ECLI:NL:PHR:2026:162

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
25/01706
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 511h SvArt. 511i SvArt. 6:1:16 lid 2 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in ontnemingszaak wegens ontbreken wettelijk cassatiemiddel

In deze zaak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 24 april 2025 het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld en een ontnemingsmaatregel opgelegd. De betrokkene stelde in cassatie een voorwaardelijk middel voor, dat volgens de Hoge Raad niet voldoet aan de wettelijke eisen voor een cassatiemiddel in ontnemingszaken.

De Hoge Raad benadrukt dat in ontnemingszaken alleen stellige en duidelijke klachten over rechtsregels of vormverzuimen als cassatiemiddel kunnen worden aanvaard. Het voorwaardelijke middel van de betrokkene, dat afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak, is niet toelaatbaar. Bovendien is het cassatieberoep niet tijdig ingediend conform de wettelijke termijnen.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene. De Hoge Raad verwijst naar vaste jurisprudentie en benadrukt het onderscheid met voorwaardelijke middelen van het Openbaar Ministerie, die wel in behandeling kunnen worden genomen. De zaak illustreert de strikte toepassing van ontvankelijkheidsvereisten in cassatieprocedures tegen ontnemingsmaatregelen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettig cassatiemiddel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01706 P
Zitting10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1412 – bij arrest van 24 april 2025 (parketnr. 20-002861-24) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 59.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat een bedrag van € 54.000,-. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de (straf)zaak 25/01655. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 2 mei 2025 [1] ingesteld namens de betrokkene. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat te Roermond, hebben één – voorwaardelijk – middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.

2.De ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het voorgestelde voorwaardelijke ‘middel’, in samenhang gelezen met de toelichting daarop, behelst de klacht dat indien het in de strafzaak voorgestelde tweede middel doel zou treffen, de grondslag voor de ontnemingsmaatregel zou komen te vervallen.
2.2
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan als cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv Pro slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [2] Dit uitgangspunt geldt in strafzaken en in ontnemingszaken, zij het dat de rechtspraak in ontnemingszaken in bepaalde gevallen voor het Openbaar Ministerie (OM) een uitzondering is gemaakt (zie hierna onder randnr. 2.4). Dat betekent dat in een ontnemingszaak namens de betrokkene niet kan worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de strafzaak zouden moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. [3] In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Die regeling houdt in dat zolang de strafzaak niet onherroepelijk is geworden, de ontnemingsmaatregel niet kan worden tenuitvoergelegd (art. 6:1:16 lid 2 Sv Pro) en dat zodra de strafzaak niet resulteert in een veroordeling en die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, de uitspraak in de ontnemingszaak van rechtswege komt te vervallen. Een en ander betekent dat het in de onderhavige zaak geformuleerde voorwaardelijke middel niet is aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet, zodat het ‘middel’ onbesproken kan blijven. [4]
2.3
Aangezien de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437 lid Pro 2, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene in zijn beroep niet kan worden ontvangen.
2.4
Terzijde merk ik nog op dat voor zover in de cassatieschriftuur een vergelijking wordt gemaakt tussen de onderhavige zaak en de zaken die hebben geleid tot HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536, HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947,
NJ2019/8, m.nt. J.M. Reijntjes, en HR 10 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:657, die vergelijking mank gaat. In die ontnemingszaken was immers telkens sprake van een door het OM voorgesteld voorwaardelijk cassatiemiddel, waarbij de voorwaarde inhield dat het cassatiemiddel in de strafzaak gegrond werd bevonden en het arrest van het hof als gevolg daarvan werd vernietigd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin het OM in de strafzaak cassatie heeft ingesteld omdat het hof naar het oordeel van het OM op onjuiste gronden heeft vrijgesproken van een feit dat om die reden niet is betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wanneer het OM in een dergelijk geval niet ook cassatie zou hebben ingesteld in de ontnemingszaak, en het hof na terugwijzing alsnog het feit bewezen verklaard waarvoor eerder nog was vrijgesproken, dan zou het OM met lege handen staan voor het met dat feit verkregen wederrechtelijke voordeel. Het is vaste rechtspraak dat in een dergelijk geval een voorwaardelijk middel van het OM wel in behandeling kan worden genomen, terwijl een soortgelijk middel van een betrokkene door de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro en artikel 511i Sv per definitie onbesproken blijft. Dit verschil in de wijze van behandeling [5] lijkt door de stellers van het middel te worden miskend. [6]

3.Slotsom

3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Uit de akte cassatie blijkt dat op 29 april 2025 de bijzondere volmacht ter griffie van het gerechtshof is ontvangen. De akte cassatie is opgemaakt op 2 mei 2025.
2.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
3.Vgl. onder meer de conclusies van A-G Bleichrodt vóór HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, randnr. 4) en van A-G Hofstee vóór HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1203 (ECLI:NL:PHR:2020:522, randnr. 15).
4.Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:846.
5.HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947,
6.Vermeldenswaard is dat het wetsvoorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering de officier van justitie in art. 4.4.12 NSv de keus biedt de ontnemingsvordering afzonderlijk bij de rechtbank in te dienen, dan wel deze te voegen bij de berechting van het desbetreffende feit (