Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De ontvankelijkheid van het beroep
NJ2019/8, m.nt. J.M. Reijntjes, en HR 10 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:657, die vergelijking mank gaat. In die ontnemingszaken was immers telkens sprake van een door het OM voorgesteld voorwaardelijk cassatiemiddel, waarbij de voorwaarde inhield dat het cassatiemiddel in de strafzaak gegrond werd bevonden en het arrest van het hof als gevolg daarvan werd vernietigd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin het OM in de strafzaak cassatie heeft ingesteld omdat het hof naar het oordeel van het OM op onjuiste gronden heeft vrijgesproken van een feit dat om die reden niet is betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wanneer het OM in een dergelijk geval niet ook cassatie zou hebben ingesteld in de ontnemingszaak, en het hof na terugwijzing alsnog het feit bewezen verklaard waarvoor eerder nog was vrijgesproken, dan zou het OM met lege handen staan voor het met dat feit verkregen wederrechtelijke voordeel. Het is vaste rechtspraak dat in een dergelijk geval een voorwaardelijk middel van het OM wel in behandeling kan worden genomen, terwijl een soortgelijk middel van een betrokkene door de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro en artikel 511i Sv per definitie onbesproken blijft. Dit verschil in de wijze van behandeling [5] lijkt door de stellers van het middel te worden miskend. [6]