Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak in het kort
3.Het eerste middel
- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 157 en Pro/of 176a jo art. 83 Wetboek Pro van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo. 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art. 288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek Pro van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
260 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 3890685998, en/of
281 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2263858342, en/of
281 euro, althans enige geldbedrag onder (controle) nummer 7457365269, en/of
231 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 1935032803, en/of
300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 1733572003, en/of
586 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2029643471 en /of
355 euro, althans enig gelbedrag onder (controle) nummer 8614173218 en/of
300 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 7434719413, en/of
471,02 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 5934908650, en/of
861,- euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 2381973355 en/of
200 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 9403535254 en/of
376 euro, althans enig geldbedrag onder (controle) nummer 8041304591 en/of
A. [betrokkene 5] en/of
B. [betrokkene 6] en/of
C. [betrokkene 7] en/of,
D. [betrokkene 8] en/of
E. [betrokkene 9] en/of
F. [betrokkene 10] en/of
G. [betrokkene 11] en/of
H. [betrokkene 12]
althans één of meer tussenpersonen in Turkije en/of Libanon en/of Syrië, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije en/of Libanon en/of Syrië verzonden, terwijl dit/deze (geld)bedrag(en) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak,- in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden gepleegd,
Het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het door artikel 421 Sr Pro vereiste opzet. Minimaal moet kunnen worden bewezen dat de verdachte bewust heeft aanvaard dat er een aanmerkelijke kans was dat het geld (gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk) diende om steun te verlenen aan terroristische misdrijven als omschreven in 421 Sr. Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting bevat dergelijk bewijs. Aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat aannemelijk is dat de verdachte wel iets moet hebben geweten over de situatie in Syrië van destijds, maar er is geen bewijsmiddel op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr Pro. Een dergelijke wetenschap valt evenmin af te leiden uit verdachtes eigen verklaring of uit de verklaringen van andere betrokkenen zoals zijn echtgenote en zijn dochter [betrokkene 4] .
Bij dit oordeel betrekt het hof verder dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.
a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;”
Stb.2001, 675. [5] Dit stuitte echter op kritiek van de Financial Action Task Force (FATF), een intergouvernementele organisatie ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. In een evaluatierapport uit 2011 drong de FATF aan op een afzonderlijke strafbaarstelling van de financiering van terrorisme. Dit heeft de Nederlandse wetgever aangezet tot de invoering van art. 421 Sr Pro.
3.3 Het opzet van de dader op het financieren van terrorismeDe financieringshandelingen hebben tot doel het verlenen van geldelijke steun aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, of een van de andere genoemde misdrijven. Het opzet van de dader zal op verwezenlijking van dit doel moeten zijn gericht. Het opzet van de dader zal kunnen worden vastgesteld op subjectieve wijze – waar is de wil van de dader naar eigen verklaring op gericht? – en op objectieve wijze: waar is het handelen van de dader naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op gericht? In dit kader kan ook worden gewezen op de typologieën van terrorismefinanciering ontwikkeld door de FATF, die behulpzaam kunnen zijn bij het duiden van het handelen van de dader.
Interpretive Note. In een bijlage bij de memorie van toelichting is een transponeringstabel opgenomen van de
Interpretive Notenaar het wetsvoorstel. Die tabel houdt onder andere het volgende in:
Interpretative notebij Aanbeveling 5 van de FATF is de wetgever voorts ook gehouden de financiering van (individuele) terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. (…)
op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet.
bekend is”, [27] over “personen van wie [de verdachte]
weetdat ze plannen maken om aanslagen te plegen” [28] en over een organisatie waarvan “het
algemeen bekend is” dat die betrokken is bij terroristische aanslagen [29] (cursiveringen steeds toegevoegd). Met dit laatste wordt een verband gelegd met een feit van algemene bekendheid.
tweede deelklachthoudt in dat de overweging dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud, niet maakt dat voorwaardelijk opzet op het verlenen van geldelijke steun aan het plegen van terroristische misdrijven niet kan worden bewezen. Deze klacht slaagt voor zover het hof hiermee daadwerkelijk zijn oordeel heeft willen onderbouwen dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had. Dat de verdachte dit heeft beoogd, sluit immers niet uit dat de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een ander gevolg zal intreden.
