Conclusie
[eiser])
1.Techfront Ventures B.V. (hierna: Techfront)
Watergraafsmeer)
De Duckenburg)
Techfront c.s.)
1.Feiten
arrest). [1]
[betrokkene 1]), [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]), [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]), [betrokkene 5] (hierna:
[betrokkene 5]) en [betrokkene 6] (hierna:
[betrokkene 6]) zijn familie van elkaar. [eiser] is oprichter en eigenaar van meerdere vennootschappen in België. Deze vennootschappen worden (indirect) door hem en/of familieleden bestuurd. In de voor deze zaak relevante periode werd:
Safami) door [eiser] en [de N.V.] ,
Narwal) door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ,
Lumia) door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , en
Group A) door Narwal, Lumia en [eiser] .
[betrokkene 7]). [betrokkene 7] hield zich met [betrokkene 8] (hierna:
[betrokkene 8]) binnen het bedrijf Tomorrow Green Solutions B.V. (hierna:
TGS) van [betrokkene 9] (hierna:
[betrokkene 9]) bezig met de ontwikkeling van infrarood verwarmingspanelen. Deze panelen waren geen commercieel succes en TGS beschikte niet over de financiële middelen die nodig waren voor een verdere ontwikkeling van die panelen. [betrokkene 7] zag wel mogelijkheden en zocht daarom een externe investeerder.
Riantis), waarvan hij indirect bestuurder is, in de verdere ontwikkeling van de panelen te investeren. Riantis richtte daarvoor in mei 2016 Degree-n B.V. (hierna:
Degree-n) op, een vennootschap naar Nederlands recht. Riantis is enig aandeelhouder van Degree-n. [de N.V.] houdt de meerderheid van de aandelen in Riantis. [betrokkene 7] was tot 25 april 2017 enig bestuurder van Degree-n. In de periode 24 april 2017 tot 12 juni 2018 had Degree-n geen bestuurder. Vanaf 12 juni 2018 is Riantis bestuurder van Degree-n. Op 24 juni 2019 is Riantis in staat van faillissement verklaard.
eGalaxy) betrokken bij de ontwikkeling van de infrarood warmtepanelen.
[betrokkene 10]), gesproken over Degree-n en haar producten en over een mogelijke participatie van Techfront in de exploitatie van de D7-technologie.
LOI) en luiden, voor zover hier van belang en samengevat, als volgt.
Holding) en Degree-n Nederland B.V. (hierna:
Degree-n NL) opgericht. Safami houdt 50% van de aandelen in het kapitaal van Holding, Techfront 25% en Watergraafsmeer en De Duckenburg ieder 12,5%. Holding houdt alle aandelen in het kapitaal van Degree-n NL. Holding heeft op 25 februari 2019 voor een prijs van € 2.000.000 de activa van Degree-n gekocht. Met deze koopsom zouden de (handels)schulden van Degree-n worden gesaneerd.
Degree-n International) opgericht, een vennootschap waarvan alleen Techfront c.s. de aandelen houdt. Deze vennootschap koopt kant-en-klare verwarmingsmatten in bij derden (waaronder SH Korea) die in Nederland tot verwarmingspanelen worden geassembleerd en op de markt worden gebracht.
De Haan q.q.) tot curator. In zijn faillissementsverslag is vermeld dat Holding de koopovereenkomst met Degree-n heeft vernietigd maar desondanks heeft getracht de verkoop van warmtepanelen - via een derde - te continueren en daarbij gebruikmaakt van het telefoonnummer, de website en de domeinnamen van Degree-n, welke rechten als gevolg van de vernietiging in de boedel vallen. Deze activa zijn op verzoek van De Haan q.q. getaxeerd en over de overname daarvan is vervolgens overeenstemming bereikt. Er is een bedrag c.q. schadevergoeding van € 7.500 op de boedelrekening voldaan.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank).
vonnis). [11] Daarin heeft zij, onder meer en kort gezegd:
hof). [14] Geïntimeerden zijn de onder 2.1 hiervoor in de hoofdtekst genoemde (rechts)personen.
