ECLI:NL:PHR:2026:274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/00244
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 41 lid 1 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging strafoplegging wegens overschrijding redelijke termijn bij opzetheling kentekenplaten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin de verdachte is veroordeeld voor opzetheling van gestolen kentekenplaten. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte op 7 maart 2023 in een auto reed met kentekenplaten die op 5 maart 2023 waren gestolen, en dat hij wist dat deze kentekenplaten door misdrijf verkregen goederen waren.

De advocaat van de verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist dat deze gestolen waren. De procureur-generaal concludeerde echter dat het hof terecht had geoordeeld dat het ontbreken van een plausibele verklaring van de verdachte en het ontbreken van aanwijzingen dat de auto aan een ander ter beschikking stond, het vermoeden rechtvaardigen dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst.

Ambtshalve merkt de procureur-generaal op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde straf. De conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering daarvan, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen. De Hoge Raad zal hierop uitspraak doen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn en vermindert de straf, terwijl het cassatieberoep verder wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00244

Zitting24 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Bij arrest van 24 januari 2024 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnummer 20-001427-23) de verdachte in de zaak met parketnummer 02-041377-23 wegens "
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking" en in de (gevoegde) zaak met parketnummer 02-066406-23 wegens 1. “
opzetheling”en 2. “
overtreding van artikel 41 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda , heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van opzetheling (feit 1 in de zaak met parketnummer 02-066406-23) ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.
4. Ten laste van de verdachte is, voor zover van belang, bewezen verklaard dat:

hij op 7 maart 2023 te [plaats] twee kentekenplaten ( [kenteken 1] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen
5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2023, dossierpagina’s 11-12, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Op 7 maart 2023 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met politiefunctionaris [verbalisant 3] , beiden werkzaam voor politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, belast met een onopvallende surveillance in de gemeente [...] .
Op 7 maart 2023 kregen wij vanuit het ANPR kentekenplaten controle systeem, op de A16 ter hoogte van [plaats] , een melding over het kenteken [kenteken 1] , volgens het systeem waren deze kenteken (het hof begrijpt: kentekenplaten) tussen 26 februari 2023 om 18:00 uur en 1 maart 2023 om 12:15 uur gestolen. Van deze diefstal was op 5 maart 2023 aangifte gedaan.
Naar aanleiding van deze melding besloten wij om dit voertuig te controleren. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat een blauwe Peugeot 207 voorzien van het kenteken [kenteken 1] ons passeerde. Wij reden achter het voertuig aan over de A16 richting de A17. Hier ging het voertuig richting industrieterrein [plaats] . Ik zag dat er een man in het voertuig zat. Ik zag dat de gordel van de bestuurder achter de man zelf langs ging. Ik zag dat de gordel niet op de gebruikelijke manier gebruikt werd. Wij namen het voertuig mee richting de Plaza in [plaats] . Hier kreeg het voertuig een stopteken door middel van het rode transparant in het onopvallende politiedienstmotorvoertuig.
Op 7 maart 2023 liep ik richting de blauwe Peugeot 207. Ik zag dat achter het stuur een man zat. Ik vroeg de man om een geldig rijbewijs. Ik zag dat de man mij een geldig Nederlands identiteitsbewijs overhandigde. De man bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] in Nederland.
Ik zei tegen [verdachte] dat ik graag het VIN nummer van het voertuig wilde controleren. Ik las in de voorruit dat het VIN nummer [0001] was. Ik zag het VIN nummer dat bij het kenteken [kenteken 1] hoorde [0002] zou moeten zijn.
Op 7 maart 2023 hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat [verbalisant 3] verdachte [verdachte] aanhield voor het rijden zonder rijbewijs, voor de heling van de kentekenplaten voorzien van de letters: [kenteken 1] .
(…)
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde dat [verbalisant 3] in het voertuig nog een set met kentekenplaten, voorzien van het kenteken [kenteken 2] had aangetroffen. Ik zag in het politiesysteem dat bij het kenteken [kenteken 2] het VIN nummer [0001] hoorde. Ik zag in het politiesysteem dat dit voertuig sinds 02-01-2023 geen geldige tenaamstelling meer had, dat het voertuig geen verzekering en geen APK meer had.
Goederen
(…)
Object: Kentekenplaat
Aantal/eenheid: 2 stuks
Registratienummer: [kenteken 1]
2. Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2023 dossierpagina’s 23-25, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op zondag 5 maart 2023 om 13:56 is door mij de door de aangever via internet aangeboden aangifte verwerkt tot een proces-verbaal.
Aangever [aangever] geboren op [geboortedatum] 1975 wonende te [plaats] .
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict.
Verklaring
"kentekenplaten zijn van mijn auto gestolen"
Goederen
De aangever verstrekte over de bij het incident betrokken objecten de volgende aanvullende informatie:
Kenteken [kenteken 1] ”
6. In het bestreden arrest heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

