Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren.”ii [voetnoot ii hof: HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 r.o. 4.1.5.]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“op de zeer korte duur van het huwelijk – nauwelijks twee jaar – en op het feit, dat bij de bepaling van het bedrag der schadevergoeding niet alleen gelet was op geleden pijn maar ook op toekomstig leed, dat in de gegeven situatie na de huwelijksontbinding zou worden ondergaan”. Kortom, een van de redenen dat de uitspraak volgens Luijten schuurde met het rechtsgevoel was dat de vergoeding ook zag op na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap te lijden schade.
moestgaan. Het wil niet zeggen dat de Hoge Raad dit onbestreden oordeel ook juist acht. Bevestiging daarvoor vind ik in een beschikking van de Hoge Raad van 27 januari 2023, [28] waarin in de kern dezelfde vraag aan de orde kwam. [29] Die vraag heeft de Hoge Raad toen onbeantwoord gelaten, omdat in dat geval niet ter zake deed of ‘de erfenis’ tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. [30]
diefiets”). De identificeerbare verknochte fiets valt buiten de huwelijksgemeenschap, we kunnen hem immers aanwijzen. Met zo’n goederenrechtelijke benadering kunnen we niet goed uit de voeten met de ‘opdracht’ van de Hoge Raad met betrekking tot giraal geld, dat we moeten kijken of het bedrag redelijkerwijs nog als zodanig te identificeren is. [36] Ik denk dat de opdracht inhoudt dat
ongeachtof het geldbedrag op de rekening als een zelfstandig ‘goed’ in de zin van art. 3:1 BW Pro kan worden gekwalificeerd, het zo kan zijn dat een bepaald vorderingsdeel (een deel van de vordering op de bankinstelling) wordt aangemerkt als verknocht ‘goed’, zodat het buiten de huwelijksgemeenschap valt. Als de geldwaarde redelijkerwijs nog als zodanig identificeerbaar is, kan het in een ‘ander vermogen’ vallen dan de rest van het saldo dat op die zelfde rekening staat. Er moet zo nodig water bij de goederenrechtelijke wijn ten faveure van de realisering van het wenselijke resultaat, namelijk de bescherming van degene aan wie dat bedrag om indringende redenen (dat is immers de achtergrond van de verknochtheid) behoort toe te komen.
nietin de huwelijksgemeenschap valt.
haarvordering
nietin de huwelijksgemeenschap valt, blijft de vordering vanwege de bijzondere verknochtheid buiten beschouwing bij de verdeling van de gemeenschap na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
nietspeciaal voor het smartengeld geopend. Op de rekening stond al een bedrag van € 5.000,- die in de huwelijksgemeenschap viel. Het saldo na betaling van het smartengeld is dus € 25.000,-. Hoe beoordelen we nu de verknochtheid? Wat valt in welk vermogen? Goed denkbaar acht ik, dat een rechter tot het oordeel komt dat de daarmee gemoeide geldwaarde (het smartengeld) nog redelijkerwijs als zodanig identificeerbaar aanwezig is. [37] Het gevolg is dat een deel van het saldo (de vordering op de bankinstelling) buiten de huwelijksgemeenschap valt en een deel er in. Hetzelfde kan opgaan wanneer het bedrag wordt gestort op een lopende en/of rekening en bijvoorbeeld direct ‘apart’ wordt gezet in een ‘mapje’ dat onder die rekening hangt, ook dan herken ik het bedrag nog duidelijk genoeg. Het lijkt me niet te rechtvaardigen dat een dergelijke moderne, alledaagse wijze van ‘afscheiden’ niet zou volstaan tegen de achtergrond van de verknochtheidsproblematiek.
Alser zaaksvervanging optreedt, valt het verkregen goed ‘automatisch’ ook buiten de huwelijksgemeenschap. Het lijkt er echter op dat de Hoge Raad de deur van de zaaksvervanging bij de inzet van verknochte gelden heeft dichtgedaan in een arrest van 26 september 2008. [39] In de zaak die leidde tot deze uitspraak deed de situatie zich voor dat tijdens het huwelijk met een door de vrouw ontvangen schadevergoeding van € 300.000,--, voor een door haar voor het huwelijk overkomen ongeval, een perceel grond was aangekocht waarop de echtgenoten later een woning zouden bouwen. Van belang is om te melden dat in de procedure veronderstellenderwijs ervan uit werd gegaan dat sprake was van een goed (hier: de schadevergoeding van € 300.000,--) dat bijzonder verknocht was en buiten de gemeenschap viel. De opvatting, dat de bijzondere verknochtheid tot gevolg had dat het nieuw verkregen goed op grond van zaaksvervanging eveneens buiten de gemeenschap valt, lijkt de Hoge Raad hier(mee) te verwerpen. Hij overweegt in r.o. 3.3:
niet uitgeslotendat het vervangende goed ook verknocht is, maar die verknochtheid volgt niet van rechtswege uit de regeling van zaaksvervanging. Zeker voor vergoedingen die pas bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap kunnen worden vastgesteld, valt daar veel voor te zeggen. Op het moment dat ‘het goed’ tijdens het huwelijk wordt herbelegd is immers nog onduidelijk welk deel precies verknocht is. Bovendien, de reden om een verknocht goed buiten de gemeenschap te houden ligt in de aard van het goed. Dat specifieke goed behoeft bescherming, en als dat specifieke goed er niet meer is, zou je kunnen zeggen dat het ook niet de door zaaksvervanging geboden goederenrechtelijk bescherming behoeft. [41] Overigens wil dit naar mijn mening niet zeggen dat er geen vergoedingsrechten kunnen ontstaan.