MvA/MvG) genomen. Op dezelfde roldatum hebben ook Group A, [betrokkene 1] , [de N.V.] , [betrokkene 2] , Narwal en [betrokkene 3] (hierna gezamenlijk:
Group A c.s.) een memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel genomen. [16]
MvA i.a. 1 aug). Eerstgenoemde memorie verwijst in nr. 2.1.2 naar de memorie in de bijlage en merkt onder meer op:
MvA i.a. 15 aug). Gelet op het voorblad vormt dit processtuk het antwoord op het incidenteel appel van zowel [eiser] en Safami als Group A c.s. Het hof maakt enkel gewag van dit processtuk, en wel in het tussenarrest van 26 september 2023 (alleen beschikbaar in het gefourneerde B-dossier), zie rov. 2.1, laatste gedachtestreepje. Dit roept de vraag op wat de status is van de twee memories van 1 augustus 2023 in het gefourneerde A-dossier. Gelet op het tussenarrest van 26 september 2023 houd ik het ervoor dat het hof alleen kennis heeft genomen van de MvA i.a. 15 aug. Ik zou daarom menen dat alleen dat processtuk onderdeel uitmaakt van de feitelijke grondslag in cassatie. De MvA i.a. 1 aug en de MvA i.a. 15 aug zijn niet aan elkaar gelijk, maar komen inhoudelijk wel in grote lijnen overeen. Waar [eiser] verwijst naar een stelling in de MvA i.a. 1 aug zal ik in deze conclusie waar relevant vermelden waar die stelling te vinden is in de MvA i.a. 15 aug. Hierbij merk ik alvast op dat laatstgenoemd processtuk na het opschrift “3.
reactie op grieven”op p. 10 een dubbele nummering heeft (dat wil zeggen: de eerste paragraaf van dat hoofdstuk 3 is genummerd met 2.1, in plaats van 3.1, wat verder doorwerkt in het stuk).
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
buiten zijn hoedanigheid als bestuurderheeft opgetreden. En dat Techfront c.s. dit laatste niet gemotiveerd heeft gesteld: sterker nog, Techfront c.s. heeft in eerste aanleg juist aangevoerd dat [eiser] optrad in hoedanigheid van bestuurder en in hoger beroep is zij daarvan niet (kenbaar) teruggekomen. Daarom schendt het hof het recht [22] door te overwegen dat Techfront c.s. de vorderingen baseert op een jegens haar “op hen persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting” en die gewone regels toe te passen, of geeft het hof daarmee een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van Techfront c.s. in eerste aanleg. [23]
buitenhoedanigheid van (indirect) bestuurder heeft opgetreden. Dat die veronderstelling onjuist is, meer precies: feitelijke grondslag mist, volgt uit 3.11-3.12 hiervoor. Evenmin maak ik uit het arrest op dat het hof niet in de stellingen van Techfront c.s. in eerste aanleg, maar eerst in haar stellingen in hoger beroep (specifiek: pas in voornoemde memorie) leest dat volgens Techfront c.s. [eiser] ook heeft gehandeld buiten die hoedanigheid. Dat verrast ook niet, want in eerste aanleg heeft Techfront c.s. dus, naar het hof onderkent en niet onbegrijpelijk, onder meer gesteld dat [eiser] heeft gehandeld buiten die hoedanigheid. Zie weer onder 3.11-3.12 hiervoor. Voor zover de klacht het arrest anders leest, mist zij ook in zoverre feitelijke grondslag. Het door de klacht gedane beroep op stellingen van [eiser] baat haar evenmin. Niet alleen gaat dit beroep uit van die onjuiste veronderstelling. Daarmee ziet de klacht ook eraan voorbij dat op de daarin genoemde verspreide vindplaatsen geen verweer van [eiser] te lezen valt dat hij, anders dan gesteld door Techfront c.s., niet (ook) heeft opgetreden buiten hoedanigheid van (indirect) bestuurder. [42] Op die kenbare stellingname van Techfront c.s. gaat [eiser] (ook) daar niet in.
Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht: wat zij aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof had moeten vaststellen dat Techfront c.s. niet (voldoende) gemotiveerd heeft gesteld dat [eiser] handelde buiten die hoedanigheid en de vorderingen daarom had moeten afwijzen.
bestuurdersaansprakelijkheid zijdens een of meer van de door Techfront c.s. aangesproken partijen, onder wie [eiser] . In die sleutel staat het arrest immers niet. Iets anders is wat ik schreef onder 3.10-3.10.4 hiervoor. Het subonderdeel maakt ook niet concreet waar het hof dit wel zou beoordelen (anders dan met een generieke verwijzing naar rov. 5.9-5.26 en 5.27-5.31, waarin zoiets niet te lezen valt). Kortom, de veronderstelde innerlijke tegenstrijdigheid met rov. 5.2 doet zich in werkelijkheid niet voor. Daarmee loopt het subonderdeel reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
bestuurderen geen directeur (zie ook rov. 4.4), waardoor sprake is van een verboden aanvulling van de feiten, althans is de overweging onbegrijpelijk.
buiten zijn hoedanigheid van bestuurder (zoals het hof in rov. 5.2 nog vooropstelde), waardoor de overweging om die reden onbegrijpelijk is.
al geruime tijd bij [eiser] [is] gedeponeerd””.
klacht a. Het bestreden oordeel van het hof in rov. 5.16 van het arrest komt erop neer (i) dat de twee enveloppen die [eiser] op 3 april 2019 Techfront c.s. overhandigde geen receptuur bevatten en (ii) dat het daarbij niet ging om stukken die door [eiser] , zoals hij eerder bij Techfront c.s. had doen voorkomen, bij een notaris waren gedeponeerd. [52] Voor zover de klacht hierover iets relevants aanvoert, gaat het hooguit om (ii). In het bijzonder om ’s hofs vaststelling dat, nadat Techfront c.s. meermaals aan [eiser] had verzocht haar de geheime receptuur te verstrekken (mede bij e-mail van 18 maart 2019), [eiser] vervolgens - zoals Techfront c.s. onweersproken heeft gesteld - heeft aangegeven dat hij de receptuur zou ophalen bij de desbetreffende notaris (en op 3 april 2019 zou overhandigen aan Techfront c.s.). In de vindplaatsen in de gedingstukken in hoger beroep waarnaar de klacht verwijst, [53] lees ik niet dat [eiser] /Safami én Techfront c.s. het erover eens waren dat [eiser] het voorgaande níet aldus heeft aangegeven. Sterker, daarin zeggen partijen niets over dit specifieke punt. Dat het hof daarin blijkens rov. 5.16 evenmin leest dat [eiser] /Safami én Techfront c.s. het erover eens waren dat [eiser] het voorgaande níet aldus heeft aangegeven, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Reeds daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
klacht b. Het citaat uit het Contingencyplan in rov. 5.14 is niet in tegenspraak met rov. 5.16. Immers, dat dit in ieder geval van vóór februari 2019 daterende plan [54] blijkens rov. 5.14 vermeldt dat de samenstelling van de dispersie (“Dispersion 7”) op schrift is gesteld en al geruime bij [eiser] is gedeponeerd, staat zonder méér niet in de weg aan ’s hofs uiteenzetting in rov. 5.16, in het bijzonder diens vaststelling als bedoeld onder 3.38.1 hiervoor die betrekking heeft op de gang van zaken in maart en april 2019. Waarom dit anders zou zijn, legt de klacht niet uit.
bij twee notarissen was gedeponeerd”.
Onrechtmatig handelen”) geeft het hof weer welke verwijten Techfront c.s. maakt aan [eiser] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] , onderverdeeld in sub a en sub b.
bij twee notarissen was gedeponeerd”. Daarmee strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
uniekeen geheime dispersie. Het element ‘uniek’ zou van wezenlijk belang zijn voor het beroep op onrechtmatig handelen: zou het slechts om een geheim recept gaan, dan is daarvan al sprake als niet bekend is waaruit de dispersie bestaat. Het subonderdeel bevat geen klacht.
uniekegeheime dispersie, die beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Uit geen van die overwegingen blijkt waarop het hof die impliciete beslissing dan baseert. Bovendien (ii) heeft het hof dan uit het oog verloren dat [eiser] heeft gegriefd [56] tegen de overweging van de rechtbank in rov. 4.5 van het vonnis dat aan Techfront c.s. in strijd met de waarheid is voorgehouden dat Degree-n beschikte over een “unieke dispersie”, waarop Techfront c.s. in hoger beroep slechts in algemene bewoordingen heeft gereageerd. [57]
klacht a. De daarin bedoelde “stand van zaken” doet zich in werkelijkheid niet voor. De klacht put selectief uit de stellingen van Techfront c.s. in hoger beroep. Blijkens het procesdossier heeft zij daarin wel degelijk gesteld, niet slechts met “een zeer algemene opmerking”, dat (ook) [eiser] haar heeft voorgehouden dat sprake was van een uniek product (unieke dispersie). Illustratief zijn de volgende vindplaatsen in de MvA i.a. 1 aug: [67]
klacht b. Zij mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want daarin gaat het hof niet in op voornoemde element ‘uniek’, evenmin is het desbetreffende citaat een schakel in ’s hofs oordeel over dit element. Zie ook onder 3.47.3 hiervoor.
klacht c. Ook zij strandt, in lijn met klacht b. Ik lees nergens in het arrest dat volgens het hof Techfront c.s. de stelling dat (ook) [eiser] haar heeft voorgehouden dat sprake was van een unieke dispersie heeft onderbouwd met een verwijzing naar het Contingencyplan. Wel lees ik in rov. 5.26 dat in dit plan melding wordt gemaakt van de geheime receptuur die in depot bij [eiser] zou zijn, maar dat is iets anders.
en [eiser]waren overeengekomen dat Degree-n na overdracht van de activa zou worden geliquideerd. Verwezen wordt naar rov. 4.9. Ook dat maakt rov. 5.28 onbegrijpelijk.
via zijn persoonlijke holding Safamipartij was bij de LOI, dus niet in persoon. Dat Safami partij is bij de LOI stelt het hof al vast in rov. 4.9. Dat Safami de persoonlijke holding van [eiser] is, stelt het hof al vast in rov. 5.15 en 5.27 (en wordt nog eens herhaald in rov. 5.36 ad a). Zie ook onder 3.75.1 hiervoor. In rov. 5.28 brengt het hof niet opeens iets anders tot uitdrukking. Daaraan doet niet af dat het hof daar kortweg verwijst naar “ [eiser] ” als degene met wie Techfront c.s. was “overeengekomen dat Degree-n na overdracht van de activa zou worden geliquideerd (art. 7 LOI Pro)”. Dat deed [eiser] dus via zijn persoonlijke holding Safami, en dát is ook wat het hof daar bedoelt met “ [eiser] ”.
ABP/ […]” miskend. [101]
Subonderdeel 4.3.2stelt dat [eiser] op 3 april 2019 de enveloppen heeft overhandigd (rov. 5.16 van het arrest), dus vóór “eind april 2019 en eind juni 2019” (dit betreft voornoemde citaat, tevens de data waarop Techfront c.s. het aanvullende krediet van € 210.000 zou hebben overgemaakt). Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 4.3.3stelt dat het hof het grievenstelsel dan wel de regels voor verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft miskend, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat het “deze essentiële stelling (lees: verweer en dus grief)” niet heeft betrokken bij rov. 5.36-5.38 van het arrest.
Subonderdeel 4.3.4stelt, daarop aansluitend, dat als het hof het causaliteitsverweer had besproken, het tot de slotsom had moeten komen dat “csqn-verband tussen het verwijt het deze schadepost ontbreekt”.
Subonderdeel “4.8”(ik lees dus: 4.3.5) bevat een reprise van het eerste subonderdeel 4.3, toegespitst op de onderhavige “schadepost” (dus: het aanvullend krediet van € 210.000). [118]
Subonderdeel 4.4(“De overige schade”), het tweede subonderdeel met deze nummering, is genummerd van 4.4.1 t/m 4.4.3.
Subonderdeel 4.4.1stelt, onder verwijzing naar nr. 107 (en nr. 102) van de MvA/MvG, dat door [eiser] /Safami tevens een causaliteitsverweer is gevoerd met betrekking tot de overige schade, waarover ook rov. 5.36 ad d van het arrest. Het subonderdeel citeert daarbij uit dit nr. 107. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 4.4.2stelt dat Techfront c.s. niet heeft gereageerd op dit causaliteitsverweer bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 4.4.3stelt dat het hof het grievenstelsel dan wel de regels voor verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft miskend, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is, omdat het “deze essentiële stelling (verweer en dus grief)” niet heeft betrokken bij rov. 5.36-5.38 van het arrest. Als het hof het causaliteitsverweer had besproken, had het tot de slotsom moeten komen dat “csqn-verband tussen het verwijt het deze schadepost ontbreekt”.
Subonderdeel 5.1(“Voortzetting van het bedrijf door Techfront c.s.”) is genummerd van 5.1.1 t/m 5.1.5.