eerste deelklachthoudt in dat het hof weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, namelijk dat voorwaardelijk opzet voldoende is voor een bewezenverklaring, maar dat het dit kader niet juist heeft toegepast. De overwegingen van het hof kunnen volgens de steller van het middel niet anders worden gelezen, dan dat het hof van oordeel is dat voor het bewijs van het opzet in deze tenlastelegging (uitsluitend) is vereist dat de verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] zich bij een terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 421 Sr Pro. Aldus zou het hof er geen blijk van hebben gegeven te hebben onderzocht of de verdachte in het onderhavige geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme. Voor zover het hof wel het juiste toetsingskader voor ogen had, zou uit de gegeven motivering niet zonder meer begrijpelijk volgen waarom het hof voorwaardelijk opzet niet bewezen acht.
onderdeelvan deze toets of sprake is van het voorwaardelijk opzet, onderzocht of de verdachte wist dat zijn dochter en haar echtgenoot zich hadden aangesloten bij een terroristische organisatie. In een geval als dit, waarin niet de rechtstreekse financiering van een terroristisch misdrijf ten laste is gelegd, maar de financiering van een terrorist of een terroristische organisatie, is dit een belangrijk element van het voorwaardelijk opzet dat duidt op bewustheid van de aanmerkelijke kans dat het geld dat de verdachte hun verschafte diende als steun aan het plegen van terroristische misdrijven.
4.Het tweede en derde middel
hij op tijdstippen op de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017 in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met anderen in strijd met het krachtens artikel 2 en Pro of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en Pro/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en Pro artikel 4 van Pro Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 en art. 2 Sanctieregeling Pro ISIS en Al Qaida 2016 juncto artikel 2 en Pro artikel 4 van Pro Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie), heeft gehandeld doordat hij en/of zijn medeverdachte(n)
ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en)
[aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of ISIS (Da’esh) en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq];
hij op tijdstippen in de periode van 5 oktober 2015 tot en met 12 april 2017 in Nederland en/of Turkije en/of Libanon en/of Syrië, tezamen en in vereniging met anderen,
Feiten 2 en 3
nietvereist dat wordt bewezen dat er opzet bestond op overtreding van de in de tenlastelegging opgenomen normen. Het opzet is kleurloos. Wel dient te worden bewezen dat de verdachte opzet had dat de geldbedragen direct of indirect bij (een) terroristische organisatie(s) (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3), jegens wie toen de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing was, zou terechtkomen.
Dit betekent dat minimaal moet worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het financieren van terrorisme, doordat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem overgemaakte geld geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij een terroristische organisatie (feit 2) of bij [betrokkene 1] (feit 3).
(…)
(d) Prohibit their nationals or any persons and entities within their territories from making any funds, financial assets or economic resources or financial or other related services available, directly or indirectly, for the benefit of persons who commit or attempt to commit or facilitate or participate in the commission of terrorist acts, of entities owned or controlled, directly or indirectly, by such persons and of persons and entities acting on behalf of or at the direction of such persons;”
(…)
de Sanctiewet 1977, de artikelen 2, 7 en 9, voor zover betrekking hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3;”
(…)
4°. in geval van overtreding, voor zover het betreft een economisch delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;”
money transferen via een tussenpersoon geld ter beschikking gesteld aan een betrokkene, waarvan later is vastgesteld dat deze lid was van IS op het moment dat het geld werd overgemaakt. Het hof achtte bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de Sanctiewet indirect geld ter beschikking had gesteld aan een of meer met name genoemde organisaties. [38] Het hof stelde daarbij vast dat het geld van de verdachte “bij de ten laste gelegde organisaties ook op indirecte wijze terecht gekomen is”. Verder stelde het hof vast “dat de verdachte willens en wetens het geldbedrag van € 245,- heeft overgemaakt naar de tussenpersoon (…). Dat de verdachte geen wetenschap had dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) terecht is gekomen, doet er in het kader van het kleurloos opzet niet toe.”
eerste deelklachtvan het
tweede en derde middelkeert zich telkens tegen de overweging van het hof dat moet worden bewezen dat “de verdachte voorwaardelijk opzet had op het financieren van terrorisme”. De steller van het middel leidt hieruit af dat volgens het hof het opzet van de verdachte ook gericht moet zijn op het niet naleven van de toepasselijke sanctieregelingen. Dit zou in strijd zijn met het uitgangspunt van kleurloos opzet.