Het hof stelt op grond van het dossier vast dat de verdachte op 7 maart 2023 in de Peugeot 207 reed waarop valse, gestolen, kentekenplaten waren gemonteerd, terwijl de daadwerkelijk bij het voertuig behorende kentekenplaten los in het voertuig lagen. In het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing gekomen dat dit voertuig aan een ander dan de verdachte ter beschikking zou hebben gestaan: een geldige tenaamstelling ontbreekt, verdachte rijdt in de auto en doet tegenover de politie afstand van de auto.
Bij gebrek aan contra-indicaties, is het hof derhalve op grond van het bewijs in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat de kentekenplaten op de auto door misdrijf verkregen goederen betroffen.
7. Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient ingevolge artikel 416 lid 1 onder Pro a Sr te worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voorwaardelijk opzet volstaat in dat verband. [1] In het geval iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, is hij niet strafbaar ter zake van opzetheling als omschreven in artikel 416 lid 1 onder Pro a Sr. [2] Bij de bewijsvoering van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed mag de rechter betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat die wetenschap eerst is ontstaan ná het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan betekenis toekomen aan de procesopstelling van de verdachte, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring zijnerzijds. [3]
8. De gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in (i) dat de verdachte op 7 maart 2023 reed in een auto waarop twee op 5 maart 2023 gestolen kentekenplaten waren aangebracht en (ii) dat in die auto een andere set, bij dat voertuig horende kentekenplaten zijn aangetroffen. Uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof die omstandigheden, tezamen genomen met het ontbreken van aanwijzingen dat de auto aan een ander dan de verdachte ter beschikking heeft gestaan, redengevend heeft beschouwd voor het vermoeden dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen. “
Bij gebrek aan contra-indicaties”heeft het hof daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het niet anders kan dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten wist van hun criminele herkomst. [4] Bij de vaststelling van de afwezigheid van contra-indicaties voor de wetenschap van de criminele herkomst van de kentekenplaten, heeft het hof klaarblijkelijk in aanmerking genomen dat de verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de kentekenplaten. In het licht daarvan acht ik het oordeel over verdachtes wetenschap van de criminele herkomst van de kentekenplaten ten tijde van het voorhanden krijgen niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. [5]

Slotsom

9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro te ontlenen overweging.
10. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro wordt overschreden. Dat hoort te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. [6]
11. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, en HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828.
2.Wel kan onder omstandigheden sprake zijn van het feit dat strafbaar is gesteld in art. 416 lid 1 onder Pro b Sr of van witwassen (art. 420bis e.v. Sr).
3.Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, rov. 2.5.3.-2.5.4. Over de betekenis van de procesopstelling van de verdachte bij de totstandkoming van het rechterlijke bewijsoordeel verscheen onlangs de handelseditie van een dissertatie: T. van der Rijst,
4.Hoewel in de bewijsoverweging tot de slotsom wordt gekomen dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat de kentekenplaten door misdrijf verkregen goederen betroffen, meen ik dat het hof hiermee het oog heeft gehad op verdachtes wetenschap
5.Vgl. (opnieuw) HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:125; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:128; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:132, en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 (art. 81 lid 1 RO Pro).
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.1.-3.6.2.