Subonderdeel 5.1.1stelt dat door [eiser] /Safami is uiteengezet dat Techfront c.s. ervoor heeft gekozen de door Holding van Degree-n gekochte activa te verhangen en te exploiteren vanuit Degree-n International. [119] Daaruit zou blijken dat door [eiser] /Safami is gesteld: (a) dat en waaruit blijkt dat Degree-n International een voortzetting is van de onderneming van Degree-n; (b) dat het volgens de informatie op de website en sociale media om een succesbedrijf gaat; en (c) dat Degree-n International ondanks haar oprichting in 2019 geen jaarrekeningen heeft gepubliceerd en het alle schijn ervan heeft dat Techfront c.s. wil voorkomen dat het zakelijke succes van Degree-n International inzichtelijk wordt voor derden betrokken in deze procedure. De prognoses gaan evenwel uit van brutomarges in 2019 en 2020 gezamenlijk van ruim € 10,5 miljoen. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 5.1.2stelt dat, gelet op de zojuist aangehaalde omstandigheden, door [eiser] /Safami is betwist dat Techfront c.s. schade lijdt. [120] Het subonderdeel citeert een stelling uit nr. 97 van de MvA/MvG, met de strekking dat “ [eiser] en Safami het ervoor houden” dat indien Holding de onderneming van Degree-n zou hebben voortgezet in plaats van Degree-n International, Holding “zonder meer in staat zou zijn geweest om de achtergestelde lening(en) aan Techfront c.s. én Safami terug te betalen”. Door [eiser] /Safami zou “op basis van deze stelling” primair zijn betoogd dat causaal verband ontbreekt in de zin van art. 6:162 lid 1 BW Pro (“csqn-verband”) en art. 6:98 BW Pro (“toerekenbaarheid”), en subsidiair dat sprake is van voordeelstoerekening (art. 6:100 BW Pro) en/of eigen schuld (art. 6:101 BW Pro). [121] Techfront c.s. heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel deze stelling betwist [122] en partijen hebben op de mondelinge behandeling in hoger beroep een toelichting gegeven. [123] Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 5.1.3geeft overwegingen van het hof in rov. 5.37-5.38 van het arrest weer. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 5.1.4stelt dat rov. 5.38 van het arrest zich op verschillende wijzen laat lezen wat betreft het verweer van [eiser] /Safami. Relevant voor de nog te voeren schadestaatprocedure is dat voor [eiser] duidelijk is welke beslissingen het hof al heeft genomen en welke beslissingen nog moeten worden genomen door de schadestaatrechter. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 5.1.5stelt dat een verwerping van het verweer van [eiser] /Safami wat betreft de helft van de schadepost als bedoeld in rov. 5.36 ad a van het arrest, meer specifiek: het bedrag van € 500.000 dat is overgeboekt door [eiser] , mogelijk besloten ligt in rov. 5.38, voorlaatste alinea, laatste zin. [124] Als dat zo is, is het hof alsnog ongemotiveerd voorbij gegaan aan voornoemde beroep van [eiser] /Safami op voordeelstoerekening en eigen schuld. [eiser] vreest dat de schadestaatrechter het beroep op voordeelstoerekening en eigen schuld niet meer zal behandelen, omdat het hof het bedrag van € 500.000 niet als voorschot op de schadevergoeding heeft toegewezen. Tegen die achtergrond heeft het hof ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 612 e.v. Rv dan wel over art. 6:100 en Pro 6:101 BW, ofwel diens beslissing onvoldoende gemotiveerd. Voor zover een verwerping van het beroep op art. 6:100 en Pro 6:101 BW besloten zou liggen in rov. 5.38, is die verwerping onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 5.1.6stelt dat bovendien onbegrijpelijk is hoe het hof, in het licht van de stellingen van [eiser] /Safami in nrs. 181-182 van de MvA/MvG, tot de overweging komt dat de koopprijs ten goede zou komen aan de door Techfront c.s. en [eiser] gezamenlijk vanuit Holding te drijven onderneming van Degree-n. Het bedrag van de koopprijs was bedoeld om “tot liquidatie over te gaan van Degree-n (oud)”, aldus die nrs. 181-182. Mocht uit rov. 5.38 van het arrest moeten worden afgeleid dat het hof de stellingen van [eiser] /Safami als bedoeld in subonderdelen 5.1.1-5.1.2 zo heeft geïnterpreteerd dat het verweer alleen betrekking heeft “op schadepost b) of c) als bedoeld in rov. 5.36”, dan is sprake van een onbegrijpelijke uitleg van die stellingen. Het subonderdeel wijst daartoe op de wijze waarop Techfront c.s. het verweer heeft begrepen. [129]
