getir geen verschil maakte of de aandelen in de dochtervennootschappen zouden worden overgedragen aan Mubadala en [verzoeker] op basis van de Term Sheet of dat deze op grond van de transactie alle overgedragen zouden worden aan Mubadala.)
(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat deze bestuurders:
(In dit verband wijst de OK onder meer erop dat [verzoeker] heeft aangevoerd dat de waardering van Getir Finance veel te laag zou zijn, omdat Getir Finance kort geleden een Turkse bankvergunning heeft gekregen. En dat [verzoeker] in dat kader heeft verwezen naar een door hem overgelegde valuation summary van een door KPMG Turkije uitgevoerde waardering van de investment value van Getir Finance op ruim USD 500 miljoen. “De onderbouwing van deze waardering is echter flinterdun en de veronderstellingen en aannames waarop zij berust zijn dermate speculatief dat de Ondernemingskamer daaraan geen reële waarde kan toekennen. Dat de belangen van de overige aandeelhouders van Getir door de aanvaarding van de transactie onnodig en of onevenredig worden geschaad kan daaruit dan ook niet volgen.”)
Getir, als onderdeel van de tweede grond van diens verzoek.
overwegende zeggenschap (in juridische zin) heeft gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getiren daardoor de algemene vergadering en het bestuur van Getir domineert en ten koste van de andere aandeelhouders (in het bijzonder [verzoeker] ) haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient (dus haar positie misbruikt).
afstand te doen van de overwegende zeggenschap (in juridische zin) die zij tot dan toe in het bestuur en de algemene vergadering hadden, maar
dat Mubadala van haar zijde te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de Term Sheeten dat Mubadala daardoor ten onrechte
feitelijk en effectiefcontrole in de algemene vergadering en op bestuursniveau heeft verkregen en (kort gezegd) haar aldus ontstane positie heeft misbruikt door de besluiten van 7 en 10 januari 2025 tot het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie 'door te drukken'. [84] [onderstreping toegevoegd, A-G]
Getirkenbaar en gemotiveerd behandelt in het kader van - wat de OK duidt als - de
tweedegrond van het verzoek van [verzoeker] Deze behandeling betreft het deel van het proces-verbaal als geciteerd onder 2.8 hiervoor. Zie nader onder 3.29-3.34 hiervoor.
Mubadalaen de
derdegrond van het verzoek van [verzoeker]
oordeel onder Abeoordeelt de OK het betoog van [verzoeker] dat Mubadala in juni 2024 ten onrechte overwegende zeggenschap zou hebben gekregen in het bestuur en de algemene vergadering van Getir. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder a, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala de aandeelhoudersvergadering en het bestuur van Getir domineert. Uit het oordeel onder A bezien in totaliteit, blijkt dat het daarin voor de OK draait om het woord “overwegende”. Lezen wij dit oordeel in onderling verband en samenhang met die derde grond, aanhef en onder a, dan is duidelijk dat volgens de OK geen sprake is van een dergelijke (ten onrechte door Mubadala in juni 2024 gekregen) zeggenschap: noch in juridische zin, noch in termen van feitelijke/effectieve controle.
oordeel onder Bbeoordeelt de OK het te onderscheiden betoog van [verzoeker] dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder c, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala ten koste van de andere aandeelhouders haar wensen aan Getir oplegt en uitsluitend eigen belangen dient. Dit betoog strandt volgens de OK, blijkens haar oordeel onder B, in het voetspoor van haar oordeel onder A. Kort en goed: waar Mubadala geen overwegende zeggenschap heeft in het bestuur en de algemene vergadering van Getir, kan evenmin worden aangenomen dat Mubadala haar positie misbruikt om aan Getir haar wensen op te leggen. Het laatste ligt in het logische verlengde van het eerste.
oordeel onder Cbeoordeelt de OK als sluitstuk, voor zover dit nog separaat is aangevoerd door [verzoeker] (los van de onder 3.40-3.43 hiervoor bedoelde betogen van [verzoeker] , die raken aan de governance van Getir), [85] het betoog van [verzoeker] dat hij wordt benadeeld omdat Mubadala “te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de in de Term Sheet van juni 2024 neergelegde afspraken”, [86] dus dat hij wordt benadeeld door die niet-nakoming zijdens Mubadala (partij bij de Term Sheet) als zodanig. Daarmee bedoelt de OK hetzelfde als de op p. 7-8 van het proces-verbaal samengevatte derde grond, aanhef en onder b, inhoudend dat volgens [verzoeker] de governance van Getir gebrekkig is, omdat Mubadala ten onrechte weigert om uitvoering te geven aan de Term Sheet. Dáárvan zegt de OK in dat oordeel onder C:
subonderdeel 2.1, dat zich als volgt richt tegen het oordeel van de OK onder C. Met dit oordeel heeft zij de maatstaf miskend die geldt bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, het in art. 2:344-359 BW geregelde onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een vennootschap (hier Getir) mag worden gelast indien aannemelijk is dat tussen enerzijds verzoekers (aandeelhouders van de vennootschap, hier [verzoeker] ) en anderzijds (andere) aandeelhouders van die vennootschap (hier Mubadala) en/of de vennootschap zelf, (mede) een vermogensrechtelijk geschil bestaat. Die maatstaf houdt in dat wanneer het gaat om een geschil van
louter(niet slechts: mede) vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, een enquêteverzoek niet kan worden toegewezen. Wanneer echter (volgens de stellingen van verzoekers) het vermogensrechtelijke geschil
ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen en/of (groepen van) individuele aandeelhouders (in hun hoedanigheid van aandeelhouder) raakt, moet (onder meer) het verkrijgen van opening van zaken (door het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van een dergelijk geschil) worden beschouwd als een van de doeleinden van een enquêteprocedure die verwezenlijkt kunnen worden, zodat het enquêteverzoek wel kan worden toegewezen (toewijsbaar is). Met haar oordeel dat hetgeen [verzoeker] heeft gesteld “
in de kerneen geschil van vermogensrechtelijke aard betreft waarvoor de enquêteprocedure niet bedoeld is”, [90] en haar daarop voortbouwende oordeel dat [verzoeker] dit geschil aan de bevoegde Engelse rechter zal moeten voorleggen, heeft de OK dus een onjuiste maatstaf gehanteerd.
NJ1990, 466, heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van het enquêterecht niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar - indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is - ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen.
een van de gronden vaneen enquêteverzoek in feite een geschil van vermogensrechtelijke aard betreft, dit verzoek
in zoverredus buiten het bereik van de enquêteprocedure valt. Het is niet aan de OK in het kader van het enquêterecht om zo’n te onderscheiden geschil te beslechten, noch is het enquêterecht bedoeld voor het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van zo’n (deel)geschil.
subonderdeel 2.3richt zich tegen het oordeel van de OK onder C. Met dit oordeel heeft zij in ieder geval onvoldoende gerespondeerd op de stellingname van [verzoeker] als bedoeld in noot 93 hiervoor, die een essentiële grondslag vormde van zijn standpunt dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van/bij Getir te twijfelen.
subonderdeel 2.18 [94] wordt, als gezegd, zekerheidshalve nog een aanvullende klacht aangevoerd. Zij richt zich tegen p. 4 van het proces-verbaal. Daar staat, voor zover relevant: