Conclusie
1.Inleiding
2.Het namens de verdachte voorgestelde middel
Bewijsmiddelen
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Verdediging van specifieke rechtsgoederen
nodigwas om [getuige 1] te helpen. Het hof heeft slechts de handelingen en motieven van het slachtoffer vastgesteld, maar niet de vraag beantwoord naar de noodzaak van die handelingen. Het lijkt erop dat het hof bewust verre is gebleven van de vraag in hoeverre het slachtoffer bij het steken van de verdachte uit noodweer handelde.
3.Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ( zaak A feit 1)
condicio sine qua non-verband tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade de absolute ondergrens vormt. Het dient op zijn minst zo te zijn dat zonder de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden de schade niet zou zijn ingetreden, althans dat er minder schade zou zijn. Bij ontbreken van een dergelijk verband kan een beroep op art. 6:101 lid 1 BW Pro niet slagen. [19] Met het bestaan van een
condicio sine qua non-verband is de eigen schuld van de benadeelde echter niet gegeven. In de literatuur wordt wel aangenomen dat ook volgens de in art. 6:98 BW Pro bedoelde toerekeningsleer een oorzakelijk verband dient te bestaan tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade. [20] In lijn daarmee dient de schade in zodanig verband met de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden te staan dat de schade de benadeelde mede als een gevolg van die omstandigheden kan worden toegerekend.