Subonderdeel 6.1.1geeft oordelen van de rechtbank weer omtrent de hoofdelijke veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van het overbruggingskrediet van € 228.157 dat Techfront c.s. aan Degree-n heeft verstrekt. Het gaat om rov. 4.26-4.28, 4.43 van het vonnis (het subonderdeel noemt ook rov. 5.3-5.5). Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.2geeft de stelling van [eiser] /Safami in hoger beroep weer dat [eiser] uitvoering heeft gegeven aan het vonnis door op 5 maart 2022 (bedoeld zal zijn: 5 augustus 2022) een bedrag van € 253.372,22 aan Techfront c.s. te betalen en op 29 maart 2022 (bedoeld zal zijn: 29 augustus 2022) een bedrag van € 999,85. [133] Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.3stelt dat door [eiser] /Safami een grief is gericht tegen rov. 4.26-4.28 van het vonnis, [134] en dat door [eiser] in incidenteel appel terugbetaling is gevorderd van het door hem betaalde bedrag van € 254.372,07 (te vermeerderen met wettelijke rente). Verder geeft het subonderdeel rov. 5.38 van het arrest deels weer. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.4parafraseert ‘s hofs overweging in rov. 5.40 van het arrest dat de grieven in principaal appel gedeeltelijk slagen en die in
incidenteelappel slagen voor zover het (de veroordeling door de rechtbank van)
Safami en Group Abetreft. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.5wijst op het oordeel in rov. 5.41 van het arrest dat het vonnis wordt vernietigd, behalve voor zover dat is gewezen ten aanzien van Degree-n en Riantis (in zoverre ligt het vonnis immers niet in hoger beroep voor)
en behalve voor zover daarin met betrekking tot [eiser], [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en eGalaxy
voor recht is verklaard dat zij ieder voor zich, onrechtmatig jegens Techfront c.s. hebben gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de door Techfront c.s. geleden en nog te lijden schade. Ter wille van de duidelijkheid zal het hof het dictum evenwel in zijn geheel opnieuw formuleren. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.6geeft het dictum van het arrest onder 6.1 en 6.9-6.10 weer: onder 6.1 vernietigt het hof het vonnis, behalve voor zover dat is gewezen ten aanzien van Degree-n en Riantis; onder 6.9 verklaart het hof voor recht dat [eiser] onrechtmatig handelde jegens Techfront c.s. en aansprakelijk is voor de daardoor door Techfront c.s. geleden en nog te lijden schade; onder 6.10 veroordeelt het hof [eiser] tot betaling van € 500.000 aan Techfront c.s. “welk bedrag dezelfde feitelijke grondslag heeft als de vordering die onder 6.3 is toegewezen jegens [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en eGalaxy”. Het subonderdeel bevat geen klacht.
Subonderdeel 6.1.7stelt dat het hof in het dictum van het arrest met geen woord rept over [eiser] veroordeling in eerste aanleg en vordering tot terugbetaling. Daaruit leidt [eiser] af dat het hof in strijd met art. 23 Rv Pro niet heeft beslist op de vordering tot terugbetaling. De beslissing onder 6.1 van het dictum tot vernietiging van het vonnis brengt immers mee dat [eiser] onverschuldigd een bedrag van “€ 253.372,22” heeft betaald. Dat [eiser] in hoger beroep is veroordeeld tot betaling van een ander bedrag, gebaseerd op een andere schadepost, [135] laat onverlet dat het hof moest beslissen op de terugbetalingsvordering. Omdat [eiser] ook andere klachten richt tegen de beslissing van het hof, is hij ontvankelijk in deze klacht. [136]
Subonderdeel 6.1.8stelt dat, mocht uit rov. 5.38-6.10 van het arrest moeten worden afgeleid dat het hof de vordering tot terugbetaling impliciet heeft afgewezen, die beslissing evenmin in stand kan blijven. Dan heeft het hof miskend dat een rechterlijke vernietiging directe werking heeft [144] en de partij die eerder onterecht werd veroordeeld, een vordering op de wederpartij heeft uit hoofde van onverschuldigde betaling [145] en kan instellen in hoger beroep. [146] Althans is de beslissing van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Subonderdeel 6.1.9stelt dat, mocht het arrest zo begrepen moeten worden dat het hof de grief van “ [eiser] ” tegen rov. 4.26-4.28 van het vonnis (dat is grief IV) heeft verworpen, die beslissing onbegrijpelijk is in het licht van wat het heeft overwogen in rov. 5.38 en/of rov. 5.41.