lijktte oordelen dat zaaksvervanging niet aan de orde is bij verknochte goederen. Ik trek zelf ook die conclusie uit het genoemde arrest van de Hoge Raad, maar er wordt door Zonnenberg ook wel betoogd dat de Hoge Raad alleen heeft beslist dat herbelegging van een verknocht goed
niet automatischtot een nieuw verknocht goed leidt. [42] Over de vraag of zaaksvervanging bij verknochte goederen mogelijk is, zou de Hoge Raad zich niet hebben uitgelaten. Hij meent dat ook bij verknochte goederen de regels van zaaksvervanging van toepassing zijn, en dat dit anders tot onredelijke resultaten zou leiden. [43] Ook andere auteurs zijn kritisch over het arrest, maar gaan er wel van uit dat de Hoge Raad hiervoor gekozen heeft. [44]
Alseen verknocht goed goederenrechtelijk buiten de gemeenschap valt en dus in het vermogen van een van de echtgenoten valt, dan betreft dit een aan een echtgenoot behorend privégoed. Ook indien het verknochte goederen betreft en deze door ‘vermenging’ tot de gemeenschap gaan behoren, of als hiermee schulden van de gemeenschap worden voldaan, zou ik menen dat er in beginsel een vergoedingsrecht ontstaat jegens de gemeenschap, net zoals het geval is bij (andere) privé goederen die onder uitsluitingsclausule zijn gekregen. Sterker nog, er is bij verknochte goederen misschien zelfs meer reden om bescherming te bieden. Waar aan onder uitsluitingsclausule verkregen goederen in veel gevallen al de goederenrechtelijke bescherming van zaaksvervanging zal toekomen, en de vraag of vergoedingsrechten ontstaan niet aan de orde hoeft te komen, geldt die goederenrechtelijke bescherming van zaaksvervanging bij verknochte goederen niet (zie hiervoor 3.35).
helemaalweggedacht. Gedurende het huwelijk valt de vergoeding onder ontbindende voorwaarde in de huwelijksgemeenschap. De ontbindende voorwaarde is de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De vergoeding valt onder opschortende voorwaarde in het privévermogen van een der echtgenoten. [59] Zolang de voorwaarde niet is vervuld, wordt ‘de gemeenschap’ aangemerkt als de uitsluitend rechthebbende voor zover het betreft de door derden uit de oefenen rechten en rechtsvorderingen. [60] Als de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden, en daarmee de ontbindende voorwaarde intreedt, is het ’getal’ wel uit te rekenen en zal de vergoeding - als de geldwaarde als zodanig nog redelijkerwijs identificeerbaar is - goederenrechtelijk voor het relevante gedeelte buiten de gemeenschap vallen. Zodra de onzekere gebeurtenis (de ontbinding van de huwelijksgemeenschap) intreedt, kan wel worden vastgesteld welk deel van de geldwaarde onvoorwaardelijk verknocht zou zijn geweest als het niet zou zijn uitgegeven of uitgewonnen. Achteraf kan dus worden bepaald of er een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden van voorwaardelijk privévermogen naar onvoorwaardelijk gemeenschapsvermogen. Voor dat gedeelte zou een vergoedingsrecht kunnen worden toegekend op grond van art. 1:95 lid 2 en Pro/of art. 1:96 lid Pro 3 (oud)/4 (nieuw). [61]
ten behoeve van de vrouwontstaat. Door overboeking van een privé vordering op een bankrekening die tot de gemeenschap behoort, is het geldbedrag reeds deel uit gaan maken van de gemeenschap van goederen, en niet relevant is of de op de bankrekening nog aanwezige gelden redelijkerwijs nog als zodanig zijn te identificeren in het vermogen van de echtgenoten.