nietzo is dat géén sprake is van ontbrekend causaal verband (c.s.q.n.-verband) tussen enerzijds het onrechtmatige handelen van [eiser] , specifiek diens misleiding van Techfront c.s., en anderzijds het in rov. 5.36 ad c bedoelde verstrekken door Techfront c.s. van het overbruggingskrediet en de in rov. 5.36 ad d bedoelde afwikkelingskosten van Techfront c.s. Zie onder 3.97-3.97.5 en 3.110-3.110.3 hiervoor. Inzake causaal verband en (onder meer) deze schadeposten faalt de grief dus wat betreft [eiser] , zo volgt uit rov. 5.36. Waarom dit onbegrijpelijk zou zijn in het licht van rov. 5.38 [149] en/of rov. 5.41 [150] legt het subonderdeel niet uit en valt overigens zonder méér ook niet in te zien.
nietkan vaststellen dat Techfront c.s. géén schade lijdt inzake het overbruggingskrediet en de afwikkelingskosten. Iets anders is dat het hof ten aanzien van (onder meer) deze schadeposten inzake [eiser] aansprakelijkheid jegens Techfront c.s. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure, omdat het dienaangaande “nog niet [kan] vaststellen” of en in hoeverre de desbetreffende door Techfront c.s. gevorderde bedragen als schade zijn aan te merken, een en ander als uiteengezet in rov. 5.38-5.39. Inzake het ontbreken van schade en (onder meer) deze schadeposten faalt de grief dus wat betreft [eiser] , zo volgt uit rov. 5.37-5.39. Ook hier geldt dat het subonderdeel niet uitlegt waarom dit onbegrijpelijk zou zijn in het licht van rov. 5.38 en/of rov. 5.41, en dat dit overigens zonder méér ook niet valt in te zien.
Subonderdeel 6.1.10stelt dat, voor zover het hof in rov. 5.38 (en 5.39) van het arrest in het midden heeft willen laten op welke schadepost of -posten het toegewezen bedrag van € 500.000 betrekking heeft, geldt dat onduidelijk is op welk onderdeel of onderdelen van vordering 2 (als weergegeven in rov. 3.4) het hof nu heeft beslist en op welke onderdelen het hof verwijst naar de schadestaatprocedure. Daarmee zou het hof art. 23 Rv Pro hebben miskend, althans de beslissing onvoldoende hebben gemotiveerd, mede in het licht van het gegeven dat partijen in de schadestaatprocedure nog het debat moeten voeren over de omvang van de schade en de schadevergoedingsplicht. Ook zou onduidelijk zijn hoe het bedrag waartoe het hof [eiser] veroordeelt zich verhoudt tot het door de rechtbank toegewezen en reeds betaalde bedrag (zie subonderdeel 6.1.2).
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Vredo/Veenhuis-arrest van de Hoge Raad. [151] Weliswaar hoeft de begroting van de proceskosten in beginsel niet gemotiveerd te worden, maar de omstandigheden van het geval en de stellingen van partijen kunnen dit anders doen zijn. [152] Nu in dit geval een partijdebat gevoerd is over de eis tot veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten, had het hof de afwijzing moeten motiveren.
Het hof acht de vordering die strekt tot vergoeding van de werkelijke advocaatkosten ongegrond. De daartoe vereiste bijzondere omstandigheden ontbreken in deze procedure. De enkele omstandigheid dat Techfront c.s. het gedrag van [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en eGalaxy onrechtmatig oordeelt is daartoe onvoldoende. De overige vorderingen tegen eGalaxy, [betrokkene 8] en [betrokkene 7] , komen het hof echter niet onrechtmatig of ongegrond voor, en zullen bij verstek worden toegewezen”. [154] [onderstreping toegevoegd, A-G]